Ozon interlease bv

De kleine gemeente waar ik woon, komt nogal eens in het nieuws door pseudorampen en malligheid. Ontploffende vuurwerkfabrieken, een vervuilend kabelbranderijtje, een massale vlucht voor het water (dat niet kwam), en nu weer loslopende schapen op de openbare weg. Wat met het hele repertoire van de moderne verkeersacademie niet gelukt is - rotondes, pannekoeken, zuiltjes en trechtertjes - moeten deze wollige viervoeters nu voor elkaar krijgen: een afremming van de gemotoriseerde homo betuwus.

Het zal niet lukken, dat weet ik zeker. De androide, herkenbaar aan zijn gele Opel Manta met spoiler en potente noiseboxjes, zal hier slechts een nieuwe uitnodiging tot behendig slalommen in zien; na kinderen en fietsers eindelijk eens een ander moving target. De gemeentelijke verkeerstechneut heeft aan ‘insprekende’ burgers eens zijn werkfilosofie uitgelegd: het gaat om het creeren van maximale verwarring in het verkeer. Toen een burger suggereerde dat je dan beter ieder kruispunt in een vijf meter diepe kuil kunt herscheppen, keek hij even nadenkend en vervolgens dankbaar rond.
De voetganger is the nigger of the road. De morele superioriteit van deze traagste verkeersdeelnemer wordt bij voorkeur met wielen getreden. Ook van de stoep, zijn laatste toevluchtsoord, is hij allang verdreven door het glanzende blik. Michael Hartmann, voetganger te Munchen, vecht al jaren een verbeten emancipatiestrijd. Hij loopt gewoon over op de stoep geparkeerde auto’s heen. Van boetes en veroordelingen trekt hij zich niets aan en ook een verplichte opname in een psychiatrische kliniek heeft hem niet verhinderd zijn actierepertoire in brede kring te populariseren. Bij Hartmann kan men tegenwoordig cursussen autolopen en straatwandelen volgen. En terwijl deze heldhaftige voorvechter gevangenisstraffen en gekkenhuizen trotseert, scheurt de homo betuwus met een kwijlende grjns tussen mekkerende schapen door. Inderdaad, gek is een betrekkelijk begrip.
Dat geldt evenzeer voor het woord 'milieu’. Vorige maand haalde Lucas Reijnders, het geweten van groen Nederland, weer eens vernietigend uit naar het milieubeleid van het paarse kabinet. Maar van deze kritiek ligt tegenwoordig geen mens meer wakker en al helemaal geen paarse minister. Reijnders’ tirades zijn even ritueel als die van een willekeu rige vakbondsvoorzitter die weer eens 'woedend’ is wegens bezuinigingen zus en arbeidsvoorwaarden zo. Er valt trouwens ook geen peil meer op te trekken hoe het nu eigenlijk gaat met ons milieu. In het blad van de Vereniging Milieudefensie las ik bijvoorbeeld dat het met het Nederlandse bos best goed gaat. Tien jaar geleden was nog zo'n tachtig procent van de bomen op sterven na dood, maar nu blijkt opeens dat 'onderzoekers’ eigenlijk helemaal niet weten hoe je de gezondheid van een boom vaststelt. De zorgelijk om zich heen kijkende wandelaar heeft er in ieder geval geen verstand van, zoveel staat wel vast. Biologen vergisten zich onlangs in de berekening van de haringstand en meteorologen weten niet of het 'IJslandlaag’ - een hardnekkig lagedrukgebied boven IJsland dat verantwoordelijk is voor onze warme zomers - iets te maken heeft met de vervuiling. En in het uiterst wetenschappelijke Tijdschrift voor Milieukunde bogen onlangs twee economen zich over de veel bediscussieerde relatie tussen milieu en economische groei. Na imponerende schema’s en veel omhaal van woorden concludeerde het tweetal dat het 'in zijn algemeenheid heel moeilijk is om een ondubbelzinnige conclusie te trekken over verzoenbaarheid van milieubehoud en groeistreven’. Wetenschappers, ach ik bedoel maar.
Terwijl het tegenwoordig steeds moeilijker wordt om iets over het milieu te zeggen, laten de deskundologen zich steeds makkelijker onder een noemer vangen: ook het milieu is in handen van de marktprofeten gevallen. Een mooi voorbeeld daarvan is de vorig jaar benoemde VU-hogleraar H. Verbruggen, die in zijn oratie pleitte voor 'een verdeling van de mondiale gebruiksruimte’. In een wereld waar nationalisme en protectionisme als een nieuwe pest de kop opsteken, pleit deze hoogleraar voor internationale afspraken over de eigendomsrechten van milieugoederen. Dit opgewekte utopisme wordt uiteraard gekruid met een flinke scheut modern marktdenken: wij kunnen nog veel leren van 'de creativiteit van internationaal zakelijke en financiele markten met hun concessies, leasecontracten, franchising, futures, opties en andere derivaten’.
'Wat heb je daar in dat doosje?’ 'Ah, dit? Dit is een stukje van de ozonlaag. Heb ik geleast bij Interlease BV in Soest.’ 'O ja? Goh, leuk zeg! Wil ik ook! Ruilen voor mijn future biodiversity?’ 'Okee, ik doe er honderd CO2-emissierechten bij!’
Over weinig onderwerpen is in de afgelopen jaren zoveel mist en spraakverwarring gecreeerd als over het milieu. Dat is in 1987 begonnen met Brundtlandcommissie die de term 'duurzame ontwikkeling’ introduceerde, in feite een geseculariseerde versie van het domineesbegrip 'rentmeesterschap’, zij het nu gespeend van de Goddelijke Wrake die op de verwoesting van Zijn Schepping stond. Verbruggen noemt duurzame ontwikkelng 'een melioratief begrip’: 'het geeft een richting aan, zonder dat het concreet handelen voorschrijft’. Dank zij deze maximale flexibiliteit kan Verbruggen als voorwaarde aan een duurzame ontwikkeling stellen dat onze welvaart in stand moet blijven. 'Het gaat om maatschappelijke beweging, niet om teruggang’, aldus deze hoogleraar. En hij besluit: 'duurzame ontwikkeling moet een soort “meta-groei” worden’.
Dank zij deze verbale gymnastiek kan tegenwoordig iedere politicus met 'het milieu’ uit de voeten. Dit, gevoegd bij het zwaktebod van milieu-economen en andere deskundologen, heeft het milieuvraagstuk als een van onze urgentste maatschappelijke problemen volledig ontpolitiseerd en overgeleverd aan de nieuwe dogma’s van de markt. Zouden die Culemborgse schapen soms ook geleast zijn?