Volt: optimistisch, maar niet naïef

Overtuigd Europa

Europa is voor hen een gegeven, ze voerden campagne zonder mediagenieke acties en gaan op sociale media in gesprek met mensen die hen uitschelden. Volt. Een jonge generatie. Op naar de 25 Europese zetels.

Lijsttrekker van Volt Reinier van Lanschot (midden) op het partijkantoor. Amsterdam, 13 mei © Michel Utrecht / HH

Europa moet nog naar de stembus. In de aanloop naar die Europese verkiezingen voert Volt Nederland campagne in het glazen huis bij station Den Haag Centraal. Daarin geen dj’s die geld inzamelen voor een goed doel, maar jonge mensen die met voorbijgangers in discussie willen over de Europese Unie. Vrijwilligers van deze eerste pan-Europese politieke partij zijn aan het sjouwen met meubilair vanuit het naast gelegen gebouw van de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. Bezoekers van het glazen huis hoeven straks niet te staan. Een laptop wordt geïnstalleerd om filmpjes te kunnen maken voor de website. Iedereen helpt, niemand heeft de leiding.

‘Wij zijn Europa’, dat hoor je vaak bij Volt. Ze komen uit heel Europa. Ze studeren, werken of zijn verliefd geworden hier in Nederland. Zoals de Nederlandse vrijwilligers elders in Europa hebben gestudeerd, gewerkt of verliefd zijn geworden. Dit zijn leden van de generatie voor wie de Unie geen vraag is maar een gegeven, die niet beter weten dan dat je in de EU zonder paspoort kunt reizen; dat je met EU-beurzen in Lissabon, Londen of Leiden kunt gaan studeren; en dat je in menig EU-land niet meer naar wisselkantoren hoeft om je geld te wisselen.

Tijdens het gemoedelijke, ogenschijnlijk wat ongeorganiseerde begin van deze campagnebijeenkomst stapt een jonge vrouw het glazen huis binnen. Ze kijkt wat zoekend rond en zegt dan tegen niemand in het bijzonder: ‘Ik kan vandaag jammer genoeg niet meehelpen met campagnevoeren, maar ik heb wat lekkers bij me voor jullie.’ En weg is ze, ze moet een trein halen.

Jason Halbgewachs, secretaris van het partijbestuur, herkent die uiting van betrokkenheid bij de partij. Toen hij in de weken vlak voor de verkiezingen in Amsterdam op het partijkantoor soms zestien uur op een dag zat te werken kwam er ook vaak iemand met wat eten langs. Spontaan, niet vooraf geregeld, laat staan van bovenaf gestuurd. Menige partijtijger van gearriveerde politieke partijen zal nu waarschijnlijk denken: ja, dat kan nog als je in de opbouwfase zit, wacht maar.

Reinier van Lanschot, lijsttrekker van Volt Nederland bij de Europese verkiezingen, moet erom lachen als ik het hem voorhoud. Hij kent de theorie over de cyclus die een organisatie standaard zou doorlopen. Maar hij is voor al die fases inmiddels gewaarschuwd. Waarbij de een dan zei: pas maar op, in het begin is het het moeilijkst. Wat een ander dan weer tegensprak door juist voor de uitbouwfase te waarschuwen: dan is het elan eraf, dan komt de taaie werkelijkheid.

I k spreek Van Lanschot en Halbgewachs een paar weken na de stembusgang. Ze zijn eerst op vakantie geweest, om uit te rusten van de intensieve campagnetijd. De lijsttrekker trok naar Libanon om daar een vriend te treffen die in Dubai werkt. Halbgewachs reisde via Wenen, om daar een neef te ontmoeten, naar Slowakije. Voor het maken van reizen binnen én buiten Europa draaien ze hun hand niet om. Ook dat tekent deze generatie.

Volt Nederland haalde onvoldoende stemmen voor een zetel in het Europees Parlement. Maar als er iemand langs ons tafeltje loopt en daar een opmerking over maakt, zegt Van Lanschot rustig: ‘We hebben nu één zetel in het Parlement en twee lokale afgevaardigden.’ De lijsttrekker van Volt Duitsland, Damian von Boeselager, gaat naar Brussel en in twee gemeenten in Duitsland zijn bij lokale verkiezingen Volt-kandidaten in de raad gekomen. Als vertegenwoordigers van een pan-Europese partij bekijken Van Lanschot en Halbgewachs het resultaat ook pan-Europees.

Volt is twee jaar geleden opgericht. De Italiaan Andrea Venzon was de initiatiefnemer en is voorzitter van Volt Europa. In acht landen deed Volt mee aan de Europese verkiezingen en in dertien landen zijn er inmiddels officiële politieke partijen met die naam. Venzon begon Volt omdat hij vond dat niemand in Europa meer de waarden vertegenwoordigde waarmee hij was grootgebracht. Daarbij dacht hij aan een open maatschappij, sociale gerechtigheid en een sterk Europa. Volgens hem hadden ook de middenpartijen het daar nauwelijks meer over. Hij verweet hun mee te gaan in het populistische jargon tegen Europa.

Volt wil wegblijven van het adagium dat met modder gooien aandacht genereert

Kijk naar de Brexit en hoe brexiteers zoals de Britse politicus Boris Johnson zich uitlaten over Europa. Kijk naar hoe Forum voor Democratie in Nederland ageert tegen de Europese Unie en de pvv dat eerder al deed. Bedenk dat een meerderheid van de Tweede Kamer af wil van de zinsnede ‘an ever closer union’ in het Verdrag van Europa. En hoe ook in Frankrijk, Italië of Hongarije Brussel vaak de schuld krijgt van alles wat tegenzit. Dan is het initiatief nemen voor een pan-Europese partij als het roeien tegen een sterke stroming in. Daar moet een dosis optimisme voor nodig zijn, anders red je het niet.

Maar we zijn niet naïef, voegt Van Lanschot daar direct aan toe. Hij maakt de grap dat Volt soms zelf wel op de Europese Unie lijkt. Hij doelt dan op de verschillen die hij ziet tussen hoe vrijwilligers uit diverse landen denken en doen. Hij durft best toe te geven dat dit cultuurverschillen zijn die tot ver in de geschiedenis teruggaan. Hij is in de maanden dat hij vol aan de bak ging om een zetel voor Volt Nederland te behalen ook daardoor beter het spanningsveld gaan begrijpen tussen nationaal en Europees, tussen wat goed is voor het eigen land en wat goed is voor de Unie.

Noch voor Van Lanschot, noch voor Halbgewachs is dat een reden om niet in Europa te geloven. Integendeel. Ze zijn ervan overtuigd dat de Europese landen alleen samen tegenwicht kunnen bieden tegen opkomende grootmachten als China. Van Lanschot is Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer aan het lezen. Europa als een groot pretpark annex museum en de Chinezen als onze kolonisator: dat is kort samengevat wat de auteur schetst in zijn roman. En Van Lanschot, Halbgewachs en hun generatiegenoten zijn dan de nieuwe dwangarbeiders, grappen ze er achteraan.

Om Europa daarvoor te behoeden heeft Van Lanschot zijn baan bij Ahold opgezegd en nam Halbgewachs een aantal maanden onbetaald verlof bij het consultancybureau waarvoor hij werkt. Er waren mensen in hun omgeving die dit niet snapten. Halbgewachs probeert me uit te leggen wat hij er allemaal voor heeft teruggekregen aan ervaringen, ontmoetingen, het plezier als je samenwerkt voor een gericht doel, wat je er allemaal van leert. Maar al pratend realiseert hij zich dat dit klinkt alsof het hem louter te doen zou zijn geweest om zijn cv. Hij probeert dat recht te zetten. Hij en veel van de Volt-vrijwilligers willen nu juist van de prestatiedruk af die ook tekenend is voor hun generatie.

Je inzetten voor een doel, zoals Europa, staat voor Van Lanschot gelijk aan zin geven aan het leven. Hij kan zich niet indenken dat hij na zijn studie een baan zou hebben, mogelijk om de paar jaar enige promotie zou maken en wat meer zou gaan verdienen, eventueel kinderen zou krijgen – en dat dat het dan is. Halbgewachs kent leeftijdsgenoten die werken, naar huis gaan, ’s avonds op de bank series zitten te kijken en vinden dat ze het druk hebben. Ieder zijn keus, hijzelf wil meer.

Maar een nieuwe partij helpen oprichten, is dat dan niet het andere uiterste? Van Lanschot memoreert dat minister-president Mark Rutte hen tijdens de verkiezingscampagne naïef noemde. Rutte zag blijkbaar geen potentie, denkt Van Lanschot. Daarom is hij des te trotser dat Volt een zetel heeft bemachtigd in het Europees Parlement. Dat een nieuwkomer in Nederland, zoals Forum voor Democratie, in zeteltal meteen meetelt, lijkt hen niet te deren. Integendeel zelfs. Die ene zetel hebben ze bereikt, zo benadrukken de twee, door een campagne te voeren die gespeend was van opvallende acties. Volt wil ver wegblijven van het adagium onder campagnegoeroes dat ook met modder gooien en op de man spelen aandacht genereert.

Op Twitter en Facebook blijven de Volt-leden beleefd. Tijdens de verkiezingscampagne kregen ze zelf op sociale media wel vaak bagger over zich heen gegoten. Volt reageert op die berichten waarin op hen wordt gescholden. Hun ervaring is dat de afzender vaak schrikt als hij een beleefd bericht van hen terug krijgt, dan soms zelfs excuses aanbiedt en hen succes wenst. Halbgewachs vergelijkt het met schelden op andere weggebruikers in de veilige cocon van een auto. Een voetganger op het trottoir zou dat niet zo snel doen. Die weet zich gezien. Daar draait het dus om, op sociale media en in de politiek. Dat deze manier van doen niet onopgemerkt is gebleven en een BN’er als Katja Schuurman verleidde om openlijk te laten weten op Volt te gaan stemmen, sterkt hen in hun houding.

Na zijn onbetaald verlof is Halbgewachs inmiddels weer aan de slag als extern ingehuurde consultant bij de overheid. Van Lanschot is op zoek naar een baan nu hij geen zetel in het Europees Parlement heeft weten te bemachtigen. Beiden blijven zich inzetten voor Volt. Ze hopen dat hun partij bij de volgende Europese verkiezingen in alle lidstaten mee kan doen. En dan meer zetels weet te bemachtigen. Liefst 25, dan kunnen de Volt-afgevaardigden in het EU-parlement een eigen fractie vormen. Omdat het nu nog niet zo ver is, is Volt in Brussel vooralsnog lid geworden van De Groenen.

Ook nationaal wil Volt proberen voet aan de grond te krijgen. Van Lanschot vertelt dat ze zich binnen de partij realiseren dat je om invloed te krijgen in Brussel ook invloed moet hebben in de lidstaten, hier in Nederland dus in Den Haag. Daar wordt bepaald wat Nederland in Brussel wil bereiken. En ja, dan werken ze mee aan een verdere versnippering in het parlement. Dat verwijt krijgen ze vaak te horen.

Maar ze kunnen niet anders, vinden ze. Zelfs de politieke partij die in het Nederlandse parlement de grootste pleitbezorger is van Europa, d66, vertolkt voor hen niet hun ideaal. Dat is een Europa met een parlement met fracties van louter pan-Europese partijen. Een parlement dat net zo veel macht heeft als het parlement in de Verenigde Staten van Amerika. Ze streven dan ook naar een federaal Europa, naar een Verenigde Staten van Europa. In een tijd dat voor velen de woorden ‘an ever closer union’ al besmet zijn, het f-woord taboe en anderen zelfs pleiten voor een vertrek uit de Unie, getuigt dat van optimisme. Al zullen hun tegenstanders dat met graagte als naïef blijven framen.