Essay: Allochtoon en zuil

Overpeinzingen van een allochtoon

Amper is Nederland het zuilenstelsel ontgroeid of er verrijst een nieuwe zuil: de islam. Het moeizame proces van bouwen aan een nieuwe eenheid kan van voren af aan beginnen.

«Vrouw niet werken; vrouw thuis. Hond niet binnen; hond buiten.» Deze woorden sprak een Marokkaanse schoonmaker tegen een medewerkster van ons bureau die, alsof het niet erg genoeg was dat zij als gehuwde vrouw een beroep uitoefende, ook nog haar hond mee naar kantoor bracht. Het gedrag van Nederlandse vrouwen vormde voor onze schoonmaker een bron van ergernis. Hij wist hoe het hoorde en hij twijfelde er geen moment aan dat zijn leefregels superieur waren aan die van het gastland. Hij was zo van zijn meegebrachte ideeën vervuld dat hij zich niet kon bedwingen deze vrouw de les te lezen. Een soortgelijke overtuiging van culturele superioriteit bezat ook een imam die onze westerse beschaving nog lager inschaalde dan die van de varkensstal.

Tegenover de vele vreemdelingen en «nieuwe Nederlanders» bij wie onze cultuur misnoegen opwekt, staat het gros van autochtonen dat ons aan de top van de beschaving plaatst. Er zijn echter ook Nederlanders die dat arrogant vinden. Ze ontzeggen ons het recht de allochtonen onze «normen en waarden» op te dringen en vinden dat de tolerantie die wij zelf zo nadrukkelijk belijden, ons verplicht ruimte te maken voor uitheemse culturen en leefpatronen van immigranten. Zij beschouwen het als een eis van politieke correctheid de ontwikkeling van een multiculturele samenleving te begunstigen.

Decennialang heeft men zich in Nederland op dit punt vrij inschikkelijk getoond, maar de laatste jaren is het onbehagen over de probleemkanten van die multicultuur bij zowel autochtonen als allochtonen zoveel irritatie gaan wekken dat nog maar weinigen bereid zijn erover te zwijgen. Er is een discussie losgebarsten die niet erg verhelderend is, daarvoor zijn de terminologische spraakverwarring en het emotionele onbegrip te groot.

Uit een debat dat onlangs werd gevoerd op de televisie, noteerde ik de volgende uitspraken.

Een Marokkaanse vrouw van de tweede generatie: «Waar praten we over? De multiculturele samenleving is een onherroepelijk feit. Het zijn de autochtonen die zich moeten aanpassen!»

Een Nederlander: «Jullie hebben hier gastvrijheid genoten. Jullie hebben zelfs de Nederlandse nationaliteit gekregen. Is dan niet het minste wat wij mogen verlangen dat jullie onze normen en waarden eerbiedigen?»

De Marokkaanse, sarcastisch: «O, hebben jullie die?»

Een Turkse man van de tweede generatie, met een accent: «Ik ben geen allochtoon, ik ben Nederlander. Ja, ik heb mijn vrouw uit Turkije gehaald. Mag toch zeker? Prins Willem-Alexander heeft zijn vrouw ook uit een ander land gehaald.»

De vijandigheid waarmee werd gediscussieerd, verbaasde mij. Waarom ergerden de nieuwe Nederlanders zich zo aan het woord «allochtoon» en waarom eisten zij niettemin het recht op om hun uitheemse cultuur hier onbeperkt te mogen uitleven? Ik gaf mij er rekenschap van dat ik zelf ook een allochtoon ben — zelfs een van de eerste generatie. Mijn moedertaal is Pools en ik ben met vijf verschillende talen opgegroeid: Pools, Oekraïens, Duits, Jiddisch en na m’n tiende met Nederlands. Tot m’n twintigste heb ik in Amsterdam voornamelijk verkeerd in een kring van immigranten. Mijn werkelijke assimilatie is pas in de oorlogsjaren begonnen, toen ik in onderduik en verzet veel meer met Nederlanders te maken kreeg dan voorheen. Ik was al 33 toen ik de Nederlandse nationaliteit kreeg, maar ik ben ook daarna mijn Pools-joodse afkomst nadrukkelijk blijven exponeren. Die houding heeft mijn integratie noch de acceptatie van mij door Nederlanders belemmerd. Dat ik mijn Nederlanderschap wat afstandelijker beleef, in zoverre dat ik het nog altijd in nauwe relatie met enkele andere landen en culturen onderga, acht ik winst. Ik heb dan ook de neiging mij in de discussie over de multiculturele samenleving wat excentrisch op te stellen en vaak van positie te wisselen.

Nederland heeft in zijn geschiedenis een aantal vluchtelingenstromen gekend die in verschillende processen van assimilatie en integratie zijn uitgemond. Twee migrantengroepen die hier ooit hun toevlucht hebben gezocht, zijn voor het probleem van culturele aanpassing zeer illustratief: de joden en de Hugenoten.

Motieven van geestelijke en sociale verwantschap hebben bijgedragen tot een warme ontvangst van de Hugenoten. Het verschil tussen autochtonen en deze allochtonen lag eigenlijk alleen in de taal. Geen van de twee partijen had een bijzondere reden zich af te zonderen. Daarom konden assimilatie en integratie zich snel voltrekken en waren het na weinige generaties alleen nog de namen die aan de Franse afkomst van de toegestroomde calvinisten herinnerden.

Heel anders waren de verhoudingen tussen Nederlanders en joden. Omvangrijke vestiging van joden in Nederland dateert uit de zestiende en zeventiende eeuw. Eerst streken hier sefardische joden neer die gevlucht waren voor de inquisitie in Spanje en Portugal. Deze werden ongeveer een eeuw later gevolgd door asjkenazische joden uit Oost-Europa die waren gevlucht voor de massaslachting aangericht door de Oekraïeners.

Hoge barrières verhinderden eeuwenlang de assimilatie en integratie van de joden in Nederland. De belangrijkste waren van religieuze aard. Levend binnen de sociale beslotenheid van synagogale gemeenten waren er tot het begin van de negen tiende eeuw slechts weinig joden die Nederlands spraken. De meerderheid, bestaande uit doodarme asjkenazische joden, sprak Jiddisch. De eigen culturen van de sefardim en asjkenazim werden hardnekkig in stand gehouden. Dat ging zo ver dat de welvarende sefardische gemeenschap bruidsparen die in eigen kring trouwden — dus niet een «gemengd» huwelijk aangingen met iemand uit asjkenazische kring — nog tot 1940 met een aanzienlijk geldbedrag beloonde.

Drie eeuwen lang werden de joden in Nederland als vreemdelingen beschouwd. Pas tijdens het bewind van koning Willem I begonnen Nederlandse autoriteiten druk op hen uit te oefenen zich cultureel aan te passen. In het onderwijs werd de Nederlandse taal verplicht gesteld en als onderdeel van een streven naar vernederlandsing kregen zij ook burgerrechten. Dat hield niet in dat er vermenging werd aangemoedigd. Was het gemengde huwelijk bij de joden uit den boze, het was in de hele religieus gedifferentieerde Nederlandse samenleving impopulair.

Daarmee raken we aan het verschijnsel van de zuilen cultuur. De joden vormden een van de vele zuilen en hoe ver hun verdietsing tot 1940 ook was voortgeschreden, niet iedereen was met hun integratie even ingenomen. Er waren nogal wat antisemieten die de joden beschouwden als een vreemd element in de Nederlandse gemeenschap. Aan joodse zijde bestond een sterke loyaliteit met de hele diaspora, en die bracht bij velen een zekere relativering van hun Nederlanderschap met zich mee. De wensgroet «volgend jaar in Jeruzalem» was zeer gangbaar. Het percentage joden dat buiten de joodse kring huwde, be droeg tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet meer dan zeventien procent — en dat na een verblijf van vijf eeuwen in Nederland en een integratiegeschiedenis van ruim een eeuw.

Men moge uit een en ander afleiden dat sommige culturele kaders heel moeilijk te doordringen zijn. Dat geldt vooral voor culturen die in religieuze tradities wortelen. Van de vele etnische groeperingen die op het ogenblik in Nederland leven, zullen die welke de islam aanhangen waarschijnlijk het langst hun allochtone trekken blijven bewaren. Temeer omdat er in de islamitische wereld een sterke getuigenisbeweging is opgekomen die ook de islamitische emigranten in haar ban heeft gekregen. Het gevolg is dat velen van hen niet meer volstaan hun geloof in een zekere beslotenheid te praktiseren, maar de behoefte hebben het te tonen en uit te dragen. In Nederland zijn het vooral islamitische vrouwen die daarin voorgaan. Als populair attribuut dient de hoofddoek die zich er modieus voor leent de distinctiedrift uit te leven. Zijn dergelijke tendenties bij Nederlandse joden (het keppeltje, de baard, pruiken bij gehuwde vrouwen) ver teruggedrongen, bij mohammedaanse gelovigen in de diaspora zijn ze verwoed in opkomst. Het valt te vrezen dat ergernis daarover bij autochtonen ertoe zal bijdragen onze moslimlandgenoten in hun ostentatief gedrag te stimuleren.

Laten we onze ogen er niet voor sluiten: er zijn hier nieuwe zuilen verrezen en niets wijst erop dat die gauw zullen verdwijnen. Op Nederlandse radiozenders hoort men Arabisch en Turks en het is best mogelijk dat de mohammedaanse godsdienst zich binnenkort zelfs frequenter dan de christelijke via allerlei media zal openbaren. Misschien is het te pessimistisch om te denken dat de islamitische cultuur — net als de joodse in het verleden — hier eeuwenlang stand zal kunnen houden, maar dat zij binnen afzienbare tijd het veld zal ruimen, is een illusie.

Al zijn velen voor het verschijnsel allergisch, we moeten vaststellen dat het zuilensysteem — nauwelijks weggeweest — een nieuwe actualiteit en een nieuw bestaansrecht heeft verworven. Geen overheid zal de minderheden kunnen verdrijven of ook maar de mond snoeren. Het zal niet zo lang meer duren of minderheden zullen in sommige steden zelfs meerderheden worden. De geciteerde Marokkaanse vrouw heeft gelijk: het Nederlandse volk zal zich moeten aanpassen. Dat is de prijs die het bezig is te betalen voor het ondoordachte, lichtvaardige immigratiebeleid dat al in de jaren zestig is begonnen en dat er eenzijdig op gericht was Nederland economisch op te stoten in de vaart der volkeren. Hoe zal het Nederlandse volk zijn nieuwe zuilenland inrichten?

Het zou de komende generaties ten goede komen als wij iets zouden leren uit de geschiedenis van «zuilenland». Lang voordat Abraham Kuyper het begrip «soevereiniteit in eigen kring» lanceerde, werd dit beginsel in Nederland al in zekere zin gepraktiseerd. Daaraan was het te danken dat de spanningen tussen de verschillende geestelijke en ethische stromingen redelijk onder controle konden worden gehouden.

Kuypers leer dat de bron van het soevereine (goddelijke) gezag niet bij de staat ligt maar bij de maatschappelijke levenskringen, heeft de rechtvaardigingsgrond geleverd voor de eigen organisatie van de diverse maatschappelijke groeperingen, met als doel eigen aard en wet zo goed mogelijk tot gelding te laten komen. Wat neerkwam op een antirevolutionaire onderbouwing van het zuilenstelsel, heeft weliswaar de verdeeldheid versterkt, maar tegelijkertijd het Nederlandse volk behoed voor stammenoorlogen. De breed uitgemeten kritiek die de laatste decennia op het zuilenstelsel is geuit, laat buiten beschouwing dat het stelsel ook borg heeft gestaan voor elementaire tolerantie. De zuilen hebben meer eenheid gesmeed dan het oogmerk van hun bestaan is geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zij, op de grondslag van soevereiniteit, hun immuniteit voor de lokroep van de nazi’s bewezen. Katholieken, protestanten, communisten en sociaal-democraten werden allen door eigen, onaantastbare beginselen gemotiveerd om zich tegen de bezetter te keren en hulp te verlenen aan slachtoffers. Buiten de beslotenheid van de «zuilen» was er van verzet weinig sprake. Daar wachtte men af, lusteloos of onverschillig, daar collaboreerde men licht of zwaar en liep men vooral geen risico.

De waarde van het zuilenstelsel lag daarin dat iedere stroming haar identiteit een gezicht kon verlenen; dat zij voormannen voortbracht die haar leiding gaven en haar op ieder niveau disciplineerden en «civiliseerden»; dat er gevoelens van eigenwaarde werden ontwikkeld die beschermden tegen die van miskenning en wrok; dat men, geleid door de wens ook door de anderen au serieux genomen te worden, zich langzaam maar zeker openstelde voor de denkwerelden van de anderen.

Na de oorlog hebben nieuwe massamedia er sterk toe bijgedragen dat brede groepen Nederlanders, over de omheining van hun eigen hok blikkend, kennis namen van elkaars ideeën en levensstijl. Daardoor kon het onderlinge respect groeien en kon de ontzuiling zich geleidelijk voltrekken. Vooral neoliberale groepen waren daarmee zeer ingenomen. In hun euforie ontsnapte het aan hun aandacht dat intussen nieuwe zuilen op Nederlandse bodem verrezen. En nu kan het moeizame proces van bouwen aan een nieuwe samenhang en een nieuwe eenheid van voren af aan beginnen.

Er wordt nogal veel geroepen om debat en onderzoek. Maar het een noch het ander kan iets veranderen aan de aanwezigheid van meer dan anderhalf miljoen allochtonen in Nederland en aan de stijging van hun percentage op het geheel van de bevolking. Wanneer een minderheid een vier keer zo grote nataliteit heeft dan de meerderheid, is haar onevenredige groei niet te stuiten, hoeveel men daarover ook praat en jeremieert. En al kunnen we elkaar misschien vinden in de overtuiging dat samenleven met minderheden die in cultuur en beschaving afwijken niet comfortabel is, deze ontdekking verschaft ons nog geen humane middelen om ons van die minderheden te ontdoen; drastische methoden à la Hitler of Videla komen hier gelukkig niet in aanmerking. Daarom kan geen andere conclusie worden getrokken dan deze: als niet kan wat men wil, dan moet men willen wat kan.

Het gaat erom te voorkomen dat er vijandschap ontstaat tussen autochtonen en uitheemse etnische groepen die hier leven. Dat allochtonen op aanvaardbare wijze worden geïncorporeerd in ons maatschappelijk bestel, zodat de sociale voorwaarden voor het ontstaan van getto’s en isolement zoveel mogelijk worden weggenomen. Dat er geen rancuneuze onderklasse in het leven wordt geroepen waaruit zich criminele gangs vormen. Dat geen afgezanten van megalomane gekken zich hier als een vijfde colonne organiseren — lieden die in agressie en terreur compensatie trachten te vinden voor hun gebrek aan gevoel van eigenwaarde. Dat jonge generaties van allochtonen niet in een soort niemandsland tussen culturen worden gestoten en daar worden prijsgegeven aan ontworteling en nihilisme.

Nog steeds ijlt het idee van de maakbaarheid van de samen leving na, volgens welk rechtstreekse maatregelen van de overheid zich ertoe zouden lenen elk gewenst doel te bereiken. Het ontgaat de meesten dat bepaalde ontwikkelingen alleen door middel van zeer indirecte en tijdrovende methoden naderbij kunnen worden gebracht. Als wij de emancipatie van een aantal Nederlandse groeperingen nagaan, dan stellen we vast dat deze niet in de eerste plaats door maatregelen van buitenaf, maar door ontwikkelingen binnen de groeperingen zelf werd bereikt; dat zo’n proces niet door middel van aanpassing tot stand is gekomen, maar juist door het eigen karakter op de voorgrond te stellen, door zichzelf te blijven, door de eigenheid vorm te geven en daarmee in laatste instantie bij te dragen tot het culturele mozaïek van Nederland.

Geen multicultuur voorzover die neerkomt op taalverscheidenheid, zei Balkenende onlangs, blijkbaar in de overtuiging dat zoiets vatbaar is voor een wilsbesluit. Laten we toch realistisch zijn: het valt niet te verwachten dat de komst van vreemde etnische groepen zal leiden tot meertaligheid in Nederland, maar niets zal kunnen verhinderen dat er jargons ontstaan die van blijvende invloed zullen zijn op het Nederlands. Daarvoor bestaan voorbeelden in het verleden. De aanwezigheid van een betrekkelijk kleine groep joden heeft tot gevolg gehad dat het Nederlands honderden Hebreeuws-Jiddische woorden heeft opgenomen die inmiddels taaleigen zijn: bajes, gajes, ganef, mazzel, makke, mesjogge, en ga zo door.

Het was beter geweest indien Balkenende ideeën had gelanceerd voor een gedragscode in een wereld van zuilen. Hij had daarbij aan de leer van de soevereiniteit in eigen kring kunnen herinneren die interessante gedachten bevat voor de omgang in een zuilenmaatschappij. Het gaat daarbij om twee verschillende zaken: de motivatie en het effect. Abraham Kuypers beweeg redenen waren ongetwijfeld theocratisch-machtspolitiek van aard. Voor het calvinistische bewustzijn lagen nationaal en gereformeerd dicht bij elkaar, zoals dr. W. Banning eens schreef. De wortels daarvan lagen in de opstand tegen Spanje. In de negentiende eeuw werd dit calvinisme teruggedrongen door het liberalisme dat op cultureel terrein het denkend deel der natie meende te vertegenwoordigen en dogmatisch denken in strijd achtte met mondigheid en vrijheid. De calvinisten konden dat moeilijk verwerken en voelden zich nog steeds geroepen hun invloed te laten gelden. Hun emancipatiestrijd had naast alle historisch-psychologische verschillen veel gemeen met die van de katholieken. «Zo hebben dus liberalisme, katholicisme, protestantisme (met name calvinisme) een eigen vorm en kleur gekregen in Nederland.» (Banning).

Hoe godsdienstig de grondslagen van Kuypers leer van de soevereiniteit in eigen kring ook waren, met de maatschappelijke uitkomsten op den duur kunnen ook humanisten, agnostici en atheïsten leven. Kuyper schreef: «Plaatst het calvinisme heel ons menselijk leven rechtstreeks voor God, dan volgt hieruit dat allen, man of vrouw, arm of rijk, zwak of sterk, talentvol of arm aan talent, als Gods schepselen en als verloren zondaren, niets, volstrekt niets tegenover elkaar te pretenderen hebben… Uit dien hoofde veroordeelt het calvinisme niet alleen alle slavernij en kasten-indeling, maar even beslist alle bedekte slavernij van de vrouw of van de arme; is het gekant tegen alle hiërarchie onder mensen; en duldt het geen andere aristocratie dan zulk ene die persoonlijk of als geslacht een meerderheid in karakter of talent bij gratie Gods kan tonen… Daarom moest het calvinisme consequent in de democratische opvatting van het leven zijn uitdrukking vinden.»

De leer van soevereiniteit in eigen kring heeft, ondanks een conservatieve grondtoon, niet tot reactie of stagnatie geleid. Het verschijnen van velerlei interne organisaties en de opbloei van de interne gedachtewisseling bevorderden een organische ontwikkeling die zich uitte in een verhevigd geestelijk leven, in toenemende maatschappelijke betrokkenheid, in structuren van sociale verantwoordelijkheid en zorg, in een cultuur van vreedzaam streven, waarbij in toenemende mate ideeën van buiten de kring werden geadapteerd.

In een dergelijk proces ligt de belofte opgesloten dat ook de nieuwe zuilen — in een ontwikkeling van zelfstandige groei — de weg zullen vinden naar integratie in de Nederlandse samenleving. Geen dwangmiddelen van de overheid en geen Nederlandse betweterij zullen dat proces kunnen versnellen. Gunsten zullen in ondankbaarheid worden aanvaard, straffen zullen de vervreemding bevorderen. Neerbuigende opmer kingen à la Fortuyn met betrekking tot de islam zullen tot frustratie en vertraging leiden, terwijl daarentegen de kritische oproep van Moesharav, die zich onlangs zorgelijke uitte over het steeds verder in het slop raken van de islamitische landen, juist een aanzet tot meer uitwisseling en vernieuwing zal kunnen geven.

Maar laat ons wel wezen: de meerderheid van de allochtonen heeft weinig zorg nodig omdat zij op eigen kracht haar weg wel vindt.

Op één terrein zal Nederland in alle gestrengheid en eenkennigheid moeten optreden: daar waar het de handhaving van de Nederlandse wetten en de morele achtergrond van die wetten betreft. Daar kan een gedoogbeleid alleen maar verwarring scheppen. Daar mag men niet terugdeinzen voor conflicten. Deze hoeven niet altijd een negatieve uitwerking te hebben. Wij moeten onze wetten ook zelf serieus nemen en als de cultuur niet helpt de wet te respecteren, dan moet de uitvoering van de wet de cultuur in banen dwingen. Als er over iets een diepgaande discussie moet worden gevoerd, dan is het over de middelen die daartoe kunnen worden aangewend.