Paal

Ze hielden hun adem in. Stuk voor stuk. Ik genoot. Weer zat ik zo'n aardig verhaal te vertellen. Ik luisterde zelf heimelijk mee. Heldere stem, met een lichte voile van constructieve twijfel erboven zwevend.

Ze zagen het voor zich.
‘Ik heb het natuurlijk niet van mijzelf.’
'Nee’, zuchtten ze vol begrip. 'Van iemand anders.’
'Ja’, knikten hun ogen.
Van een Schot. In de oorlog had hij bij de RAF gezeten en niet zo lang geleden zijn tweede vrouw verloren. Hij had Duitsland nog bebombardeerd. Wat ik te vertellen had, stond daarom als een paal boven water.
Tussen twee lange woorden in liet ik mijn blik een moment aan zichzelf over. Verliet het uitzicht op al die stuk voor stuk weetgierig glimmende ogen en mondhoeken om mij heen.
Ik keek tussen twee tafelgenoten door naar de wand recht tegenover mij.
Daar stond een varken, een niet-echt net echt varken. Een van de aanwezigen had er zijn verlangen al naar uitgesproken. Maar omdat hij op de vouwfiets was, zag hij er vanaf een bod erop te doen. Ik had ook wel zin in dat nepvarken.
Ontegenzeggelijk. Dat was het tweede lange woord. Volgende voltreffer. 'Ik begrijp het zelf ook niet helemaal.’
Heel fijntjes, dat 'helemaal’.
Hier en daar ging een wenkbrauw omhoog. Daar begrepen ze helemaal niets van, dat ik het ook niet begreep.
Hij reisde in zijn eentje Europa rond, die oude Schot. In Italië had hij het meegemaakt. Gezien en ondervonden. Op een kookcursus.
Je wist nu ook meteen dat Italiaanse kookcursussen beter waren dan Nederlandse kookcursussen. Daar vertelden ze je zulke dingen niet. Omdat ze het niet wisten.
Je hebt bouillon. Maar die bouillon is niet helder. En dat wil je niet. Je wilt heldere bouillon. In de bouillon leg je daarom een tomaat. Een rode tomaat, met schil en al. En als je die tomaat er later weer uithaalt, is de bouillon helder. Zo helder als heldere bouillon.
Bovendien, wie zegt dat ze dat varken kwijt wilden.