Jeffrey Eugenides, Middlesex

Ovidius in Berlijn

De nieuwe roman van Jeffrey Eugenides, ‹Middlesex›, is een veelzijdige metamorfose, schatplichtig aan de oude Griekse verteltradities die symboliek en transformatie hoger schatten dan «de strenge regels van het realisme».

In Jeffrey Eugenides’ debuut The Virgin Suicides (1993) slaat «moira» (Grieks voor noodlot) al toe in Suburbia USA anno 1973. Deze naar mythologie neigende roman wil twintig jaar na dato de zelfdestructie reconstrueren van de vijf meisjes Lisbon, die door een rigide, religieuze opvoeding kort werden gehouden. De wij-vertellers zijn buurtjongens die zich min of meer betrokken voelen bij de neergang van de meisjes. Zij zien de Lisbon-dochters als «onze tweeling» en herkennen hun dierlijke gevoel van opgeslotenheid. Ze leven immers in dezelfde eenvormige buitenwijk. Ze vergelijken de suïcidale meisjes met struisvogels en lemmingen. De vertellers en de meisjes zijn als Aeneas die, terugkerend uit de onderwereld, de doden blijft bewenen. Hoe te ontsnappen aan de gevangenis die opvoeding heet of aan kamp Suburbia? Vluchten in welhaast dierlijke seks, de koffers pakken, het mes in de polsen zetten of de gaskraan opendraaien? De dood als ultieme metamorfose, het leven als noodlottige «holocaust ride» terwijl iedereen zo verlangt naar maagdelijkheid, een blanco bladzijde of een schone lei. Opnieuw beginnen met een eigen vrije wil, is dat mogelijk?

Het is die vraag die Jeffrey Eugenides stilzwijgend stelt op elke bladzijde van zijn tweede roman van homerische allure: Middlesex. En ook deze keer trekt de verteller de meeste aandacht. Dankzij hem, die eens «haar» was, krijgt de regelmatig aangesproken en toegesproken lezer een epische achterafvertelling opgedist die de halve wereld en bijna een hele eeuw omvat: van het Griekse Smyrna in 1922 naar het bruisende Berlijn van 2001, met als tussentijdse stopplaatsen Detroit en San Francisco. Middlesex is het verhaal vol metamorfosen in de Grieks-Amerikaanse familie Stefanides, immigranten die een heimelijke historie van incest meesmokkelen. De verteller, de 41-jarige Cal Stefanides, is als cultureel attaché verbonden aan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en werkt in het Berlijnse Ame ri ka haus. Hij heeft veel weg van Tiresias in Ovidius’ Metamorphosen. Tiresias kent zowel de vrouwelijke als de mannelijke liefde. Deze blinde visionair wisselde namelijk tot twee keer toe van geslacht. De eerste keer veranderde hij van een man in een vrouw toen hij twee parende slangen tussen het gebladerte hard met een stok porde. Acht jaar later herhaalt zij die handeling bij dezelfde slangen en wordt weer man.

Ook Cal Stefanides is eens een meisje geweest. Door een reeks incestueuze relaties binnen de familie, vanaf 1750, is binnen opeenvolgende generaties de genenhuishouding in ongerede geraakt. Om Ovidius te parafraseren: een genmetamorfose. In medische termen: een gemuteerd gen dat zich op het vijfde chromosoom bevindt. Met andere woorden: soms wordt er iemand binnen de Stefanides-clan geboren die zowel man als vrouw is, alsof het lichaam niet kan kiezen. Als broer en zus Stefanides met elkaar trouwen en kinderen krijgen, wagen ze willens en wetens een gokje met hun genen.

Cal Stefanides wordt in 1960 geboren als Calliope Helen Stefanides en komt als veertienjarige puber op hardhandige wijze tot de ontdekking dat zij eigenlijk een jongen is: haar clitoris is in wezen een veel grotere maar half tussen schaamlippen verzonken «krokus», zoals de verteller het zo bloemrijk verwoordt.

In het kosmopolitische Berlijn van 2001 vertelt Cal Stefanides — een meester in het verdwijnen als een relatie vaste vormen dreigt aan te nemen — zijn nieuwe vriendin Julie Kikuchi zijn geheim. Zo begint hij zijn vrouwelijk meanderende vertelling: «Ik ben twee keer geboren: de eerste keer als meisje op een voor Detroit merkwaardig smogloze dag in januari 1960; en daarna nog eens als jongen van veertien in een eerstehulpspreekkamer in de buurt van Petoskey, Michigan in augustus 1974.» Noem hem een apolitieke, niet-androgyne pseudohermafrodiet (Hermes en Afrodite die vervloeien) met een obsessie voor familiebanden. «Waarom bestudeert een mens zijn geschiedenis? Om het heden te begrijpen of om het te vermijden?»

De verteller begint al ver voor haar/zijn geboorte. Hij is immers net zo’n visionair als Tiresias. Beiden koesteren «het sluimerende talent (…) de wereld te bekijken met de stereo copische blik van twee geslachten in plaats van met de astereocopische van maar één van beide geslachten». De verteller weet wat iedereen voelt en denkt. Zonder aarzeling kruipt hij in de huid van al zijn familieleden, met name grootmoeder Desdemona — kenster van de voor disharmonie overgevoelige zijderups — en grootvader Lefty, broer en zus die op het nippertje in 1922 aan de naar Smyrna oprukkende Turken ontsnappen, via Athene naar Amerika emigreren en zich al op de boot tussen de Oude en de Nieuwe Wereld ontpoppen als een getrouwd stelletje. Er ontspint zich een onontkoombare genetische geschiedenis: «Ik ben de laatste bijzin in een enorm ingewikkelde zin en het begin van die zin ligt in een ver verleden, in een andere taal, en je moet hem vanaf het begin lezen om bij het eind te komen, en dat eind is mijn geboorte.» Jeffrey Eugenides schrijft die «laatste bijzin» in een mooie kronkelvertelling vol onverwachte wendingen en een paar onvervalste deus ex machina’s. Want waar is de familie Stefanides heel erg goed in? In subtiele verdwijn- en verschijnspelletjes om wraak en materieel gewin.

Middlesex begint magistraal. De helderziende verteller laat zijn epische talent de vrije teugel en neemt de lezer mee naar Turkije, naar het Klein-Azië dat in 1919 een Griekse invasie te verwerken krijgt. Subtiel vermengt Calliope, muze van de epische dichtkunst, het sluipende Griekse familiedrama met de grote Grieks-Turkse strubbelingen, de «Byzantijnse vechtpartij». Griekenland verovert West-Turkije alsof het land Troje weer terug wil hebben en Helena andermaal uit de hebberige handen van Paris wil trekken. Maar die nostalgie naar het heroïsche verleden komt de Grieken duur te staan. Mustafa Kemal weet de Turken te inspireren. Het Turkse leger dreigt in 1922 honderdduizenden Grieken de Middellandse Zee in te drijven. Het laatste Griekse bastion Smyrna wordt de vuurdood voor tienduizenden «Ottomaanse christenen», maar voor Desdemona en Lefty vormt het latere Izmir de springplank naar Amerika. Broer en zus worden man en vrouw. Tijdens hun medische test op Ellis Island wordt het gemuteerde gen (onzichtbare smokkelwaar!) natuurlijk niet ontdekt.

Middlesex is veel méér dan alleen een roman waarin de genetica als dobbelspel fungeert. Laten we het boek een veelzijdige metamorfose noemen waarin de geslachtelijke verwarring van Calliope/Cal een motief is in een baaierd van gedaanteveranderingen die de wereld opnieuw schept. Het is een veel bredere vertelling, die schatplichtig is aan de oude Griekse verteltradities die symboliek en transformatie hoger schatten dan «de strenge regels van het realisme» waarmee verteller Cal lustig speelt. Het vertel realisme omschrijft de visionaire verteller als blindheid. Het «satyrisch» gezicht van Calliope en haar geschipper tussen het apollinische en het dionysische vertekent ook de vertelling.

Middlesex wil ook een immigrantenroman zijn. De Griekse omarming van de Nieuwe Wereld gaat niet van harte en levert gemengde gevoelens op. Desdemona verzet zich heel lang tegen de drang tot assimilatie. Ze koestert nog jaren haar Turkse geboortedorp, haar lichaam heeft een olifantengeheugen. Toch trekt Detroit haar en haar gezin langzaam maar zeker het moderne Amerika in. De geschiedenis van Detroit, van Motown, wordt die van Amerika: van de lopende band van Henry Ford tot de Nation of Islam en rassenrellen in 1967 als Detroit half «destroyed» wordt en de Nationale Garde met tanks oprukt. Die scènes — met de verteller op haar fietsje achter de tank aan — vormen een van de hoogtepunten van Middlesex. De verteller cultiveert een kritische, welhaast meedogenloze blik; de lezer volgt de familie Stefanides vanaf de Droogleggings periode en dranksmokkelaffaires in de jaren twintig, via de economische crisis en de Tweede Wereldoorlog tot ver in de Koude Oorlog en de stedelijke onrust in de jaren zestig en zeventig. De conjunctuur binnen het gezin is die van het land. Aanvankelijk heeft grootvader Lefty louter een clandestien drankhol in het souterrain, later heeft zoon Milton een keten van Hercules-hotdogs-eettentjes van Michigan tot Florida.

Middlesex haakt ook in op de «on the road»-traditie binnen de Amerikaanse literatuur. Go west, young man! — zo luidt het hoofdstuk dat een wat mindere episode in Eugenides’ roman inluidt: Calliope weigert zich te laten opereren, waardoor ze van haar erotische gevoelens zou worden beroofd, en slaat op de vlucht. Ze vlucht en bereikt al liftend het Sodom van Amerika: San Francisco, voor anderen de hemel van homo’s, transseksuelen en hermafrodieten. Dit gedeelte leverde mij een déjà-lu-gevoel op.

Toch overtuigt Middlesex, omdat Jeffrey Eugenides een symbiose weet te bereiken tussen de klassieke verteltraditie van Grieken en Romeinen en de Amerikaanse Grote-Greepverhalen van John Dos Passos, Richard Powers en Don DeLillo. Hij mag zijn roman een lyrisch epos noemen. Bovendien weet Eugenides, in navolging van Donna Tarts The Secret History, subtiel te schipperen tussen het apollinische en dionysische levensgevoel. Zijn verteller is geen maagd, macho of monster; hij, die Middlesex in 2001 in Berlijn aan een toekomstige geliefde vertelt, is een nieuwe literaire stem die de oude naar metamorfose neigende stemmen van Homeros en Ovidius eert.

Jeffrey Eugenides

Middlesex

Vertaald door Mieke Lindenburg, uitg. Contact, 632 blz., € 24,50