Paap & melodie

Mens en Melodie bestaat deze maand vijftig jaar. Wouter Paap (1908- 1981) runde vrijwel in zijn eentje jarenlang het blad, dat dan ook de bijnaam Paap en Melodie kreeg. Was het blad echt zo oubollig en eenzijdig?
BLIJKBAAR HAD hij besloten zijn aanstaande geen rad voor ogen te draaien. Dat zij met een workaholic getrouwd was, bemerkte de kersverse mevrouw Paap onmiddellijk op haar huwelijksreis naar Oostenrijk, die haar man grotendeels benutte om research voor zijn biografie over Anton Bruckner te doen.

‘Musicograaf’ zo noemde Wouter Paap zichzelf en dat leidde (nog afgezien van zijn vele 'causerieen’ voor radio en tv) tot een vijftiental boeken, recensies voor verscheidene kranten en dertig jaargangen (360 nummers) Mens en Melodie, die hij voor een niet onaanzienlijk deel zelf vulde. Het gebeurde regelmatig dat Wouter Paap met drie bloknotes op zijn schoot naar een concert zat te luisteren. Als enig aanwezige recensent had hij dan verschillende kranten een stukje beloofd: drie versies van dezelfde mening, die hij na afloop onder het genot van een glas wijn op papier zette.
Samen met Hans Triebels en de etnomusicoloog Jaap Kunst richtte Wouter Paap direct na de oorlog in 1946 het muziektijdschrift Mens en Melodie op. Aangezien Triebels het na een jaar al voor gezien hield en Kunst door andere bezigheden in beslag werd genomen, was het blad eigenlijk van het begin af aan een eenmansbedrijfje. Niet alleen deed Paap de redactie en vormgeving, hij leverde zelf ook de meeste kopij. Om enigszins de schijn op te houden, riep hij een pseudoniem in het leven: Gerard Werker.
Zo werd Werker nog wel eens ingezet als Paap zelf (bijvoorbeeld als jurylid) bij het onderwerp betrokken was. Het gold echter als een publiek geheim wie achter de naam Werker schuil ging. Miep Zijlstra, die gedurende de laatste tien jaar van Paaps hoofdredacteurschap veel voor Mens en Melodie schreef, herinnert zich hoe Bernet Kempers er als een van de weinigen intrapte: 'Hij vroeg aan Paap of hij Werker eens kon ontmoeten. Natuurlijk, zei deze. Kom dan en dan maar bij mij thuis, dan stel ik jullie aan elkaar voor. Op het afgesproken tijdstip zwaait Paap de deur open: Aangenaam, Gerard Werker.’ Een grap die typerend was voor Paap, aldus Miep Zijlstra, maar die de serieuze Kempers maar slecht kon waarderen.
Het pseudoniem Arend Schelp dat zijn vrouw had verzonnen (afgeleid van oorschelp), was minder bekend. Schelp werd ingezet als het echt te gortig werd. Neem het juninummer uit 1970: Wouter Paap schrijft een commentaar onder de titel 'Componeren voor de kost’, een reportage over 'Cultureel Centrum De Lindenberg te Nijmegen’ en een portret van de componist Wolfgang Wijdeveld. Ondertussen bezoekt Gerard Werker de elektronische studio’s van Steim en het zogenaamde Faso-festival, terwijl Arend Schelp een uitgebreide verhandeling over Janaceks operaMijnheer Broucek schrijft.
Geen wonder dat het blad wel gekscherend Paap en Melodie werd genoemd.
DAT PAAP KOPIJ per strekkende meter produceerde is nauwelijks overdreven uitgedrukt, maar wat schreef hij eigenlijk? Paap volgde het muziekleven op de voet en in al zijn facetten. Toch kon hij moeilijk van nieuwlichterij worden beticht. Hoewel hij tot aan het eind van zijn loopbaan over de nieuwste ontwikkelingen bleef schrijven, was hij zelf een romanticus in hart en nieren. Bruckner was zijn favoriet. Van zijn eigentijdse collega’s droeg hij Willem Pijper, Sem Dresden en Hendrik Andriessen op handen; en een stapje in de tijd terug Diepenbrock, Sweelinck en Wagenaar. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in de langlopende serie 'Nederlandse componisten van onze tijd’ onbekende grootheden als Henri Zagwijn, Hans Osieck, Herman Strategier, Koos van der Griend, Saar Bessem, Willem van Otterloo, Jan Mul en Hugo Godron uitvoerig werden behandeld.
Aanvankelijk meent Paap dat Schonberg en zijn dodecafonie als een waan van de dag kan worden beschouwd. Op de paternalistische toon die vooral in de jaren vijftig karakteristiek voor hem is, wijst hij de atonale muziek af. Zo verslaat hij in 1956 de Gaudeamus Muziekweek in Bilthoven met de volgende observaties: 'Otto Ketting lijkt mij geen blijvertje voor de atonale school. Hij is op de goede weg. Op het stoppelveld van het Strijkkwartet van Peter Schat ontwaarde ik enkele sprietjes groen, die mij hoop voor zijn toekomst gaven. Voor Jan van Vlijmen ligt het uitzicht in enige maten uit de slotepisode van zijn Strijkkwartet.’
Wouter Paap - en velen van zijn leeftijdgenoten met hem - heeft een sterk ethische opvatting van muziek die rechtstreeks verband houdt met de oorlog. In het eerste nummer van Mens en Melodie schrijft hij over de rol die muziek in die jaren speelde: 'Zij was ons behulpzaam om de bittere tijden te trotseren en vlagen van moedeloosheid het hoofd te bieden. Zij heeft ertoe bijgedragen, om de vastheid en continuiteit van het innerlijke leven in stand te houden.’ Vandaar zijn aversie tegen het 'zuivere klankenspel’ van de atonale muziek, waarin de 'zielsbewogenheid’ en 'doorleefde menselijkheid’ ontbreekt. Zo blijft hij in alle muziek op zoek naar die 'melodie’ die voor hem symbool is van humaniteit. Toch moet Paap op den duur erkennen dat het atonale en seriele componeren aan terrein wint en langzamerhand leert hij wel degelijk sommige moderne muziek waarderen. Zo ligt in de archieven van het Haags Gemeentemuseum een bedankbrief van Gyorgy Ligeti naar aanleiding van een lovende recensie van Paap over Atmospheres.
Waar loopt Paap wel warm voor? De belangstelling en nieuwsgierigheid van Paap lijken haast onverzadigbaar. Hij schrijft over alles wat met kunst- en cultuurpolitiek te maken heeft, over de kunstkritiek, Bach, Mozart en de romantici, orgelmuziek, beiaardiers, nieuwe technologische ontwikkelingen, elektronische muziek en terugkerende evenementen zoals de buitenlandse festivals en het Holland Festival. Een van zijn stokpaardjes is de cultuurspreiding, zowel geografisch als sociaal. De amateuristische kunstbeoefening neemt hij haast even serieus als de professionele: 'Het ganse muziekleven wordt bepaald en gedragen door de belangstelling van de muziek-liefhebber’, is een typerende uitspraak van Paap. 'Hij ging met dezelfde inzet naar een uitvoering van het Concertgebouworkest, als naar een koor in Tuitjehoorn’, zo memoreert zijn vriend Cornelis van Zwol.
In 1954 schrijft Paap een kritisch commentaar getiteld 'Muziek in Zuidoost- Drenthe’: 'De provincie Drente, en met name het Zuidoostelijke gedeelte daarvan, is in de verbeelding van vele bewoners van de cultuurcentra in het Westen van ons land nog steeds het gewest van schaapherders en turfgravers.’ Paap weet daarentegen dat het landschap wordt gevormd door oliewinning en industrialisatie.
HET NOGAL conservatieve en oubollige imago dat aan Paap en daarmee aan Mens en Melodie kleeft, is dus niet helemaal onterecht. Maar minstens even opvallend is zijn tolerantie en openheid. Onder zijn bewind stonden in Mens en Melodie de meest uiteenlopende meningen naast elkaar. De progressieve en zeer deskundige Harry Mayer bijvoorbeeld (muziekleraar aan het conservatorium in Enschede) schreef jarenlang uitstekende artikelen over hedendaagse componisten. En ook de Parijse correspondent Frank Onnen had zijn oren niet in zijn zak zitten en berichtte met veel enthousiasme over de concertseries van Pierre Boulez.
Zelf doet Paap tot aan zijn afscheid in 1976 zijn uiterste best om van alles op de hoogte te blijven. Van elektronische muziek, de serie Aktuele Muziek in het Concertgebouw tot aan een Fluxus-avond toe - de arme Paap komt helemaal verbouwereerd weer buiten - overal probeert hij gedegen kennis van te nemen voordat hij een oordeel uitspreekt. In zijn strijd tegen vooroordelen neemt hij het zelfs op voor balorige jongens als Reinbert de Leeuw tegen critici die deze muziek afdoen als boerenbedrog.
De keerzijde van die verregaande mildheid van Paap is natuurlijk een zekere bangigheid om stelling te nemen. Er leek hem meer aan gelegen iedereen te vriend te houden dan om een consistente visie tentoon te spreiden. Illustratief is de anekdote die Miep Zijlstra, die wel eens met Paap in examencommissies zat, ophaalt. Als zijn sympathie voor een kandidaat en diens prestaties niet met elkaar overeenstemden, riep Paap uit: 'Wat een geluk dat er zessen bestaan!’