Paardevoet

Ik vind De Groene het leukste blad dat er bestaat, en ik ben als een kind zo blij dat ze me deze column laten schrijven, maar er zit één nadeel aan: als ik iemand een paardelul vind, moet ik dat wel kunnen beargumenteren.

Vroeger hoefde dat niet.
Als ik vroeger het voorstel opperde om een Nederlandse quizmaster het hoofd af te zagen omdat dat iedereen veel leed en ergernis zou besparen, was er niemand die mij vroeg om dat met argumenten te staven. Als ik voorstelde om een bekend schrijver wiens naam er verder niet toe doet (Boudewijn Büch) in een koelcel op te hangen, waar hij enkel bezocht mocht worden door de hoofdredacteuren van de talloze blaadjes waar hij voor schrijft, die daar zijn wekelijkse stukje mochten komen afsnijden, dan ging het er niet om of ik dat goed kon onderbouwen, maar of ik het geestig en liefst zo plastisch mogelijk kon opschrijven. Zo ging het bij Propria Cures.
Ik heb veel geleerd sindsdien, of eigenljk moet ik zeggen: men heeft geprobeerd mij veel te leren, en ik heb mijn best gedaan om niemand teleur te stellen. Ik heb teksten voor de overheid geschreven die, hoewel onleesbaar, juridisch waterdicht waren. Ik heb reisreportages gemaakt voor een bekende Nederlandse glossy, en hoewel al mijn woorden na behandeling door de redactie op een andere plaats terecht waren gekomen, kreeg ik er toch ruim voor betaald.
Daar leer je van.
Nu even terug naar die paardelul: Frank Ligtvoet is ons Hoofd Culturele Zaken op het Consulaat Generaal in New York. In Tabee, New York heeft F. Springer onnavolgbaar beschreven wat een dergelijke functie zoal inhoudt: het toespreken van de vereniging van Friese huisvrouwen in Paterson, New Jersey aan het feestontbijt, de carnavalsviering van de Limburgse yankees in Binghamton opluisteren en ‘het bijwonen van een “Testimonial Dinner in honour of Fred Vissers from Zierikzee Who Made Bowling Big in Pratt Falls, Pennsylvania.”’
Voor hij deze belangrijke positie kreeg, was Ligtvoet vijf jaar directeur van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds. Een van zijn taken was het verdelen van subsidies onder de Nederlandse literaire bladen. Hij deed dat met een benijdenswaardige onafhankelijkheid en lak aan conventies: zo kende hij tienduizenden guldens toe aan het onleesbare, zeer literaire blad Optima (toen met een oplage van 1000), waarvan hij kort daarvoor zelf redacteur was geweest, en weigerde hij subsidie aan Propria Cures (oplage toen 2300). De argumenten: PC zou het niveau van een schoolkrant niet meer ontstijgen en: 'Jong columnistisch talent dient zich in Propria Cures niet meer aan.’
Ik hoop dat u hetzelfde satanische plezier voelt als ik op dit moment, dat in een column in De Groene, waarvan maar weinigen zullen beweren dat het een schoolkrant is, het ongelijk van zo'n literaire telganger kan worden aangetoond. Graag draai ik de duimschroef om de paardehoef nog iets verder aan: verscheidene talentloze redacteuren van toen schrijven nu voor gerenommeerde bladen. Een van hen is stercolumnist van HP/De Tijd, twee anderen hadden columns in de Volkskrant, nog een ander won kort geleden een prijs als beste Nederlandse tekstschrijver. Ook is het heerlijk om te vermelden dat tenminste drie toenmalige PC-redacteuren inmiddels een roman publiceerden. De recensies varieerden, maar het woord 'talentloos’ kwam er niet in voor. Een paar weken geleden besliste de rechter niettemin dat PC, broeierig hol van talent, geen recht had op subsidie.
In Propria Cures van deze week schrijft een nieuwe redacteur zijn intree. Argumenten zijn in het stuk niet te vinden, wel veel scheldwoorden. Hij eindigt met: 'Dus allemaal plat op de grond, want ik sta in de schiettent en kom er de komende twee jaar niet meer uit.’
Voor het eerst sinds ik afscheid nam van dat blad voel ik heimwee.