Paardloze koetsen

Dat ik nooit veel begrepen heb van die onstuitbare drang van vooral mannen om verzamelingen aan te leggen, drong tot me door toen een buurman me deze week rondleidde in het Haagse automuseum Louwman, gebouwd door Evert Louwman – iemand uit de hoogste regionen van de Quote 500 – voor zijn krankzinnige collectie auto’s.

De Lincoln uit The Godfather, de Humber Pullman van Churchill (met extra grote asbak), een van de Cadillacs van Elvis, de Aston Martin uit Goldfinger, de groene Ferrari van prins Bernhard… En dan nog honderden en honderden historische automobielen, racewagens, oldtimers en auto-gerelateerde nevencollecties.

Wat bezielt iemand om een verzameling aan te leggen, of liever: om daar na z’n achtste nog mee door te gaan? Aan het einde van de museumroute kom je door een winkelstraatje en in een van de etalages zien we de oude speelgoedautootjesverzameling van ‘meneer Louwman’, zoals mijn buurman hem eerbiedig bleef noemen.

Met voetbalplaatjes, flippo’s en Star Wars-_poppetjes heb ik nooit veel gehad. Alleen _De Vijf van Enid Blyton heb ik wel eens compleet willen krijgen, maar dat project strandde toen ik er de volstrekte zinloosheid van doorzag en instinctief koos voor een Marcus Aurelius-achtiger levenshouding. Een verzameling is een schil van schijnorde en schijncompleetheid tussen jou en de chaotische, onbegrijpelijke buitenwereld. Zelfs boekenkasten met gesigneerde eerste drukken achter glas laten me betrekkelijk onbewogen.

Verzamelaars die vermogend raken lijken allemaal een beetje op Des Esseintes uit Huysmans’ Á rebours, de steenrijke neuroot die van zijn kluizenaarswoning een zinnenstrelend soort virtual reality maakt, van de meest verfijnde materialen en met, bijvoorbeeld, een onderzeekamer met mechanische vissen achter patrijspoorten.

Denk aan Michael Jackson of Wibi Soerjadi met hun landhuizen vol speeltjes en Disney-zooi. Het zijn allemaal uit de hand gelopen postzegelverzamelingen die een op voorhand verloren strijd leveren tegen de chaos en de vergankelijkheid.

Iets nieuws blijft altijd in het vormparadigma van het oude hangen

Nee, ik heb meer op met verandering en vooruitgang, en in het Louwman vond ik het vooral fascinerend om de evolutie van de allereerste auto’s te zien. Eerst waren het nog koetsen waar de paarden door motoren waren vervangen. Zo werkt dat: iets nieuws blijft eerst altijd in het vormparadigma van het oude hangen, of het nu de e-reader is – die op het fysieke boek wil lijken, inclusief het beeld en geluid van omslaande bladzijden – of de spaarlamp, die helemaal niet peervormig hoeft te zijn. Direct daarna, vanaf 1900, zie je een explosie van creatieve gekte – auto’s met drie wielen, de banken achterstevoren of dwars, hoge carrosserieën, stuurhendels, handpedalen, motoren op stoom, en jazeker, ook elektrische auto’s en zelfs hybrides: in die aftastende zoektocht wervelden alle varianten in het rond, totdat, na een jaar of tien, vijftien, er één min of meer standaardvorm die survival of the fittest won en doorgroeide naar de huidige auto.

En nu, honderd jaar later, is er eenzelfde proces op gang gekomen. De elektrische auto en de zelfrijdende auto: ze komen in tientallen varianten, in een bonte explosie van creativiteit en binnen tien jaar zal er één standaard gewonnen hebben.

Wat met de auto rond het fin-de-sciècle gebeurde, gebeurde met de roman misschien in de tijd van Rabelais en Cervantes: die exuberante veelzijdigheid, zoekend, wild, met genres en registers die over elkaar heen buitelden. Daaruit ontstond een min of meer stabiele vorm, die een paar honderd jaar later weer kleurrijk explodeert bij Laurence Sterne en zijn experimentele verwanten, totdat daar de negentiende-eeuwse roman uit kwam die in feite nog altijd het basismodel is gebleven.

Wonderlijk: sommige zijwegen in een evolutionaire explosie – de elektrische auto rond 1900 – krijgen geen gevolg, maar kunnen bij een volgende explosie, die nu bezig is, ineens weer opduiken en alsnog winnen.

Oog in oog met een Woods Dual Power uit 1917 – met verbrandings- én elektromotor – moet ik denken aan Milan Kundera die in een essay in Het doek schrijft: ‘Ik krijg allerlei prachtige visioenen als ik aan de vorm van de briefroman met zijn eindeloze mogelijkheden denk; en hoe meer ik eraan denk, hoe meer het me voorkomt dat die mogelijkheden onbenut en zelfs onopgemerkt zijn gebleven.’

Ik betwijfel of het helemaal waar is, er wordt flink wat afgecorrespondeerd en tegenwoordig ook geë-maild in romans, maar in zijn observatie ligt in elk geval een interessant soort uitdaging besloten, die wat mij betreft nog te weinig schrijvers aangaan. Misschien durven ze het niet aan, of zien ze het niet, en blijven ze daarom romans schrijven als paardloze koetsen. Maar misschien staat ook de roman wel weer aan de vooravond van zo’n kleurrijke explosie.