Paardenrennerij

Politieke partijen gaan steeds meer op elkaar lijken. Toch willen ze graag individueel zichtbaar zijn. Die drang kan leiden tot gezamenlijke machteloosheid.

Medium denhaagpaardenrennen

De parlementaire journalistiek krijgt vaak het verwijt dat ze meer aandacht heeft voor het spel tussen politieke partijen dan voor de inhoud van plannen of op stapel staand beleid. Academici noemen die voorkeur voor het spel horse race. Graag had ik hier een stuk geschreven dat bij academisch onderzoek gerangschikt zou worden in de categorie inhoudelijk, het kabinet neemt immers een aantal zaken flink op de schop. Maar aan welk voornemen van het kabinet of tegenvoorstel van de oppositiepartijen die begin deze week met minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën gingen overleggen ik ook denk, mijn gedachtestroom raakt steeds verstrikt in de paardenrennerij.

Daardoor komt ook telkens een opmerking in mijn herinnering die directeur Wolfgang Streeck van het Duitse Max Planck Institut maakte in een interview in De Groene Amsterdammer van 5 september. Streeck maakt zich zorgen over de democratie, met als voorbeeld ‘als het aanbod van de partijen op de politieke markt zozeer op elkaar lijkt dat er niets meer te kiezen valt’.

Is de patstelling tussen het kabinet en de regeringspartijen vvd en pvda enerzijds en de sinds de Algemene Politieke Beschouwingen van vorige week zogeheten constructieve oppositiepartijen cda, d66, ChristenUnie, GroenLinks, sgp en 50Plus anderzijds een gevolg van dat ‘op elkaar lijken’? Wordt dat nu des te duidelijker, omdat een deel van de oppositie nodig is voor een meerderheid in de Eerste Kamer?

In het recente verleden, toen een kabinet kon bogen op een meerderheid in beide Kamers, stemde menige oppositiepartij in de Tweede Kamer vaak al gewoon met de coalitiepartijen mee, voor de rijksbegroting en voor afzonderlijke wetten. Dat viel toen echter niet op, omdat een stem van een oppositiepartij niet de doorslag gaf. Maar nu dat wél het geval is, betekent het kleine verschil invloed en macht. Althans, dat is de inzet.

Bovengenoemde partijen zullen niet graag beamen dat ze op grote lijnen redelijk eensgezind zijn als het om de begroting voor 2014 en een aantal hervormingsplannen van het kabinet gaat. Want als ze dat zouden doen, kunnen ze de kleine verschillen niet meer uitvergroten. Dat zou hun zichtbaarheid ondergraven en daarmee hun electorale kansen en mogelijk zelfs hun bestaansrecht.

Om niet in paardenrennerij te vervallen zou ik nu dus moeten ingaan op de verdeling van inkomens in de plannen van het kabinet en het verwijt van het cda dat dit nivelleren is en dan een betoog moeten opzetten over wat het beste is om uit de economische crisis te komen. Hetzelfde geldt voor de hervormingsplannen van het kabinet met de werkloosheidsuitkering en het ontslagrecht, en de kritiek van d66 dat dit niet snel genoeg gaat. En ook voor het te bezuinigen bedrag dat het kabinet op zes miljard zet, maar dat van enkele ‘constructieve’ oppositiepartijen wel wat lager mag.

Maar die betogen stokken al in mijn hoofd, omdat ik dan achter de komma uitkom om de inkomensverschillen te kunnen beschrijven tussen dit of dat huishouden met een zus of zo aantal kinderen bij net ietsje meer of minder nivelleren. Waarbij ik me realiseer dat ik door het woord nivelleren op te schrijven al in het cda-frame stap. En het hapert bij mij, omdat ik tot ver in de toekomst moet gaan om het verschil te kunnen aangeven van met behulp van computermodellen berekende aantallen extra banen die dan toch in alle gevallen een druppel op de gloeiende plaat van de werkloosheid zijn. Het paradoxale is dat juist als ik zou focussen op die kleine inhoudelijke verschillen ik mee zou doen aan de horse race tussen deze politieke partijen.

Om er dan maar een openlijk horse race-stuk van te maken kan ik beschrijven wat de strategie van het cda is. Dat de roep om lastenverlichting en het vol afkeer geuite woord nivelleren bedoeld is om rechtse kiezers te paaien. Dat de onwil om een kabinetsplan te steunen vooral is ingegeven door de angst geassocieerd te worden met het beleid en daar dan bij verkiezingen op afgerekend te worden. Waar ik dan aan moet toevoegen dat het cda in zijn huidige opstelling zijn vroegere zelf verloochent, want eerder was het ook voor eerlijk delen en draagvlak bij het maatschappelijk middenveld. Waardoor het ‘je zoekt het maar uit’ van partijleider Sybrand van Haersma Buma op mij niet zo geloofwaardig overkomt.

Ook kan ik een beetje gaan stoken binnen d66 door eraan te herinneren dat Alexander Rinnooy Kan, als voormalig ser-voorzitter toch niet het eerste de beste partijlid, het vorig jaar op het Van Mierlo Symposium een historische fout noemde dat zijn partij weinig aandacht besteedt aan vakbonden en maatschappelijk middenveld. Het openbreken van het Sociaal Akkoord zoals d66-leider Alexander Pechtold wil, leek tijdens de Algemene Beschouwingen soms ook meer ingegeven door ‘wij zijn hier de baas’ dan door argumenten. Ik kan daar overigens aan toevoegen dat het openbreken van het Sociaal Akkoord en het versnellen van de hervormingen zoals d66 wil de pvda angst inboezemt, angst dat de kiezer én de vakbond – nog verder – richting sp schuiven.

Maar onder welk kopje zouden academici een artikel rangschikken waarin zorg wordt geuit over de stand van zaken in de Nederlandse politiek als zodanig? Mijn vrees is dat de drang tot individuele zichtbaarheid bij politieke partijen die op elkaar lijken leidt tot gezamenlijke machteloosheid. Dat ondergraaft het vertrouwen in de politiek en daarmee de democratie. Daarom bleven de woorden van Wolfgang Streeck hangen.

Een oplossing? Voor de korte termijn is er alleen het beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de politici. Dat vragen ze immers ook van hun burgers. Burgers die hen bovendien op een politieke crisis zullen afrekenen. Al is dat dan weer een horse race-argument.