Paarden en ledematen

Al sinds de klassieke Oudheid wordt het volk vergeleken met het lichaam, een oude vrouw, een natuurverschijnsel. Dit gebruik van beeldspraak kan ontluisterende implicaties hebben.

Medium groene gerbrandy

OMDAT WE NIET weten wat het volk is, kunnen we er alleen in metaforen over spreken. Het volk is een kudde schapen of runderen, een zwerm bijen, een vlucht ganzen. Het volk is een wezen met een hoofd en een hart. Het volk is een beest. Het volk is de stam van een boom. Het volk is een stroom in een bedding. Opvallend is dat vrijwel alle gangbare metaforen aan de natuur zijn ontleend, waarbij wordt benadrukt dat het volk een levend, groeiend geheel is, dat weliswaar steeds verandert, maar in wezen gelijk blijft, als de rivier van Heraclitus.
In de late Oudheid laten veel redenaars, historiografen en dichters de godin Roma opdraven, die zich, als verpersoonlijking van de Romeinse maatschappij, uitlaat over doorgaans desastreuse politieke en militaire ontwikkelingen. Opmerkelijk genoeg verschijnt Roma dan geregeld als oude vrouw, wat gezien de duizendjarige geschiedenis van het Romeinse imperium misschien begrijpelijk is. Maar wat de auteurs zich nauwelijks lijken te realiseren, is dat hoogbejaarden een beperkt toekomstperspectief hebben. Een berucht voorbeeld is het debat tussen de heidense aristocraat Symmachus en bisschop Ambrosius in 384, waarin de laatste het een goed idee acht dat de oude dame zich op de valreep tot het christendom bekeert. Symmachus noch Ambrosius doordenkt de beeldspraak tot in al haar consequenties. De metafoor is altijd sterker dan de dichter.
Wanneer we spreken over de Nederlandse volksaard, het Duitse bloed of de Russische ziel, beschouwen we het collectief als een zelfstandig organisme. Zelden vragen we ons af waar dit wezen geboren is, wie zijn ouders waren, waar het zich mee voedt en of het niet eens tijd wordt aan euthanasie te denken. Nu hebben metaforen altijd slechts een beperkte reikwijdte, want twee verschijnselen zijn nooit volledig identiek, hoezeer ze in bepaalde opzichten ook op elkaar lijken. Maar nadenken over de implicaties van beeldspraak leidt soms tot ontluisterende inzichten.
Gesteld dat het volk een organisme is, hebben we het dan over het lichaam of over de ziel, of over beide? Lichamelijke integriteit en psychische identiteit zijn op zichzelf al problematische begrippen. Mijn lichaam beschouw ik als een entiteit die helemaal van mijzelf is, maar de meeste organen waaruit ik besta heb ik nooit gezien, ik doorgrond hun werking nauwelijks, en ik sta liever niet stil bij het gegeven dat alles wat ik doe gestuurd wordt door duizelingwekkende moleculaire processen. Nog erger is het besef dat mijn spijsvertering draait op de activiteit van miljoenen micro-organismen, van wie ik niet graag zou erkennen dat ze deel uitmaken van mijn persoon. Mijn brein spiegelt mij de illusie voor dat ik mijzelf ben en bewust beslissingen kan nemen. Aangenomen dat het bewustzijn een product van neurale schakelingen is, moet ik mij dan identificeren met het ongrijpbaar elektrisch vuurwerk tussen mijn oren? En hoe zit het eigenlijk met de interactie met mijn omgeving, met wat mijn zintuigen te bieden hebben, met mijn vriendschappen en verantwoordelijkheden?

WIE EEN VOLK met een organisme vergelijkt, roept meer vragen op dan heldere antwoorden. Daar komt bij dat de context waarin metaforen opduiken, gewoonlijk retorisch van aard is. De spreker wil een gehoor overreden en zijn wil opleggen. Des te belangrijker is het de redenaar met de verzwegen aspecten van zijn beeldspraak te confronteren. Ik geef twee vermaarde voorbeelden uit de klassieke Oudheid.
Een van de gevaarlijkste boeken over politiek, sociologie, psychologie en moraal is Politeia van Plato, waarin de aristocratische filosoof een ideale staat ontwerpt. Deze utopie is in zekere zin een bijproduct van datgene waar Plato echt op uit is, namelijk een theorie over het evenwicht in de menselijke ziel. Omdat de werking van het innerlijk zo ondoorgrondelijk is, stelt Socrates - de voornaamste spreker in de dialoog - voor de ziel te vergelijken met een staat. Door te beschrijven wat zich in het groot afspeelt, zou men ook greep kunnen krijgen op de psychische processen in het individu. De onuitgesproken vooronderstelling is dat zielen en staten in principe op dezelfde manier functioneren. Als de staat een model voor de ziel is, geldt ook het omgekeerde.
Plato’s ideale samenleving kent drie sociale klassen. De meerderheid van boeren, handwerkslieden en handelaars vormt de basis, die uitsluitend warmloopt voor vreten, zuipen en neuken. Het recentelijk uitgebrachte fotoboek van Hofland en Visser (Platter & dikker) illustreert perfect wat Plato bedoelt. Socrates formuleert het zo (vertaling Warren en Molegraaf): ‘Als vee kijken ze altijd naar beneden, ze zijn naar de aarde gebogen en grazen hun tafels leeg. Ze proppen zich vol, ze naaien erop los. Ze willen zo graag méér dat ze elkaar vertrappen en elkaar met hun stalen horens en hoeven stoten, zo vermoorden ze elkaar door hun onverzadelijkheid.’
Vanzelfsprekend moet dit tuig in de hand gehouden worden door een leger of politiemacht, die door Plato wordt aangeduid als de 'wachters’. Bij deze klasse overheersen moed en een positieve, op eer gerichte energie. Een doordacht eugenetisch programma garandeert permanente veredeling van dit superras, dat echter op zijn beurt enige sturing behoeft. Het zijn de filosofen, die zelf uit de militaire klasse voortkomen, die op grond van ware, maar voor anderen oncontroleerbare kennis leiding geven aan de staat als geheel.
De drie klassen corresponderen met drie psychische lagen: de minderwaardige oerdriften, de edele emoties en het koele intellect. Vuige lust staat tegenover eerzucht en verstand, die genetisch verwant zijn. Dat Plato worstelde met zijn eigen beeldspraak, blijkt uit het feit dat hij in Phaedrus een andere metafoor gebruikt. Daar is de ziel het samenstel van een door twee paarden getrokken strijdwagen, die bestuurd wordt door een krachtige menner. De laatste representeert het rationele denken, de paarden staan voor tegenstrijdige impulsen: het ene paard is ten prooi aan smerige driften, terwijl het andere iets te enthousiast naar het hogere streeft. Opmerkelijk is dat in dit beeld de grens tussen het goede en het kwade domein anders getrokken wordt dan in Politeia. De paarden zijn immers allebei redeloze dieren. Wat zou er gebeuren als we deze metafoor van toepassing verklaren op de staat? De auteur geeft overigens geen antwoord op de vraag hoe menner en span elkaar hebben gevonden. Door wie zijn ze tot elkaar veroordeeld? En waar gaan ze eigenlijk naartoe?
Enkele eeuwen na Plato schreef Livius zijn omvangrijke geschiedenis van het Romeinse Rijk, niet lang nadat keizer Augustus in 30 voor Christus aan de macht was gekomen. Om goodwill te kweken onder de senatoriale elite die hem had voortgebracht, suggereerde de vorst dat hij de republiek in ere had gesteld. Tegen deze achtergrond is het interessant te zien hoe Livius omgaat met de conflicten tussen patriciaat en plebs in de vijfde eeuw voor Christus. Hij vertelt hoe de plebeiers massaal in staking zijn gegaan en zich als voorlopers van de Occupy-beweging hebben teruggetrokken op de Heilige Berg. Menenius Agrippa komt in naam van de senaat onderhandelen, waarbij hij de volgende parabel inzet. Er was een tijd waarin de ledematen en organen van de mens nog niet eensgezind samenwerkten. Het begon hun op te vallen dat zij allemaal hard aan het werk waren, terwijl de maag niets anders hoefde te doen dan vadsig innemen wat hem werd voorgeschoteld. Verontwaardigd besloten ze de maag voortaan niet meer te voeden, met als onverwacht effect dat ze ook zelf wegteerden. Toen pas begrepen ze hoe belangrijk de maag was voor het functioneren van het lichaam als geheel. Nadat de plebeiers de portee van het verhaal tot zich hadden laten doordringen, gaven ze hun verzet op.
Evident is dat Livius door dit verhaal te vertellen indirect ook de macht van Augustus legitimeert. Maar wat hij zich misschien niet gerealiseerd heeft, is dat het beeld van de maag voor de senatoriale adel op zijn minst omineus is. De maag mag in fysiologische processen een voorname rol spelen, onmiskenbaar suggereert de metafoor dat de elite zich schaamteloos volvreet. Daarbij roept ook dit verhaal vooral vragen op. Wat doet het hoofd? Waar blijft het hart? Hoe komen de ledematen aan het voedsel waarmee ze de maag vullen? Hoe vindt het overleg tussen de organen plaats? Zou een dergelijk lichaam geen baat hebben bij een ziel?
Waar Plato een ongemakkelijke analogie trekt tussen de staat en de ziel, vergelijkt Livius het bestel met een lichaam. In beide metaforen worden interne spanningen benadrukt. De wachters moeten de beestachtige meute bedwingen, maar worden zelf door een junta van filosofen onder de duim gehouden. De menner tracht twee paarden in bedwang te houden die allebei een andere kant op willen. De ledematen worden op straffe van hongerdood geprest de maag te dienen. Dat duidt allemaal niet op innerlijke harmonie.
Anderzijds hebben aan de natuur ontleende metaforen het voordeel van de evidentie. Een stand van zaken die als natuurlijk wordt voorgesteld, is metafysisch verankerd en dus onvermijdelijk en onveranderlijk. Is de man van nature sterker dan de vrouw? Dan behoort hij de baas te zijn. Kan een homoseksuele verbintenis geen nageslacht opleveren? Dan zijn homo’s dus monsters. Functioneert een mierenkolonie perfect doordat ieder individu zonder morren zijn genetisch bepaalde taak uitvoert? Dan weten we ook hoe de economie georganiseerd moet worden.
In The Open Society and Its Enemies (1945) heeft Karl Popper gehakt gemaakt van Plato’s fascistoïde, racistische theorie. Die kritiek staat nog recht overeind, mits we Plato’s ontwerp au sérieux nemen. Helaas doet Plato dat zelf niet. Herhaaldelijk wijst de filosoof erop dat hij slechts met metaforen goochelt. Blijkbaar was hij niet bij machte de irrationele dichter in zichzelf te onderdrukken. Maar het is de vraag wat gevaarlijker is: een dorre theoreticus die in alle ernst een dubieuze staatsleer ontwerpt, of een ironische manipulator die een ongrijpbaar spel met beeldspraak speelt. Of berust uiteindelijk alle theorie op beeldspraak?