Overschilderkunst

In de jaren veertig schreef Barnett Newman heel wat beschouwingen over schilderkunst waarin hij zich afzette tegen de illusionistische kunst en vooral tegen het magisch realisme en surrealisme. Het illusionistische van die kunst was volgens hem een drogbeeld van of voor de echte betovering. En hij voegde de daad bij het woord en schilderde zijn concretiseringen van de ‘zuivere idee’ over al die nepdiepte van het realisme heen. En al gauw ging hij zo ver dat hij finaal over de hele westerse kunst heen schilderde, terug als hij wilde naar de oeruitingen van de allereerste mens: ‘The first man was an artist.’

Intussen was in Nederland Carel Willink driftig bezig zijn eigen en andermans expressionistische, constructivistische en kubistische doeken te laten verdwijnen onder de gladde glacislagen van zijn magisch realisme.
Zowel Newman als Willink wensten ten behoeve van de dominantie van hun eigen kunst de ondergang van kunstwerken en -opvattingen die hun niet aanstonden. Wie echter ook maar een tikkeltje benul van de geschiedenis van de beeldende kunst heeft, ziet in één oogopslag dat noch het werk van Willink noch dat van Newman in een andere periode hadden kunnen worden gemaakt dan zo tegen en rond het midden van de twintigste eeuw. Met andere woorden, en zonder uitspraken over kwaliteit te doen: door en in de grote, egale kleurvlakken van Newman spelen eeuwen figuratie mee, en onder de figuratieve composities van Willink roert zich de abstractie.
De richtingenstrijd is nooit zo sterk geweest als in de moderne tijd, maar ook een Giotto, Michelangelo of Rembrandt schilderden al doende over werk van anderen heen. Soms gebeurde zoiets rigoureus. Voor de uitvoering van Michelangelo’s Laatste oordeel moesten drie werken van Perugino letterlijk het veld ruimen. Soms zie je dat delen van overgeschilderde taferelen door beschadiging of veroudering van de bovenlaag weer zichtbaar zijn geworden.
Maar het boeiendste, waardevolste want vruchtbaarste overschilderen treedt op wanneer de schilder de door hem geattaqueerde en overgeschilderde werken als zodanig niet met ook maar één penseelhaar, laat staan een stanleymes, krenkt. Juist het concrete voortbestaan van de aangevallen en ‘overwonnen’ werken, plaatst het eigen werk in een geschikt daglicht, want binnen de geschiedenis. Wie de rol van het werk van Newman serieus wil overwinnen, doet dat in zijn eigen atelier, zoals een schilder die het werk van Willink naar de vergetelheid wil helpen, dat ook niet dient te doen door er het mes in of de spuitbus op te zetten. Bovendien moeten nog duizenden andere, komende schilders de mogelijkheid hebben om, als ze dat willen, een Cathedra of Landschap onder regenlucht aan te vallen en weg te werken. Dát is, als het om het artistieke gaat, de doorslaggevende reden waarom iedereen met zijn tengels van welk schilderij dan ook moet afblijven. Voor het beoordelen van het gedrag van wie dit simpele lesje niet wil kennen, gelden geen artistieke maar louter psychiatrische en justitiële maatstaven.