Op de ferry tussen Staten Island en Manhattan, 18 september 2001 © Mario Tama / Getty Images

Op donderdag 13 september 2001, kort nadat met twee gekaapte vliegtuigen de torens van het World Trade Center in New York waren verwoest, kwam in Washington het Congres bijeen om te stemmen over een wetsvoorstel dat het fundament zou leggen onder een nieuw tijdperk.

Met een megafoon in de hand, staand op de smeulende puinhopen van wat tot voor kort een symbool van westerse macht was, had president George W. Bush de nieuwe missie voor de Verenigde Staten uiteengezet. ‘Onze verantwoordelijkheid aan de geschiedenis is duidelijk’, sprak hij. ‘Deze aanvallen moeten beantwoord worden en de wereld moet bevrijd worden van het kwaad.’ Het wetsvoorstel waarmee dit messianistische doel gediend werd, was in elkaar gezet met dezelfde haast waarmee Amerika na 9/11 haar conclusies trok.

De ‘Authorization for the use of Military Force’ noemde geen specifieke doelwitten en schreef geen specifieke maatregelen voor. Hij gaf het Witte Huis toestemming om naar eigen inzicht geweld toe te passen tegen ‘landen, individuen en organisaties’ om zo ‘toekomstige terroristische aanvallen op de VS te voorkomen’. Deze autorisatie was niet aan tijd gebonden. De president van de Verenigde Staten – een ambt dat traditioneel is omgeven met stevige inperkingen als het gaat om het gebruik van geweld – kreeg soevereine macht om vijanden aan te wijzen en te bestrijden.

Van alle 435 Senatoren en leden van het Huis van Afgevaardigden stemde er één tegen het nieuwe geweldsmandaat. Barbara Lee, volksvertegenwoordiger uit Californië, vreesde voor een onbeheersbare en oncontroleerbare geweldspiraal als gevolg van deze carte blanche. Toen de steun van het Congres binnen was, verruimde de regering-Bush de interpretatie van haar bevoegdheden nog verder. Het ministerie van Justitie oordeelde dat de wet ook preventief kon worden toegepast, ongeacht of de doelwitten ‘direct verbonden kunnen worden aan de terroristische incidenten van 11 september’. Lee kreeg na haar tegenstem duizenden doodsbedreigingen en moest beveiligd worden, een eerste signaal dat voor sommigen de vijanden waar de VS naar op zoek moest ook binnen de politiek zaten.

Nu 9/11 haar twintigste verjaardag viert, de eerste zonder Amerikaanse soldaten die vechten in Afghanistan, voelt het alsof een tijdperk tot een einde komt. De uitbraak van de covid-pandemie in de winter van 2019 heeft 9/11 vervangen als de meest recente wereldomspannende gebeurtenis die alles anders maakte. Joe Biden kondigde in een van zijn toespraken waarin hij de terugtrekking uit Afghanistan verdedigde een nieuw begin aan door te zeggen dat ‘de tijd van landen opbouwen voorbij is’.

Tijdens Bush werd de niet-witte buitenwereld een gebied van vijandige primitieve beschavingen

Wie terugkeert naar de beginjaren van het tijdperk van de war on terror kan moeilijk ontsnappen aan de indruk dat de specifieke reactie op 9/11 eigenlijk maar kort duurde en al vrij snel plaats maakte voor een veel groter paradigma waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Het oprekken van de presidentiële geweldsautorisatie in de VS – die nog steeds van kracht is – illustreerde dat. Op de doelgerichte aanval op de VS door een specifieke terroristische organisatie volgde vrijwel direct een doctrine die voorschreef dat vijanden van de VS, en daarmee van hun bondgenoten, overal vandaan konden komen.

Op die manier begon na 11 september 2001, verweven met een oorlog tegen de radicale islam, een algeheel vijanddenken dat formeel naar buiten gericht was, maar westerse democratieën juist intern verteerde. Wraaklust, de behoefte aan een afrekening en de overtuiging dat wie anders denkt of er anders uitziet al gauw een existentiële bedreiging vormt, zijn sinds die catastrofale dag twintig jaar geleden maatschappelijke uitgangspunten geworden.

Hoe Amerika een land werd waar iedere tegenstelling wordt uitvergroot tot een conflict tussen vriend en vijand is een geschiedenis die wordt verteld in Reign of Terror: How the 9/11 Era Destabilized America and Led to Donald Trump. In dat boek laat journalist Spencer Ackerman zien hoe de strijd tegen een vaag gedefinieerd doel – ‘terreur’ – destructieve impulsen in Amerika zelf naar boven haalde. De niet-witte buitenwereld werd een gebied van vijandige primitieve beschavingen die, zoals Bush het formuleerde en menige conservatief het herhaalde, ‘onze vrijheden haten’. Wie binnen Amerika vanwege achternaam of aangezicht met die buitenwereld in verband kon worden gebracht, was bij voorbaat verdacht en liep het risico te worden opgeslokt door Amerika’s uitdijende veiligheids- en surveillance-apparaat.

Amerika’s kruistocht was zo allesomvattend dat er vrijwel geen weerstand tegen te bieden viel, althans niet in de politiek. Barack Obama voerde in 2008 campagne als een kandidaat die sceptisch stond tegenover de militaire interventies waar zijn Republikeinse voorganger mee was begonnen. Als president deed hij vervolgens weinig om die oorlogen te beëindigen. Obama’s grote doel was de strijd meer ‘humaan’ maken, zo laat historicus en rechtswetenschapper Samuel Moyn zien in Humane: How the United States Abandoned Peace and Reinvented War. Dat kwam neer op het verplaatsen van het zwaartepunt van ‘boots on the ground’ naar aanvallen die op afstand werden uitgevoerd met vliegtuigen en drones. De wens was de oorlog preciezer en daarmee op een of andere manier netter te maken, voor partijen aan beide kanten van het vizier.

Moyn, een bekend scepticus over de nobele doelen waarmee het Westen zijn buitenlandse interventies omkleedde, komt tot de conclusie dat Obama de oorlog tegen Amerika’s vijanden juist nog een niet weg te denken onderdeel van de samenleving maakte. Obama’s nadruk op een schonere strijd was ook voor het minder oorlogszuchtige deel der natie een legitimatie om een war on terror te blijven voeren. Hetzelfde gold voor de nadruk die Obama legde op uitgebreide analyses over hoe zijn oorlogshandelingen pasten in het internationaal recht. Legalistische precisie bleek geen rem, maar smeerolie voor de strijd.

Obama ontwierp ‘een veel grotere en meer omvattende vorm van oorlog dan noodzakelijk’

En Obama rekte de strijd nog verder op. In een document uit 2009, waarin hij de wettelijke kaders van de war on terror uiteen liet zetten, ‘werden nul grenzen in tijd en plaats gesteld’, concludeert Moyn. Het gevolg was dat Obama ‘een veel grotere en meer omvattende vorm van oorlog ontwierp dan noodzakelijk was’, schrijft hij. Obama’s opvolger wachtte bovendien een ongekend arsenaal – van wapens, juridische doctrines en gevoel van noodzaak in de Amerikaanse samenleving – waarmee de jacht op vijanden kon worden voortgezet. De overtuiging dat het toch wel Hillary Clinton zou worden was voor de Democraten een reden om geen verdere beperkingen op te leggen aan de presidentiële oorlogsmachine.

Maar het werd Donald Trump, ook een president die in woord oppositie voerde tegen buitenlandse oorlogen maar ze in de praktijk voortzette. Dit dubbelspel werd aangekondigd met de klacht die hij uitte als presidentskandidaat: ‘Wanneer is de laatste keer dat de VS iets wonnen?’ Trump die schande sprak over eindeloze oorlog, zou tegelijkertijd zorgen voor overwinningen. In Reign of Terror schrijft Spencer Ackerman dat Trump zichzelf op deze manier met succes als tegenstander van de war on terror wist te profileren ‘simpelweg door de status-quo te verketteren’.

Voorzover er bij Trump sprake was van een gemeende wens de militaire inzet te staken, bleef die achter op de drempel van het Witte Huis. ‘Radicaal islamitisch terrorisme moet van de aardbodem worden gevaagd’, sprak hij kort na zijn verkiezingsoverwinning in 2016. De eerste twee jaar van zijn presidentschap waren de meest intensieve periode van drone-aanvallen sinds 9/11. Het aantal burgerdoden in Afghanistan als gevolg van Amerikaanse aanvallen verdriedubbelde van 2017 tot 2020. In april 2017 greep Trump naar de zwaarste niet-nucleaire bom die de VS ooit gebruikt hadden. ‘De moeder aller bommen’ werd geworpen op een tunnelstelsel bij Jalalabad, Oost-Afghanistan, om IS-strijders om te brengen.

Trump breidde het strijdtoneel ook uit. Op voorspraak van hoge militairen die hij had benoemd – overwegend veteranen uit de beginfase van de war on terror – wees hij Jemen en Somalië aan als gebieden van ‘actieve vijandige dreiging’. Trumps besluit om de Iraanse generaal Qasem Soleimani om te brengen was een poging om ook Iran te betrekken in de forever wars. Die aanval werd verkocht de dezelfde dubbelspraak die Amerika al jaren hanteerde: dat de oorlogshandeling noodzakelijk was om nog meer geweld te voorkomen.

Op het gebied van de buitenlandse oorlogen verschilde Trump kortom niet veel van zijn voorgangers. De grote politieke innovatie van het trumpisme was het uitbuiten van de angst dat Amerika’s vijanden zich binnen de landsgrenzen bevonden. Het begon met zijn verkiezingsstrijd, voor een groot deel gestoeld op het verzinsel dat Obama een heimelijke moslim zou zijn en de boodschap dat Hillary Clinton moest worden opgesloten. Trump speelde direct in op wat Amerikanen al anderhalf decennium te horen hadden gekregen: dat ze waakzaam moesten zijn voor infiltratie, de vliegtuigkapers van 9/11 waren immers ook ongezien binnengekomen. Obama belichaamde het ene vijandsbeeld van conservatief Amerika – niet voor niets legde Trump nadruk op Obama’s tweede naam, Hussein. Hillary Clinton stond symbool voor die andere tegenstander, de liberals die te weinig patriottistisch zijn, migranten toelaten, Amerikanen met een islamitische achtergrond in hun gelederen herbergen en zo uiteindelijk Amerika overleveren aan zijn vijanden.

Trump buitte de angst uit dat Amerika’s vijanden zich binnen de landsgrenzen bevonden

Voor de ‘Make America Great Again’-beweging liep er een directe lijn van de 9/11-aanvallen naar de noodzaak om Trump het Witte Huis in te krijgen. In september 2016, midden in de verkiezingsstrijd, verscheen in het rechtse tijdschrift Claremont Review of Books een veel besproken essay onder pseudoniem dat het denken van veel Trump-stemmers samenvatte. Het stuk waarschuwde tegen het ‘eindeloos importeren van buitenlanders uit de Derde Wereld’ die ‘geen gevoel voor of ervaring met vrijheid hebben’.

De auteur, later onthuld als Michael Anton, een conservatieve denker en private equity-investeerder, bestempelde de race tussen Clinton en Trump als ‘de vlucht-93-verkiezingen’. Het was een verwijzing naar het toestel waarmee de al-Qaeda-kapers het Witte Huis wilden verwoesten, iets wat werd voorkomen doordat passagiers de terroristen overmanden waarna het vliegtuig fataal neerstortte in een veld in Pennsylvania. Amerikaanse kiezers hadden dezelfde keuze als de inzittenden van vlucht 93, meende Anton: ‘Bestorm de cockpit of sterf.’ Hij werd later veiligheidsadviseur van de regering-Trump.

Toen hij eenmaal president was, bleek dat het aanwakkeren van het vijandbeeld een uitgekiende strategie was om kiezers bij de les te houden. Vier jaar lang presenteerde Trump zichzelf als een leider die Amerika niet alleen behoedde voor buitenlands gevaar maar die ook vocht tegen een ‘deep state’ die hem het werk onmogelijk probeerde te maken. Het was Trumps grote toevoeging aan het lijstje vijanden-zonder-gezicht die Amerika bedreigen. Haar draconische immigratiebeleid verdedigde de regering-Trump met de noodzaak om ‘terroristen’ buiten de deur te houden. De bouw van een grensmuur was nodig om dezelfde reden: onder de groepen migranten die vanuit Latijns-Amerika naar de VS probeerden te komen bevonden zich ‘Midden-Oosteners’, aldus Trump.

Oppositie, maatschappelijke tegenbewegingen en Republikeinen die onvoldoende klapten voor Trumps maga-retoriek werden ook direct als vijand aangemerkt. De Black Lives Matter-beweging was volgens de Trump-coterie een ‘terroristische organisatie’. De oproerpolitie die werd ingezet tegen demonstraties na de politiemoord op George Floyd was uitgerust met legermaterieel: wapens die overtollig waren voor de buitenlandse war on terror, ingezet tegen eigen burgers, een zoveelste voorbeeld van hoe die oorlog naar binnen vloog. Toen de demonstranten voor het Witte Huis stonden, school Trump in de presidentiële bunker, voor het laatst gebruikt op 11 september 2001 door toenmalig vice-president Cheney.

Al deze draden vormen de verbintenis die auteurs als Spencer Ackerman leggen tussen de aanval op de Twin Towers en de opkomst van Donald Trump. Iedere tegenstelling in de Amerikaanse samenleving werd door Trump en de zijnen teruggevoerd op de overtuiging die na 9/11 postvatte: dat Amerika wordt bedreigd door terroristen en dat de president er is om ze aan te wijzen en te bestrijden. Dat gevoel werd jarenlang levend gehouden door vrijwel het gehele politieke spectrum in de VS, uiteindelijk was het de verre rechtervleugel die er een succesvolle politieke beweging op baseerde.

Wie strijdt tegen een eeuwige vijand kan nooit winnen. Stopte Biden daarom in Afghanistan?

Die vrees voor de interne vijand, aanvankelijk in de gedaante van de moslim, al gauw uitgebreid tot vermeende handlangers in de vorm van ‘links’ en ‘de elites’, kreeg net zo goed grip op andere democratieën. In Nederland zou Pim Fortuyn waarschijnlijk een zelfbenoemde visionair van beperkte betekenis zijn gebleven als een deel van zijn boodschap – de islam als een ‘achterlijke cultuur’ die buiten de deur gehouden moet worden – niet dankzij 9/11 een vruchtbare bodem had gevonden.

De politici die de rechts-populistische mantel overnamen maakten gebruik van dezelfde ontvankelijkheid. Geert Wilders, die zich opwerpt als een strijder van onze eigen interne forever war, bestaat enkel bij de gratie van het kunnen wijzen naar niet-westerse buitenlanders en andere politieke partijen die islam, migratie en multiculturaliteit gedogen. De volgende generatie uiterst rechts klom naar boven op basis van dezelfde agenda: het Westen wordt bedreigd, door buitenlanders van kleur, en van binnen door elites die de grenzen te weinig gesloten houden. Het is geen toeval dat de kopstukken van Forum voor Democratie, de partij die constant spreekt over ‘vijanden’, vooral mannen van onder de veertig zijn. Het is de generatie die is gevormd post-9/11 waarin rechts het vijanddenken als politieke strategie steeds meer verfijnde.

Het vernuft en tegelijk de tragiek van het vijanddenken waaraan Amerika, en in haar kielzog andere democratieën, zich na 11 september 2001 overgaf is dat er geen definitief einde bestaat. De vijand is ‘terreur’, een amorf verschijnsel waarvan overal nieuwe kiemen kunnen worden ontwaard en dat permanente waakzaamheid vereist. Rechts Amerika heeft bovendien geen baat bij het einde van het vijanddenken omdat de strijd tegen binnenlandse dreigingen – ingebeeld of niet – nodig is om de achterban te motiveren. De invulling van terreur blijft daarom ook trouw aan het schema zoals dat twintig jaar geleden is bedacht: de terrorist heeft een andere kleur en een ander geloof dan wit, christelijk Amerika. De bestorming van het Capitool, de meest serieuze aanval op de Amerikaanse staat sinds 9/11 en deze keer wel degelijk een inside job, valt daarmee vanzelf buiten dat kader.

Voor de rest van Amerika is de situatie even uitzichtloos. Joe Biden blies de aftocht in een oorlog waarin, in de woorden van Spencer Ackerman, ‘vrede noch overwinning’ mogelijk is. De oorlog tegen terreur, als gevolg van de oneindigheid in tijd en het oneindige aantal doelwitten dat eraan verbonden wordt, ‘kent enkel de voortzetting van geweld’. Dat Amerika uiteindelijk een nederlaag leed in Afghanistan is daar het gevolg van. Militaire analisten verklaarden het verschil tussen de VS en de Taliban vanuit een zogeheten ‘theory of victory’. De Taliban hadden een omschreven doel – Amerikanen en hun bondgenoten weg uit Afghanistan – plus het geduld om dat te verwezenlijken.

Aan Amerikaanse zijde ontbrak de inkadering. Wie strijdt tegen een eeuwige vijand kan nooit winnen. Wellicht is dat wat Biden dreef tot het inzicht dat stoppen zonder verlies te nemen onmogelijk was en tot het besef dat iemand dat verlies moest nemen. Enkel door de war on terror in retrospectief te versmallen – ‘het ging om al-Qaeda verslaan’ – probeert Biden er ook voor zijn kant nog iets van een succes van te maken.

Of Biden met de terugtrekking uit Afghanistan, daags voor twintig jaar 9/11, daarmee ook de zuigende kracht van Amerika’s eindeloze oorlogen kan ontlopen valt te bezien. In het Congres in Washington geeft Barbara Lee, twintig jaar geleden de enige die voorzag dat de war on terror eindeloos zou duren, momenteel leiding aan een moeizame poging de geweldsautorisaties die het Witte Huis de afgelopen decennia verworven heeft weer in te trekken. De kans op een politieke meerderheid hiervoor is klein. De missie in Afghanistan mag dan zijn opgedoekt, de airstrikes gaan door, afgelopen zomer tegen militanten van Al-Shabaab in Somalië, na de aanslag op het vliegveld in Kabul tegen isis-k in Afghanistan. Bidens regering is gevuld met veel van dezelfde adviseurs die Obama dienden. ‘We moeten onze focus op counterterrorisme behouden’, schreef Biden in een artikel in het tijdschrift Foreign Affairs, waarin hij zijn kijk op de internationale politiek uit de doeken deed.

Nog veel lastiger is een ontsnapping aan het interne vijanddenken dat de VS in de greep houdt. ‘Patriot’, een woord dat twintig jaar geleden opnieuw in zwang raakte, blijft onderdeel van de manier waarop Trump spreekt tegen zijn achterban, waarvan een groot deel de Biden-regering ziet als een illegitieme bezetting van het Witte Huis. De suggestie is duidelijk: wie geen patriot is, bevindt zich eigenlijk in het kamp van de vijanden van Amerika. Of Trump nu terugkeert, of dat een andere maga-Republikein het stokje overneemt, en of Biden dan wel een andere Democraat de volgende presidentstermijn zal dienen – het post-9/11-tijdperk lijkt voorlopig nog voort te duren.