P.C. Hooftprijs 2011 voor H.J.A. Hofland

‘Mijn leven is voor een groot deel het leven met de krant, een vergroeiing. Daarbij heb ik het geluk dat ik in 1953 met deze broodwinning ben begonnen, een jaar waarin de wereld eenvoudig in elkaar zat en alles en iedereen de indruk wekte dat het eeuwig zo zou blijven. Nederland was de sluitsteen van een voor altijd gevestigde orde. De krant van gisteren leek op de krant van morgen.’

Medium 133 12

Zo begon H.J.A. Hofland zijn serie gastcolleges aan de Erasmus universiteit, halverwege 1989, toen de Muur nog stond. De colleges zijn opgenomen in Op zoek naar de pool (2002), een bundeling met de ondertitel Het beste van H.J.A. Hofland - een flinke pil. Het zal binnenkort hopelijk in herdruk verschijnen, nu bekend is gemaakt dat hij in 2011 voor zijn gehele oeuvre de P.C. Hooftprijs voor essayistiek zal krijgen. Zo'n boek als Op zoek naar de pool maakt het er voor degenen die de komende dagen een profiel van de laureaat in spe willen schrijven er niet makkelijker op. Dat profiel is namelijk al geschreven, en beter, door Hofland zelf.

Zo simpel als het wereldbeeld in 1953 ogenschijnlijk was, zo complex is het in 2010. In de tussenliggende zes decennia observeerde, registreerde en chroniqueerde Hofland in duizenden columns, essays, commentaren en romans de verschuivende mentaliteit in Nederland, van de val van de linkse denker (begin jaren zestig al, in ‘Opmerkingen over de chaos’) tot het dagelijkse trommelvuur van rancune op nujij.nl. Wie de stukjes leest ziet tussen de regels het gezicht van de schrijver doorschijnen, niet alleen in ironie en taal, maar hij ziet de intellectueel in actie. Denkend, twijfelend, verwonderd.

Daarin schuilt ook het grootste verschil met die twee andere grote schrijvers van bouwjaar 1927, de dit jaar overleden Jan Blokker en Harry Mulisch: in het golfslagbad der geschiedenis is Hofland eerder badmeester dan drijfhout. Iemand die een stap achteruit doet, niet mee schreeuwt, maar stilletjes de grote lijnen probeert te overzien. En hoewel De Grote Geschiedenis zijn primaire onderwerp is sinds hij zag hoe zijn geboortestad in mei 1940 kapot werd gebombardeerd, schetst hij die grote lijnen in fijne, scherpe miniportretjes. Niet alleen van de poppetjes op het bordes en het journaal, maar ook van de anonieme kiezer, burger, tramreiziger die zijn stempel drukt op hoe we denken en leven, het gewoel van de massa: ‘Oorlogen worden begrensd door jaartallen. De burgeroorlog die zich sinds ongeveer 1900 in de industriële wereld heeft uitgebreid, is niet duidelijk gemarkeerd. Hij vindt zijn oorsprong in een sluipende verleiding.’

Een ‘solitaire flaneur’, wordt hij treffend in het juryrapport van de P.C. Hooftprijs genoemd, die hem ook roemt voor zijn soms romantische overpeinzingen van het en passante leven onder het pseudoniem S. Montag. Met die gespleten persoonlijkheid van Hofland en Montag verenigt hij het grote en het kleine leven, tot volstrekt uniek proza. Het klinkt misschien een beetje gek om over een 83-jarige te zeggen, maar we zijn heel trots op hem.

Klik hier voor de columns van H.J.A. Hofland uit De Groene Amsterdammer.