Overweldigend nevenprodukt

Het Forumprogramma van het festival van Berlijn opende groots en moedig met een kleine en fragiele film. Bijna onopgemerkt was hij als korte film ook al in Rotterdam te zien. De heer & mevrouw Gregor, heersers over het Forum, zagen het voor deze keer door de vingers. Maar de maker, Joram ten Brink, kon zich er dan ook op beroepen een ‘halve Nederlander’ te zijn. Voor meer dan de andere helft is hij Israeliër en domicilie houdt hij in Londen. Uit zijn film The Man Who Couldn’t Feel and Other Tales blijkt dat we te maken hebben met een kosmopoliet in de ruimste zin van het woord.

Ten Brink schijnt een produktief filmmaker te zijn, maar ik ken van hem eigenlijk alleen zijn in Nederland gemaakte Jacoba. Jacoba is een mooie en zorgvuldige, zowel documentaire als fictionele reconstructie van het lot van Ten Brinks joodse voorouders, die voor de oorlog generaties lang veehandelaren op het oostelijke platteland van Nederland waren geweest. Een film die een uitzondering op zijn oeuvre schijnt te zijn. Zijn laatste film moet dan een uitzondering op de uitzondering zijn, want met het verhalende, concrete en feitelijke Jacoba heeft deze film niets te maken. The Man Who Couldn’t Feel… draagt alle sporen van een nevenprodukt van de filmmaker. Hij valt waarschijnlijk het beste te vergelijken met het (niet voor publikatie bedoelde) reisdagboek van een schrijver. Een schrijver noteert invallen, legt flarden en poëtische zinnen vast en beschrijft wat hij vast wil houden. Filmer Ten Brink filmde zijn notities en beschrijvingen met een kleine 8 mm-camera als notitieblok. Volgens Ten Brink zelf heeft hij dit impressionistische filmen (en los daarvan het als een vlindervanger opnemen van geluiden) ruim vijftien jaar lang overal op de wereld gedaan zonder het idee te hebben er een film van te maken. Vrienden (waaronder de Nederlandse rouchiaan Dirk Nijland) haalden hem over om uit zijn indrukkencollectie een film te snijden. Die vrienden mogen we zeer dankbaar zijn want The Man… is een wonderlijk mooi en ontroerend kleinood. Een kostbaarheid.
Ten Brink filmde in China, India, Verenigde Staten, Antarctica, Nederland en Portugal, maar stoorde zich bij de montage in het geheel niet aan de geografische herkomst. Zijn kosmogonische collage is intuïtief en associatief geordend. Vormen, kleuren en bewegingen uit alle continenten volgen elkaar op als de noten in een partituur. Logica lijkt te ontbreken, al roept de keten van humane en alledaagse observaties van het mierennest mensheid toch een soort zorg om het bestaan op. Tussen de picturale kleuren van het 8 mm-materiaal duiken even de gruwelijke zwart-witbeelden van de slachtoffers van Hiroshima op. Het menselijke cosmorama is niet uitsluitend een toeristisch paradijs.
De film is op te vatten als zowel een visuele als een muzikale compositie. Ten Brink liet zijn geluidsverzameling bewerken door Barbed (Alex Burrow & Alex McKenchnie) en het resultaat is een prachtig stuk moderne muziek. Bovendien had hij de wijsheid om enkele ironische teksten tussen het geluid te monteren. Het verhaal over de man die niets voelde (ontleend aan een essay van psycholoog Manfred Kets de Vries) valt zelfs een paar keer te beluisteren, waardoor het iets bezwerends krijgt, maar Ten Brink vertelt bijvoorbeeld ook een relativerende ordinaire mop. Meestal bewegen beeld en geluid zich in de film voort door een eigen bedding, maar soms ontstaat er een suggestie van direct geluid. Er is een heel mooie scène die hij draaide in een joods-orthodoxe school. Kleine jongenskopjes met hoeden en slaaplokken scanderen ritmisch autistisch hun onbegrijpelijke oeroude teksten. Ten Brink luistert even mee en laat dan het hemelse Tehillim van Steve Reich invallen. Tegen zoveel schoonheid ben ik nauwelijks bestand. Het roept de meest overdreven superlatieven in mij wakker. Ik hoop niet dat het nog eens vijftien jaar duurt voordat Ten Brink een klein uurtje uit zijn unieke ubiquitaire collectie prijs geeft.