Economie

Overvloed met onbehagen

De loongolf komt op gang. Rijksambtenaren gaan er de komende jaren zeven procent op vooruit. Ook de buschauffeurs krijgen er na verschillende stakingen in 2,5 jaar zo’n 7,5 procent bij, bovendien komen er extra plaspauzes en maatregelen tegen de werkdruk. Nu de economie zo goed draait, moet het er toch eindelijk van komen, hoor je nu veel. Het klinkt alsof we een kortetermijnprobleem aan het oplossen zijn, alsof een recente scheefgroei wordt rechtgetrokken.

Vergeet het maar. Ons inkomen stagneert al veertig jaar, stelde de Rabobank eerder dit jaar in een studie vast. Er was heus groei van het nationale inkomen in die vier decennia, maar die ging vooral naar overheid en bedrijfsleven. Het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens is sinds 1977 nauwelijks toegenomen – en niet alleen omdat het gemiddelde huishouden fors kleiner geworden is, van 2,9 mensen toen naar 2,2 nu. Ook het reëel besteedbaar inkomen per persoon is slechts met achttien procent gestegen in vier decennia. Dat is minder dan een half procent per jaar.

Toch voelt het niet alsof onze welvaart veertig jaar lang vrijwel stilstond. Dat is dan ook niet zo. We zijn er in vrijwel ieder aspect van ons leven materieel op vooruit gegaan. In 1977 bezaten bijna vijf miljoen huishoudens minder dan drie miljoen auto’s. Nu hebben we met acht miljoen huishoudens acht miljoen auto’s. Toen reed je in een lawaaiige, onveilige auto, als je er een had. Nu in een stille, comfortabele sjoemeldiesel. Toen had je zwart-wittelevisie met twee (2!) kanalen; nu te veel om op één avond doorheen te zappen. Toen ging je naar de bioscoop voor een film. Nu kun je series bingen op HBO. Toen verliep contact persoonlijk of per brief en draaischijftelefoon, één per huishouden. Nu heb je sociale media. Een vliegvakantie en wintersport waren de uitzondering; nu horen beide bij het modale leven. En dat allemaal met hetzelfde besteedbare inkomen.

We zijn rijker, angstiger, eenzamer en bezorgder geworden

De levensverwachting nam toe van 75 jaar tot 82 jaar. Het aantal studenten aan universiteiten en hogescholen verdubbelde bijna, van 140.000 toen naar 270.000 nu. De criminaliteit steeg niet, het terrorisme nam sterk af. In juni 1977 vielen er acht doden bij de beëindiging van een treinkaping in Drenthe, in september schoot een RAF-terrorist in Utrecht twee agenten neer. In 2017 viel in Nederland geen enkel terrorismeslachtoffer. Het leven is comfortabeler, luxer en veiliger geworden, zonder dat huishoudens er een cent meer aan uitgaven.

Er is maar één conclusie mogelijk: al dat extra geld voor overheid en bedrijfsleven heeft ons, huishoudens, heel wat opgeleverd, van veiligheid tot vliegvakanties. Die worden immers verzorgd door respectievelijk ambtenaren en bedrijven. Allemaal ondanks de stagnatie van onze besteedbare inkomens.

Maar het is overvloed met onbehagen. Ook daarvoor liggen de aanwijzingen voor het oprapen. Steeds meer mensen delen niet in de welvaartsgroei: in 2017 leefden een miljoen Nederlanders in armoede, intussen weer meer. In 1977 hingen er veel touwtjes uit brievenbussen; in 2017 heeft één op de vijf huishoudens rolluiken, één op de acht een alarminstallatie, en met elkaar houden we een particuliere beveiligingsbranche met een jaarlijkse omzet van twee miljard in de lucht. Een miljoen Nederlanders voelen zich eenzaam, in armoede of achter het rolluik.

En ook wie niet arm, bang of eenzaam is heeft redenen tot onbehagen die er in 1977 niet waren. Toen was Grenzen aan de groei van de Club van Rome vijf jaar eerder uitgekomen, het Wereld Natuur Fonds bestond al vijftien jaar, maar Greenpeace Nederland zou pas twee jaar later opgericht worden. In 2017 zijn verdwijnende bijen en smeltend Zuidpoolijs vaste onderdelen van het nieuws, er is een groene politieke partij en een klimaatwet. We zijn gemiddeld rijker, angstiger, eenzamer, gepolariseerder en bezorgder geworden.

Begrijp me niet verkeerd – ik gun de buschauffeurs hun plaspauze. Arriva moet daar niet moeilijk over doen. Maar welzijn in een tijd van modale massaconsumptie gaat grotendeels niet over loonstijgingen. Een eeuw geleden waren vakbonden en stakingen de sociale innovaties die we nodig hadden om welzijnsgroei voor iedereen af te dwingen. Maar als de chauffeurs hun 3,5 procent-eis opgeven of juist doorzetten krijgen we daar geen Zuidpoolijs of saamhorigheid mee. In die ongerijmdheid ligt de vraag van onze tijd. De loongolf is een oplossing, maar voor welk probleem? Met de lonen komt het via stakingen misschien wel weer goed, maar met welke maatschappelijke vernieuwingen gaan we angstigheid, polarisatie, armoede en eenzaamheid te lijf?