De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Landinzicht #8: De trekker

Paard verloren, al verloren

De komende maanden onderzoeken journalisten Hidde Boersma en Janno Lanjouw hoe de Nederlandse landbouw de stap probeert te zetten naar een milieuvriendelijkere toekomst. Deze week: een verhaal over hét symbool van de moderne boerenstand.

Oud trekkers bij een maaiwedstrijd in Nij Beets, Friesland in 2013. © Pa3ems

Geen mens kon er afgelopen week omheen: boeren rijden op trekkers.

Boze boeren zorgen voor de grootste ochtendspits aller tijden en rijden met hun trekkers zo het Malieveld op. Met zijn honderden, ook als er maar 75 zijn toegestaan. Want als je toch helemaal naar Den Haag bent gereden met een paar honderd paardenkrachten, en op jetsers van banden, dan houdt zo’n afzethek je ook niet meer tegen.

De trekker: het landbouwvoertuig bij uitstek en het symbool van de moderne boerenstand. Sinds de teloorgang van het boerenpaard is het karakteristieke landbouwvoertuig met de grote achterwielen de trouwe metgezel van de boer bij het ploegen, eggen, frezen, schoffelen, zaaien, bemesten, spuiten, maaien, wiersen, balen persen en rooien. Of om gewoon van A naar B te komen. Sinds hun opkomst hebben trekkers een niet te overschatten impact gehad op de landbouwproductiviteit. De manier van werken, de inrichting van het boerenland, de kostprijs voor de boer en daarmee de prijs van voedsel: de trekker heeft op alles invloed.

Veel boeren houden van hun trekkers. Terwijl sommige stedelingen dol zijn op hun auto, zijn agrarische petrolheads fan van hun al dan niet klassieke John Deere of hun spiksplinternieuwe Claas. Onderling identificeren boeren zich met de ‘kleur’ die ze rijden. Want als er iets in de trekkerwereld van belang is, dan is het kleur. New Holland is blauw met wit, John Deere groen met geel, Fendt groen met rood en Case IH rood met grijs. Als landbouwers weer eens overhoop liggen met de overheid en gaan demonstreren, zijn het de trekkers waarmee ze hun onvrede onontkoombaar duidelijk maken. Toch komen grote trekkerdemonstraties in Nederland niet vaak voor, de laatste dateerde van 1990. Afgelopen week was overigens de grootste trekkerdemontratie uit de Nederlandse geschiedenis.

Maar voordat we de geschiedenis in duiken, eerst even een misverstand wegnemen: het is trekker en niet tractor. ‘Als iemand “tractor” zegt, weet je meteen dat 'ie uit de stad komt’, schamperde een akkerbouwer tijdens de research voor dit verhaal. Nederland is daarin een uitzondering – in alle omliggende landen zegt men iets in de trant van “tractor”. ‘Dat Nederland “trekker” gebruikt is te danken aan de inspanningen van de invloedrijke agronoom M.F. Visser, die “tractor” als een vreemd woord beschouwde,’ vertelt Yves Segers aan de telefoon. Segers is landbouwhistoricus en coördinator bij het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) in Leuven. Met een aantal andere auteurs publiceerde hij eind vorig jaar het boek Tractor, een geschiedenis. ‘In België zeggen we dus wel tractor, vooral onder invloed van het Franse “tracteur”.’

Als stedelingen zouden we ons waarschijnlijk moeten voegen naar dit gebruik en in dit verder stuk “tractor” schrijven. Maar naar correct Nederlands-agrarisch taalgebruik geven we de voorkeur aan “trekker”.

De geschiedenis van de trekker begint eind negentiende eeuw met de ontwikkeling van de eerste gemotoriseerde landbouwvoertuigen. Het waren reusachtige, door stoommachines aangedreven monsters die vooral werden ingezet voor de ontginning van de Noord-Amerikaanse prairies. Ze waren zo groot dat ze op de kleinere Europese percelen eigenlijk niet te hanteren waren. Europese constructeurs ontwikkelden daarom kleinere modellen, die in de periode na de Eerste Wereldoorlog in toenemende mate werden gebruikt. Maar de transitie naar de gemotoriseerde landbouw verliep in eerste instantie traag. Trekkers waren in de beginjaren relatief duur en log. Het was bovendien niet eenvoudig om ze te besturen, laat staan om ermee te werken. Er waren ook nog weinig landbouwmachines die je erop kon aansluiten. Alleen de early adopters zagen ze als de ideale vervanger voor het aloude trekpaard.

Want voor de opkomst van de trekker waren boerenpaarden de koningen van de landbouw. Ze waren veelzijdig en sterk. Een goed paard was veel waard en ze werden dan ook goed verzorgd. En ze waren met veel. Segers en zijn collega’s zochten uit dat er in het België van 1920 zo’n 218.000 paarden tegenover driehonderd trekkers werkzaam waren in de landbouw. In 1945 waren er 250.000 paarden versus 2.148 trekkers. Daarna ging het hard. In 2013 waren er in België ruim 80.000 trekkers tegenover 4.458 landbouwpaarden, hoewel het grootste deel hiervan vooral als hobbypaard gehouden werd.

De opkomst van de trekker betekende dus ook het einde van de carrière van het boerentrekpaard. Voorheen waren die onmisbaar geweest, zoals ook blijkt uit het volgende (wellicht wat vrouwonvriendelijke) gezegde: ‘Vrouw verloren, iets verloren. Koe verloren, veel verloren. Paard verloren, al verloren.’ Geen wonder dat de vroege, onhandige trekkermodellen veel boeren niet konden verleiden hun geliefde paard de deur uit te doen. Segers: ‘Je kreeg echt paardenboeren en trekkerboeren. Voor ons boek hebben we met veel boeren gesproken. Er was duidelijk een groep te herkennen die vertelde dat hun vader of grootvader ervoor heeft gekozen om zo lang mogelijk met paarden te blijven werken. Echt ook uit liefde voor het paard. Er gingen verhalen de ronde over boeren die stonden te huilen als ze hun paard moesten wegdoen.’

De echte doorbraak van de trekker vond plaats rond 1950. In 1947 zijn er in Nederland 8.700 exemplaren, twee jaar later is dat aantal bijna verdubbeld. In 1951 zijn het er al 25.000 en vier jaar later niet minder dan 35.000. ‘Vooral in Nederland wordt een belangrijk deel van de Marshallhulp aangewend om trekkers te kopen,’ vertelt Segers. ‘In België lag de focus van die hulp meer op industriële ontwikkeling. Maar in Nederland exploderen de aantallen echt.’

De ontwikkeling heeft een enorme impact op de economie en de samenleving. In energietermen schakelde de landbouw om van biomassa (haver) naar fossiele brandstof. Dat had verstrekkende gevolgen. De aankoop van de dure machines maakte de landbouw veel kapitaalintensiever. De landbouw werd efficiënter. Segers: ‘Ineens konden boeren veel sneller werken, zonder daarbij aanspraak te hoeven maken op menselijke en dierlijke arbeid. Vooral in de piekmomenten in het voor- en najaar biedt de nieuwe gemechaniseerde arbeid de boer slagkracht en flexibiliteit.’ De opbrengsten schieten omhoog, al is het volgens Segers moeilijk te zeggen welk deel daarvan is toe te schrijven aan de trekker. ‘De hele landbouw transformeert in die jaren naar een wereld die steunt op adviseurs, consulenten, de staat, boerencoöperaties, en allerlei grote bedrijven. Oftewel: de moderne landbouw zoals we die nu kennen.’

Aanvankelijk zijn er nog criticasters: trekkers zouden niet specifiek aan te passen zijn aan de verschillende taken, ze zouden te duur zijn. Men schamperde bovendien dat het gemechaniseerde landbouwmodel nooit rendabel zou kunnen worden. Maar de trekker innoveerde snel, evenals de nieuwe landbouwmachines die aan trekkers gekoppeld konden worden. In grofweg vijfentwintig jaar vindt er een fundamentele verschuiving plaats. In 1970 zijn er in Nederland ruim 135.000 trekkers, in 1990 bijna 200.000 en vandaag de dag rekent de sector zelf uit dat er zo’n 250.000 trekkers in Nederland, al lopen de meningen daarover ernstig uiteen. De Rijksdienst Wegverkeer komt op niet minder dan 430.000 Nederlandse trekkers, alhoewel een groot deel daarvan niet gebruikt wordt in de agrarische sector maar in sectoren als de bouw. Het feit dat tot op heden de machines nergens geregistreerd staan, maakt het lastig tellen.

De trekker waarmee de demonstrerende boer afgelopen dinsdag het hekwerk rond het Malieveld platreed, deed denken aan een tank. Die associatie is niet helemaal ongegrond. Tussen trekkers en militaire tanks bestaat namelijk een verband.

Een aantal jaar geleden werd dat verband uiteengezet tijdens een presentatie op de Agritechnica in Hannover, ‘s werelds grootste beurs voor landbouwvoertuigen. De presentator was Amir Kassam, een gerenommeerde landbouwprofessor die vooral in Engeland en voor de FAO werkt. De FAO is de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Kassam is een agro-ecoloog. Hij vindt dat de gangbare landbouw anders moet (en kan). In Hannover, tussen de huizenhoge trekkerbanden en tonnenwegende machines en ten overstaan van duizenden Duitse Bauern, stak Kassam het verhaal af dat trekkers radicaal lichter moesten worden. Gemotoriseerde hulp mocht nog net, maar dan liefst wel met kleine, tweewielige machines. Dit om het verlies aan bodemvruchtbaarheid door het samendrukken van de bodem tegen te gaan. Kassam staat hierin verre van alleen. Ook gangbare akkerbouwers en alle grote trekkermerken zijn bezig met het tegengaan van zogenaamde bodemcompactie.

De oorsprong van de zware machines lag volgens Kassam in de inzet van overbodige militaire voetuigen die na de Tweede Wereldoorlog werden ingezet om het land te bewerken. Voor Kassam was het een bewijs van zijn stelling dat de moderne landbouw niet gestoeld is op de wetenschap, maar op oorlog. Naast het materiaal waren de pesticiden immers afkomstig uit onderzoek naar gifgas. Kunstmest kwam uit munitiefabrieken.

Of deze claim hard te maken is? Yves Segers zegt geen voorbeelden te kennen van tot trekker omgebouwde tanks. Hij wees wel op de duizenden jeeps die, in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, in de landbouw werden ingezet. De tank als voorloper van de trekker. Het is in ieder geval een interessante gedachte.


In de tweede aflevering van deze kleine geschiedenis van de trekker gaan we als vanouds op bezoek bij de boer. Wat zijn overwegingen die hij maakt als hij een nieuwe trekker gaat kopen? Kijk hier voor de hele serie.