Tijs Goldschmidt

Oversprongen

Tijs Goldschmidt, Oversprongen. Uitg. Prometheus, 220 blz., ƒ36,50

Kun je genieten van een door een bioloog of etholoog geschreven essaybundel als je nog geen merel van een spreeuw kunt onderscheiden? In de vorige eeuw bewees de bioloog Dick Hillenius dat dit goed mogelijk is, en nu is er Tijs Goldschmidts Oversprongen, een essaybundel die zelfs de zonder natuur levende stadsmaniak vol verlangen de balkondeuren laat openen. Al in het tweede essay van de bundel beschrijft Goldschmidt de zware taak waarvoor «science-writers» als Hillenius en hij zich gesteld zien. Anders dan de «schrijvers van antropocentrische non-fictie» ziet de wetenschapsschrijver zich niet geplaatst voor het beschrijven van «een menselijke ervaring», maar (moeilijker) voor het duiden van verschijnselen die «soms zelfs buiten de directe perceptiemogelijkheid van de mens vallen». Denk aan melkwegstelsels of genen. Toch moet hun streven altijd gericht zijn, schrijft Goldschmidt, op de creatie van «een boek lang warm douchen voor alfa’s en bèta's». Het is een accurate beschrijving van Oversprongen. Nooit cynisch en met een nimmer aflatende verwondering komt Goldschmidt tot buitenissige verbindingen tussen natuur en cultuur, die nergens krampachtig aandoen. Hij is een meester in het nauwkeurig kijken; of het nu vlooiende apen betreft, pestende kinderen op het schoolplein, televisiekijkende stekelbaarsjes, de porno van Willem Jan Otten of een eilandvos die het wantrouwen heeft verleerd. De sleutel tot Goldschmidts begrijpelijk en aantrekkelijk schrijven, hoe geleerd en didactisch soms ook, moet worden gezocht in zijn preoccupaties. Elke wetenschapsfilosoof of hermeneut kan het uitleggen: kijken doe je met de brillenglazen die je hebt. Die van Goldschmidt zijn poëtisch gekleurd. Niet alleen in de breedste, maar ook in de meest letterlijke zin van het woord. In het essay «On the Poetic Origin of Species» beschrijft hij de rol van de Engelse literatuur in de laat-negentiende-eeuwse praktijk van het verschepen van complete plant- en diersoorten. Ladingen vogels werden van Europa versleept naar Amerika en andere landen waar dergelijke soorten nog nooit waren aangetroffen. De keuze van het soort vogel dat in aanmerking kwam voor deportatie, werd bepaald door de American Acclimatization Society, en wel op een zeer merkwaardige grond. Doorslaggevend criterium was dat Shakespeare de soort ten minste eenmaal had genoemd in zijn werk. Vervolgens stelt Goldschmidt zich de gelegitimeerde vraag of een van deze met succes overgebrachte soorten, de spreeuw, uiteindelijk ook belandde in de Amerikaanse poëzie. En ja hoor, nadat de spreeuw in 1890 in de nieuwe wereld was geïntroduceerd, dook het beest in 1953 op in een gedicht van de destijds in New York wonende Auden. Daarna volgden gedichten van de Amerikanen O'Hara en Williams. Het enige wat eventueel op de bundel is aan te merken, is de wat plichtmatige opbouw van de essays. Lijnen die Goldschmidt in zijn betoog terecht laat doodlopen, móeten op het einde weer bij elkaar komen, zodat er telkens een vol, wellicht iets te bombastisch slotakkoord opstijgt in de laatste alinea. Goldschmidt heeft dergelijke rigide structuren helemaal niet nodig. Zijn behandeling van evolutietheoretische, gedragsbiologische en culturele bijzonderheden zijn op zichzelf eigenzinnig en fascinerend genoeg.