‘paars? grijs!’

Vier jaar geleden beleefde Nederland een primeur. Geen christenen in de regering! Paars aan de macht! Een politieke, sociale en culturele omslag? Na vier jaar Paars is het tijd om die vraag te beantwoorden. Tot aan de verkiezingen in mei geven de beste stuurlui die al die tijd aan de wal hebben gestaan, hun oordeel. ..LE Hoe ouder hij wordt, hoe radicaler. Van ARP-minister in het legendarische kabinet-Den Uyl via het PvdA-lidmaatschap naar aanhanger van GroenLinks. Want Jaap Boersma mist iedere sociale bewogenheid bij het kabinet-Kok: ‘Het is gewoon een verlengstuk van de kabinetten-Lubbers.’ ..LE TJA, DAT POLDERMODEL. Hij komt zelf uit de polder en hij weet dat je daar een prachtig uitzicht hebt als het mooi weer is. Het ¡s economisch gezien mooi weer. Het kabinet-Kok doet triomfantelijk over het poldermodel, neemt ostentatief de pluimpjes uit het buitenland in ontvangst. Ondertussen is het uitzicht voor velen in Nederland uiterst beperkt.

En dan doelt Jaap Boersma (68) op de honderdduizenden werklozen, op de honderdduizenden in de WAO van wie een deel graag zou willen werken, op de bijstandsmoeders die zijn ‘uitgekleed tot op het bot’. Komt zo'n Melkert in januari met een 'reparatiewet’! Wat een armoe. De man moest slechts zorgen dat de mensen aan de onderkant van Nederland er niet op achteruitgaan. Wat blijkt als ze hun centen krijgen? Ze gaan er op achteruit…
En al die werknemers die geen deel hebben aan de vooruitgang - Boersma blijft zich verbazen. De vakbeweging begrijpt hij wel, die wil werk-werk-werk. Matigheid is verstandig, want een loonexplosie is het laatste wat we kunnen gebruiken. Hij weet het heus nog wel uit de boekjes: met lage lonen vergroot je je concurrentiekracht. Maar hij vindt het 'sociaal onverteerbaar’ dat dit kabinet geen kans ziet naast de aandeelhouders ook de werknemers te laten profiteren van de enorme winsten. Dat kan niet lang meer zo doorgaan. Want de kloof tussen arm en rijk wordt groter, en het geduld van de vakbeweging zal opraken.
De mensen in al die florerende bedrijfstakken een beetje laten meedelen - zelfs sociaal-democraten hoor je daar niet meer over. Die doen net alsof de overheid zo'n zwak instrument is dat je iedere sturing kunt vergeten. Die proberen niet eens meer van bovenaf wat meer rechtvaardigheid in de maatschappij te brengen. Hij geeft toe: het is de les van de jaren zeventig, dus ook z¡jn les geweest dat de overheid zo veel niet kan doen, noch kan keren. Toch blijven er, is Boersma’s overtuiging, genoeg mogelijkheden over om een goed en evenwichtig beleid te voeren. Of je dat nu doet mÇt of zonder kreten als 'verdelende rechtvaardigheid’.
Hij zegt niet dat het een mooi wetsontwerp was, die wet op de Vermogensaanwasdeling, maar het was in ieder geval een manier om te zeggen: okee, de lonen mogen niet te veel stijgen want de inflatie moet omlaag, maar daar willen we wat tegenover zetten. Dat is mislukt. Maar zij hadden tenminste idealen, toen, in het kabinet-Den Uyl.
Idealen, daar koop je niks voor, is nu het adagium. Jaap Boersma vindt het een afgrijselijke verarming van de politiek. Van de culturele beleving ook. Uit een ideaal werd in zijn tijd het plan geboren om de burger gratis de bibliotheek te laten bezoeken.
Als oud-vakbondsman voor de ARP in de Tweede Kamer gaan zitten: dat was zijn 'roeping’. Bij de publieke zaak lag zijn idealisme. In 1973 stak hij binnen een sterk verdeelde ARP zijn nek uit om het progressieve kabinet-Den Uyl mogelijk te maken. Hij werd - een populaire - minister van Sociale Zaken. Vijf jaar later voelde hij er niets voor om met de katholieken, met Dries van Agt in het bijzonder, in ÇÇn CDA op te gaan. Dat vond hij te rechts, te kleurloos.
Hij vertrok naar de Ogem, werd later directeur van de Stadsreiniging in Amsterdam, en adviseerde na zijn pensionering een van de grootste sociale werkplaatsen in Nederland.
IDEALISME IS uit de tijd. Dat is de tijdgeest, roept men dan, want dat is een handig begrip dat alles versluiert. Maar Boersma betreurt het dat hij 'zelfs bij de socialisten’, bij mensen als Kok en Melkert, niets meer merkt van sociale bewogenheid. Hij weet ook wel dat regeren voor een groot deel is: nuchter bezig zijn. En dat je beter niet te veel stokpaardjes kunt hebben. En dat je, als het financieel tegenzit, een heleboel dingen niet kunt realiseren, of moet uitstellen. Maar wat hij nu mist is spijt daarover. Het is allemaal zakelijk, no nonsense, kapitalistisch. De harde gulden. Het financieringstekort terugbrengen. Wat heel belangrijk is, maar zo is gedogmatiseerd dat het in de laatste kabinetten ten koste is gegaan van de mensen die het geld niet kunnen missen. Met dank aan het kabinet-Van Agt/ Wiegel. Een groot deel van de 'ellende van nu’, met die focus op het financieringstekort en de daaruit volgende 'antisociale maatregelen’, is volgens Boersma te verklaren uit de wanprestaties van dat 'desastreuze kabinet’.
Den Uyl en zijn mensen worden altijd als de grote potverteerders gezien. Maar zij waren, zegt de man die erbij was, met redelijk succes bezig de stijging van het financieringstekort af te remmen. Het kabinet viel voortijdig, waarop Van Agt samen met Wiegel wel eens zou gaan 'puinruimen’. Welnu, men is nog altijd bezig h£n puinhopen op te ruimen. Want zij zorgden ervoor dat het financieringstekort uitkwam boven de onvoorstelbare tien procent.
Nee, van Van Agt moet Boersma niets hebben. 'Volledig ongeschikt als minister-president’, zegt hij afgemeten. Van Agt riep dat hij een einde ging maken aan 'die geldsmijterij’. Als dat een van je belangrijkste doestellingen is en je ziet kans het probleem te verdubbelen, dan ben je toch volmaakt onbekwaam?
Boersma zag gebeuren hoe zwartwerken en belastingontduiken sluipenderwijs hun intrede deden. Dat neemt hij 'de gewone man’ niet eens kwalijk, want de elites zijn hem daarin voorgegaan. Zie de top van de Ogem; daar is het uitgevonden. Via de calculerende burger van de jaren tachtig ging het naar de 'normloosheid’ van de jaren negentig. Daar kun je een prachtige preek over houden, maar je kunt beter wat doen. De lasten verlichten bijvoorbeeld. Als je de belastingdruk fors verlaagt, nemen mensen de moeite en risico’s niet meer. Dat hadden zijzelf, in het kabinet-Den Uyl, al moeten doen. Zij staan dus mede aan de wortel van het kwaad. Wat niet wegneemt dat de kans alsnog gegrepen moet worden als de tijd er rijp voor is. Zoals nu.
NATUURLIJK, zegt Boersma: het financieringstekort moest planmatig bestreden worden. Maar niet met zulke onevenwichtige maatregelen. In de eerste plaats troffen die de meest kwetsbaren, zoals de uitkeringsgerechtigden. En dan hebben we het nog niet over de mensen in de thuiszorg.
Akkoord, het gebouw van de sociale zekerheid, dat hij zelf als minister van Sociale Zaken nog heeft helpen opbouwen, zat niet goed in elkaar. Dat moest nodig verbouwd worden. Sterkere muren, minder ingewikkelde gangen, strengere toelatingscriteria. Maar dat had coulanter kunnen gebeuren. Je moet, vindt Boersma, de uitgaven in de collectieve sector niet omlaag willen krijgen door almaar aan de sociale voorzieningen te knagen. Door de WAO te versjteren en zelfs de AOW te bedreigen. En als je de koppeling tussen uitkeringen en minimumloon - weliswaar tijdelijk - loslaat, worden de mensen die in dit land tot de relatief armen behoren, te hard geraakt. Dan is het sociale eind zoek.
In de tweede plaats is een onevenredig groot bedrag bij de gemeenten weggehaald. Die moesten op zo'n korte termijn zo rigoureus bezuinigen dat ze dat vooral op cultuur hebben gedaan. Talloze toneel- en muziekgezelschappen zijn eraan kapot gegaan. En het rioleringsstelsel! Niets meer in geãnvesteerd. Staat er beroerd voor. Maar ja, het geld moest ergens vandaan komen.
Het kabinet-Kok is in deze opzichten een verlengstuk gebleken van de kabinetten-Lubbers. Geen verschil in aanpak. Niks paars. Het was grijs en bleef grijs.
Je kunt toch nauwelijks stellen, vraagt Boersma retorisch, dat het sociale gehalte van het kabinet-Kok hoger is dan dat van de kabinetten-Lubbers? Over spreiding van inkomens wordt niets meer vernomen, ondanks de ruimere financi‰le armslag die er sinds een paar jaar is. Waar de rijken de winsten opstrijken, krijgen de armen er hooguit genoeg bij om op dezelfde voet voort te sukkelen. Dat is de prijs die de PvdA betaalt voor de samenwerking met de VVD. En dan dat slagveld in de WAO. Hij begrijpt nog altijd niet hoe het heeft kunnen gebeuren dat zo'n plan is bedacht. Hij heeft het meermalen aan Elske ter Veld gevraagd, maar kreeg er nooit een bevredigend antwoord op.
Gelukkig is de koppeling hersteld, en over de Melkertbanen is hij voorzichtig positief. Hij is blij dat geprobeerd wordt banen te cre‰ren, met de kanttekening dat voor de werklozen aanzienlijk minder belangstelling is dan voor de werkloosheid.
Werkloos zijn, dat is het ergste wat een mens kan overkomen, vindt hij. Hij rolt nog een shaggie en vertelt over de donkere anderhalf jaar dat hij het zelf was. En dan had h¡j het nog niet eens financieel moeilijk. Hij wilde gewoon graag werken. Maar Jaap Boersma was, om het zacht uit te drukken, niet erg gewild. Vanwege de ongezouten kritiek die hij publiekelijk had geuit op zijn laatste werkgever, de Ogem. En op de cultuur van het 'graaien, graaien, graaien’ die hij daar aantrof. Over zoiets kan hij zijn mond niet houden. Hij is een arbeidersjongen en dat is hij nooit vergeten. Hij volgt dan ook met bevreemding de Werdegang van Wim Kok. Dat is wel een heel andere Wim Kok dan de vroegere FNV-voorman die met minister Boersma in de clinch lag. De kameleontische vaardigheden van Kok zijn verder doorgeschoten dan zijn huidige ambt vereist.
Als minister-president moet je de club bij elkaar houden en je als een neutrale arbiter opstellen. Maar er zijn nog voldoende gelegenheden, zoals het partijcongres, om je ideologische bewogenheid te tonen. Joop den Uyl greep die wÇl aan. Dat was een gedreven man en daar bewonderde Boersma hem om. Geen begenadigd spreker, maar het kwam van binnenuit.
Voor Boersma is deze Partij van de Arbeid een compleet andere dan die van Den Uyl. Hij was er nog een paar jaar lid van, maar haakte af vanwege zijn afkeer van de WAO-plannen. Hij was ook niet zozeer een bekeerde socialist. Als de ARP nog bestond, zou hij daar nog altijd met hart en ziel lid van zijn. Het leuke van de ARP was dat in de Kamer een fractie zat die veel linkser was dan de aanhang. Zo niet bij deze PvdA. Boersma stemt dit jaar waarschijnlijk op Rosenm”ller.
TOCH GUNT HIJ Paars nog een keer de kans. Want, weet hij uit ervaring, vier jaar is te kort om iets klaar te spelen. Maar dan, als het met de economie goed blijft gaan, is het de hoogste tijd dat de ware Partij van de Arbeid zichtbaar wordt. Dat die partij opstaat als het gaat om de vraag: wie van de drie heeft een sociaal gezicht?
Hij gelooft nauwelijks dat het zal gebeuren, hij hoopt het. Het laatste partijcongres gaf weinig reden tot optimisme. Niets hoorde hij, geen enkel plan dat hem deed denken: okee, dan vergeten we deze vier jaar. Dat men zo op de schreden heeft moeten terugkeren met zo'n reparatiewet, om een verbroken belofte gauw weer goed te maken, dat maakt de leden van 'die club’ ongeloofwaardig.
Een lichtpuntje is dat ze het toch gedaan hebben.