De toegevoegde waarde van hoge inkomens

Overvloed en onbehagen van het loonzakje

De hoogte van het salaris van de directeur van de Hartstichting of de declaratie van een consulent oogt vaak onaangenaam. Want wat is de rechtvaardiging van die bedragen? Waarom verdient een Chief Executive Officer van een beursgenoteerde onderneming al gauw twee miljoen euro, een minister 121.000, de directeur van een goed doel 170.000? Waarom kan een adviseur bij een overname miljoenen in rekening brengen?

Uitgangspunt in veel discussies is de zogeheten neoklassieke theorie. Volgens deze theorie zijn de lonen gelijk aan de productiviteit. Een werkgever zal nooit meer loon betalen dan een werknemer opbrengt en de werknemer zal, in de veronderstelling dat werkgevers onderling concurreren, elders emplooi kunnen vinden als hij minder dan zijn productiviteit uitbetaald krijgt. Wellicht wilde de Hartstichting het risico niet lopen de directeur aan een andere werkgever kwijt te raken.

Productiviteit hangt daarbij vooral samen met werkervaring, leeftijd en opleiding. Daar niet alle mensen even productief (kunnen of willen) zijn, bestaan er inkomensverschillen. «Is een verpleegster dan minder waard dan een hoofdcommissaris?» vroeg een at5-presentator zich laatst dan ook af. Als de theorie opgaat, luidt het antwoord op die vraag bevestigend. De neoklassieke theorie gaat ervan uit dat er op de arbeidsmarkt sprake is van volledige mededinging. Dit betekent — enig jargon is onvermijdelijk — dat er op elke arbeidsmarkt veel vragers en aanbieders (werkgevers en werknemers) zijn, de markt transparant is (iedereen beschikt over alle relevante informatie) en iedereen vrij kan toe- of uittreden. Bovendien moet het door de werknemer aangeboden goed (arbeid) homogeen zijn, anders gezegd, mogen er geen kwaliteitsverschillen tussen werknemers zijn.

Als dit het geval is, geldt de Law of Marginal Productivity. Verwijzend naar de internationale markt voor topmanagers gebruikte commissaris Wim Kok dit argument voor de gestegen salarissen van de ING-top. Het elegante van deze «wet» is dat die het mogelijk maakt heldere en eenduidige uitspraken te doen. Al heeft de econoom John. R. Hicks (Nobelprijswinnaar in 1972) ooit gewaarschuwd: «A long road has to be travelled before this abstract proposition can be used in the explanation of real events.»

Het voornaamste bezwaar tegen de neoklassieke theorie is het bestaan van zogeheten marktimperfecties. Er is vaak sprake van onvolledige informatie. Een werknemer overziet niet ten volle of hij elders meer kan verdienen. Op sommige markten (artsen, advocaten, notarissen) is geen sprake van vrije toetreding. Dat is deze beroepsgroepen recentelijk op extra belangstelling van de Nederlandse Mededingingsautoriteit komen te staan. Zo kan een notaris niet zomaar een kantoor openen. Omgekeerd is het voor een werkgever juridisch lastig om bij afnemende productiviteit de lonen te verlagen. Het neoklassieke model kan evenmin verklaren waarom er structurele beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Maar bovenal is het lastig vast te stellen hoe productief iemand is, zeker als mensen in teamverband werken. Hierdoor zijn de lonen niet altijd gelijk aan de productiviteit. Of beter, ze zijn daaraan eigenlijk nooit gelijk.

Lijnrecht tegenover de neoklassieke theorie staat de communistische: het kapitalisme is één grote marktimperfectie. Loonvorming is de uitkomst van klassestrijd omdat kapitaal en arbeid voortdurend in competitie zijn. Volgens Karl Marx kwam het erop neer dat het loon, de prijs van arbeid, gelijk was aan de reproductiekosten van die arbeid. Concreter: kapitalisten betalen arbeiders niet meer uit dan hun fysieke bestaansminimum.

Nu zijn er nog maar weinigen meer die deze radicale systeemkritiek onderschrijven. Het reëel bestaande socialisme bracht immers, behalve de officiële verwezenlijking van het gelijkheidsideaal, ook reëel bestaande armoede en (verborgen) werkloosheid.

Maar op grond van die socialistisch geïnspireerde overwegingen is de overheid in de vorige eeuw wel steeds actiever gaan ingrijpen. Diezelfde overheid verstoort zo de arbeidsmarkt. Ten eerste door het vaststellen van minimumlonen en het opleggen van loonbelastingen. Ten tweede is de overheid zelf ook werkgever die salarissen betaalt die niet tot stand komen door marktwerking. Er is geen markt voor professoren, leraren en politici. De toegevoegde waarde voor dergelijke professies is nauwelijks vast te stellen. De markt speelt slechts indirect mee. Indien de overheid niet enigszins marktconform betaalt, zullen ambtenaren naar het bedrijfsleven overstappen. Althans zij wier productiviteit hun huidige salaris overtreft.

Ongelijkheid is inherent aan een kapitalistisch systeem, gebreideld of niet. Wie dat aanvaardt, dient eventuele kritiek vervolgens te richten op de vraag of het loon werkelijk de toegevoegde waarde vertegenwoordigt of dat er sprake is van een marktverstoring. Zo kan men zich afvragen of de toegevoegde waarde van Jack Spijkerman aan de Vara een uit publieke middelen betaald salaris van 340.000 werkelijk noodzakelijk maakt. Op de markt van televisiepresentatoren is maar in beperkte mate sprake van vrije toetreding. En presentatoren zijn zo verschillend dat zij maar in beperkte mate als een homogeen goed gezien kunnen worden. Dit laat ruimte voor een salaris dat hoger is dan een salaris dat tot stand zou komen op een (fictieve) markt voor komedianten. Maar is Lodewijk de Waal zo veel productiever dan de door hem vertegenwoordigde arbeiders? Lastig.

De ironie wil dat de markt voor CEO’s nog enigszins lijkt te voldoen aan de neoklassieke theorie en dat de productiviteit van advocaten en notarissen, los van hun eventuele marktmacht, nog bij benadering is vast te stellen. Als het salaris van topmanagers weer eens verveelvoudigt, ligt een licht gevoel van onbehagen voor de hand. Maar verontwaardiging daarover is niets waard als het niet vergezeld gaat van economische onderbouwing.