Met of zonder vaste boekenprijs

Overproductie en verblokkering

De vaste boekenprijs wordt als de redding van de boekensector gezien. Vreemd, vindt Rik Smits, want het mag met de Nederlandse boekenstand dan niet goed gaan; elders is het met of zonder vaste boekenprijs niet anders.

«Cultuur is om m’n reet mee af te vegen», begint Gerrit Komrijs onherstelbaar verbeterde versie van De Dapperstraat, waarin een ordinaire pizzaschuiver de rol van de bespiegelende dichter overneemt. Hoe plat de opstelling van Komrijs middenstander ook is, hij is kraakhelder. De discussie over de vaste boekenprijs heeft daarentegen een bodem van commercieel karton doorsopt met cultuursaus. Het nieuwe wetsvoorstel dat de kamerleden Dittrich en Halsema op 28 oktober presenteerden, veranderde daaraan niets. Pieter van Os merkte in zijn commentaar «Lezen in de hel» (in De Groene van 2 november) terecht op dat ook Halsema bij de presentatie weer economische belangen maskeerde in misleidende taal. Hij dichtte beide kamerleden zelfs dezelfde eenzijdige motivatie toe als die van zaakwaarnemers van de havensector of de bouw — en deed ze daarmee vast tekort. Toch steunt hij de wet, omdat je in Nederland «voor minder dan tien euro grote klassiekers en hedendaagse topromans naar huis mag nemen».

Minder dan tien euro? Dat waren tot voor kort «boekjes van fl.19,95», een genre dat niet verder ging dan de gebundelde gramschap van Youp van ’t Hek en auteursrechtenvrije negentiende-eeuwers. Van Os moet echt in de war zijn geweest. Dat is begrijpelijk, want de vaste boekenprijs raakt aan heel veel materiële en immateriële belangen, maar ook jammer. Zo komt er nooit een open, rationele discussie over hoe aan al die belangen recht te doen. Hoog tijd dus voor helderheid: feiten en cijfers achter de standpunten over de vaste boekenprijs.

Over een ding is iedereen het eens: een breed, goed beschikbaar boekenaanbod is een groot goed. Uitgevers moeten dus ook minder gangbaar werk blijven publiceren, dat een uitstekend net van boekhandels bij de lezer moet brengen. Ook algemeen is het gevoel dat het niet zo goed gaat met die beschikbaarheid en bereikbaarheid. Een boek leeft steeds korter. Het ligt vaak al in de papiermolen voordat de lezer het heeft kunnen ontdekken, als het de schappen van de meeste winkels al gehaald heeft. Zo was uit de voorjaarsaanbieding 1997 van Contact, L.J. Veen en Atlas dit jaar geen twintig procent meer leverbaar. De rest is doorgedraaid als tomaten.

Per jaar produceert Nederland meer dan twaalfduizend nieuwe algemene boeken, terwijl slechts minder dan zevenhonderd boekhandels meer dan vijfduizend titels in huis hebben; een Ako of Bruna — een op elke drie boekwinkels — komt gemiddeld niet verder dan achthonderd titels. Uitgevers overproduceren zodanig dat geen boekverkoper, recensent of lezer het nog kan bijhouden. Zij richten zich noodgedwongen op een handvol marketinggestuurde hardlopers. Dat is de befaamde bestselleritis.

Daarnaast houden vooral de kleinere, zelfstandige kwaliteitsboekhandels ternauwernood het hoofd boven water, met «verblokkering» als gevolg. Vijftig procent van de boekhandels zit inmiddels in een keten of inkoopcombinatie, samen goed voor 85 procent van de totale boekenomzet. Door gezamenlijk goedkoper in te kopen ga je minder gauw kopje onder, maar het schaadt wel de diversiteit van het aanbod. In alle Libris-boekhandels liggen bijvoorbeeld verplicht dezelfde boeken in de etalage, bij inloopzaken als Bruna wordt nauwelijks meer zelfstandig ingekocht: if you’ve seen one, you’ve seen them all.

Dat alles gebeurde onder het regime van de vaste boekenprijs, de brancheafspraak die per 2005 onder Brusselse druk gaat sneuvelen, tenzij hij tot wet wordt verheven. Toch ziet men juist in die afspraak de redding van de boekensector, vandaar dat wetsvoorstel.

Dat is vreemd, want de veronderstelde cultuurpolitieke effecten van de vaste boekenprijs worden nergens met cijfers of feiten onderbouwd. Het propagandawerkje dat Aad Nuis er vorig jaar over schreef als voorzitter van de KVB, de club van uitgevers en boekhandelaren die al bijna een eeuw de vaste boekenprijs handhaaft, grossiert slechts in veronderstellingen, net als het al wat oudere vlammend pamflet van uitgever in hart en nieren Wouter van Oorschot.

Dat kan ook moeilijk anders, want de vaste boekenprijs heeft weinig heil gebracht. Het gaat met de Nederlandse boekenstand weliswaar niet goed, maar elders is het met of zonder vaste boekenprijs niet anders. Ook daar heerst overproductie en verblokkering. Bovendien blijkt een vaste boekenprijs geen voorspelbare invloed te hebben op de boekwinkelstand. In Zweden tuinde het bestand na afschaffing ervan in 1970 fors achteruit, maar het peil is er, gecorrigeerd voor bevolkingsdichtheid, niet lager dan in Denemarken met zowel een vaste boekenprijs als een boekhandelsmonopolie. In Engeland veranderde na vrijlating van de boekenprijs in de jaren negentig niets merkbaars. In Frankrijk steeg het aantal verkooppunten iets na afschaffing van de vaste prijs in 1979, om na herinvoering ervan in 1981 juist weer flink omlaag te duikelen.

Voor de prijs van een boek geldt iets dergelijks. Gemiddeld kostte een top-tien paperback (die bestsellers dus waarmee bij afschaffing de kleine, onafhankelijke boekhandel zou worden weggestunt) vorig jaar in Engeland — zonder vaste boekenprijs — maar liefst 38 procent méér dan in het vasteprijsland Duitsland, dat is 25 procent meer dan algemene prijspeilverschillen volgens de Big Mac-index kunnen verklaren.

Bij alles wat de vaste boekenprijs dus niet blijkt te doen, doet hij twee dingen aantoonbaar wel. Ten eerste helpt hij om de boekenmarkt gesloten te houden voor branchevreemde indringers — daarvoor was hij ook oorspronkelijk bedoeld. Dat effect verdwijnt overigens in het wetsvoorstel van Dittrich en Halsema.

Ten tweede brengt hij juist de kleinere, onafhankelijke boekhandel in een hopeloze concurrentiepositie tegenover zijn assortimentversmallende ketencollega’s, omdat alleen de consumentenprijs vast ligt, niet de inkoopprijs. Ketens en inkoopcombinaties halen veel van hun voordelen uit het bedingen van hogere marges bij de uitgevers. Gewoonlijk bedraagt de inkoopprijs zestig procent van de winkelprijs. Uit het verschil betaalt de boekhandelaar zijn winkelhuur, zijn voorraad, zijn personeel en zichzelf. Maar, en veel kleine boekhandelaren weten dit niet, tegen die voorwaarden wordt slechts twintig procent van de boeken geleverd. Grote inkopers bedingen vaak veel hogere marges, tot wel zeventig procent of in een enkel geval nog meer. Dat inkoopvoordeel mogen ze van de vaste boekenprijs niet aan de consument doorgeven, zodat het als zuivere overwinst in de zakken van de grootinkopers verdwijnt. Daar valt door niemand tegenop te concurreren.

Uitgevers noch handelaren blijken daar graag mee te koop te lopen. Dat zou althans verklaren waarom het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau over de vaste boekenprijs van dit jaar — waaruit overigens een deel van de gegevens in dit verhaal afkomstig is — op basis van «gesprekken in het vak» wat verbaasd concludeert dat de boekhandel zijn inkoopmacht maar slapjes gebruikt.

Het verklaart zeker waarom de KVB zo aan de vaste boekenprijs hangt. In het KVB-bestuur zit slechts één vertegenwoordiger van de onafhankelijke kwaliteitsboekhandel, naast onder meer directeuren van twee grote uitgeefconcerns, van de boekenclub ECI, van de grootste inkoopcombinatie van schoolboeken en van Bruna, precies de partijen die direct van de vaste prijs profiteren. Die Bruna-directeur, H. W. Cortenraad, zei nog in januari van dit jaar in het openbaar het assortiment van de Brunawinkels zo te willen «afbakenen» dat franchise nemers niet meer zelf inkopen. Dat maakt veel duidelijk over het cultuurpolitieke standpunt van deze KVB-bestuurder.

Het wetsvoorstel van Dittrich en Halsema schrijft opmerkelijk genoeg juist het omgekeerde voor van de trend naar inkoopconcentratie en hogere kortingen. Volgens artikel 12 moeten uitgevers «in voldoende mate rekening [houden] met door de boekverkoper noodzakelijk te maken kosten die samenhangen met het aanhouden van een ruim en gevarieerd assortiment, alsmede met het aantal en de diversiteit aan boeken die door de boekverkoper in het verleden […] zijn afgenomen.» Dat wordt gecontroleerd door een van staatswege ingesteld college, met de zweep van dwangsommen in de hand. Kortom, de wet bemoeit zich rechtstreeks en dwingend met de te verlenen inkoopkortingen. Ze doet dat bovendien niet door voorwaarden te scheppen, maar per oekaze.

Dat gaat kaarsrecht in tegen de realiteit en tegen elk economisch gezond verstand. Nergens worden kleine, bewerkelijke klanten bevoordeeld boven grote, en dat zal ook bij deze wet niet gebeuren. Artikel 12 getuigt van een naïef geloof in de maakbaarheid van de boekenmarkt. Het is planeconomie van het soort dat ruimschoots heeft bewezen niet te werken.

Maar ook al is die wet onzin, en de vaste boekenprijs uit cultuurpolitiek oogpunt irrelevant, de problemen van zelfstandige boekhandelaren zijn reëel, en uitgevers moeten werken in een zieke markt. Domweg de vaste boekenprijs afschaffen zal niet helpen, daar is meer voor nodig.

De problemen van zelfstandige boekhandelaren wijken welbeschouwd niet zo veel af van die van andere gespecialiseerde detaillisten, die het ook afleggen tegen het grootwinkelbedrijf en de blokkerketens. Gerichte maatregelen voor al die zelfstandigen, bijvoorbeeld in de sfeer van het huurbeleid of fiscale regelingen en vrijstellingen, kunnen echt zoden aan de dijk zetten. Je zou wensen dat de KVB zich dáár nu eens voor zou inspannen, voor het definitief te laat is.

Uitgevers zullen zonder vaste boekenprijs vooral hun eigen organisatie, die daar generaties lang compleet op is ingericht, om moeten bouwen. Dat zal waarschijnlijk juist de kleintjes beter afgaan dan de logge groten.

En dan is er nog het lek van de bibliotheken. Zolang er geen werkelijk commercieel verantwoord leenrecht wordt geheven, beduidend hoger dan het schijntje dat we nu kennen, wordt de boekenmarkt nooit gezond en blijft het voor minder populaire of toegankelijke auteurs kwakkelen. Niemand kan behoorlijk overleven wanneer zijn koopwaar een straathoek verder vrijwel voor niets wordt aangeboden, zelfs de meest literaire schrijvers, uitgevers en boekhandelaren niet. Ook dat lijkt een zinniger speerpunt voor de KVB dan de vaste boekenprijs. Net als trouwens voor de schrijversvereniging VVL, die tot nu toe zonder argumentatie of eigen onderzoek de boekenprijslobby kritiekloos heeft gesteund.