Paars steekt zijn kop in het zand

In de Troonrede van 1997 beroept de regering zich op de komende herdenking van de Vrede van Münster in 1648, Thorbeckes grondwet van 1848 en - vooruit, die nemen we ook nog mee - de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, die volgend jaar respectievelijk 350, 150 en 50 jaar geleden het licht hebben gezien. Er ontbreekt maar één jaartal in dit rijtje: 1748. Het is waar, 250 jaar geleden, in het tijdperk van die andere Willem IV, de stadhouder, gebeurde er helemaal niets in Nederland, maar juist daarom is die tijd zo heel veel relevanter voor de nadagen van het paarse kabinet. Het was midden in de pruikentijd, met zijn weelderige feesten en de renteniersstaat Nederland, toen de economie in een moeras van zelfgenoegzame tevredenheid wegzakte, de rijken profiteerden van hun vergaarde kapitalen en de armen konden verrekken of terugvallen op de bedeling en de liefdadigheid. Er is alle reden voor het paarse kabinet om zich volgend jaar eens wat meer op de lessen van 1748 te bezinnen.

De tekst van de Troonrede is naïef, of liever onnozel. De regering doet haar uiterste best haar enorme zelfingenomenheid te bedekken met een floers van valse bescheidenheid. Op de persconferentie die Kok de dag voor Prinsjesdag gaf, liet hij het volledig aan de journalisten over hem de credits te geven van ‘de belangrijke vooruitgang in de afgelopen jaren, zowel in sociaal als in economisch opzicht’. Hij was wel de laatste die zich daarvoor op de borst mocht slaan, zei hij - maar des te meer verwachtte hij schouderklopjes van anderen, kon je aan zijn gezicht aflezen.
Maar in geen enkel ander opzicht is er van bescheidenheid, al dan niet vals, sprake. In de hele Troonrede is geen enkele notie te bespeuren dat als het nu goed gaat met de economie, het ook wel weer eens mis zou kunnen gaan. Kok zelf houdt niet van de term 'Poldermodel’ omdat die hem te statisch is. Maar zijn 'Polderproces’ is in zijn ogen zeker niet een toevallige opleving van de conjunctuur die over een paar jaar, of over een paar maanden, weer net zo goed onder zeeniveau kan duiken - het is een proces van groei en voorspoed waar geen einde aan hoeft te komen zolang we ons maar van de paarse zegeningen bewust blijven.
Natuurlijk, dit is het oogstjaar van het paarse kabinet, het is een verkiezingsjaar en er is nog helemaal geen reden voor sombere tijdingen. Maar zo gaat het altijd aan de vooravond van een omslag in de conjunctuur, waarbij het ene of het andere model, stelsel of proces weer eens te gronde gaat.
En er is nog iets dat pijnlijk ontbreekt in de paarse analyse van onze hedendaagse maatschappij. Er klinkt nergens enig besef door van de groeiende ongelijkheid in inkomens en vermogens, schaamte voor de krankzinnige winsten die er worden gemaakt en als je er al iets van mededogen in zou kunnen horen met de minder bedeelden, dan worden die afgescheept - niet met een structurele verbetering van hun positie, die een klein beetje goed zou kunnen maken van het gigantische koopkrachtverlies dat ze de laatste jaren hebben ondervonden, maar met incidentele fooien: verhoging van de huursubsidie en van de bijzondere bijstand.
Uit recent onderzoek is weer eens gebleken dat van de allerarmsten een grote groep geen enkel gebruik maakt van deze vormen van liefdadigheid. Misschien omdat ze er geen weet van hebben of de administratieve rompslomp die aanvragen met zich meebrengen, niet aankunnen, maar misschien ook omdat ze het moeilijk vinden te bedelen om een gunst, nadat ze hun hele leven hard hebben gewerkt en rechten hebben opgebouwd, waar de regering en trouwens ook de meerderheid van het parlement geen boodschap aan heeft. 'Kijkt u maar liever eens naar de mensen die het nog erger hebben’, scheef het PvdA-Tweede-Kamerlid mevrouw Kalsbeek hardvochtig aan een weduwe, van wie het inkomen door de nieuwe nabestaandenwet nagenoeg werd gehalveerd. Met dat argument kun je onder Paars altijd terecht. Er zijn immers zeker altijd anderen die het erger hebben: degenen die lang in de bijstand zitten, die langdurig werkloos zijn, die uit WAO zijn gegooid en alle minimumlijders die in de loop van de tijd een kwart van hun besteedbaar inkomen zijn kwijt geraakt, terwijl de beterbetaalden het heel veel en de allerrijksten het waanzinnig veel beter hebben gekregen.
Uit een enquête van de GPD-bladen is gebleken dat dit kabinet z'n public relations prima op orde heeft: iedereen vindt dat de ploeg toch vooral moet doorgaan, zelfs een derde van de CDA-kiezers denkt er zo over. Toch vindt de meerderheid dat het met de gezondheidszorg, verkeer en vervoer, de sociale uitkeringen, de lastendruk, de landbouw en de veiligheid geen cent beter of zelfs alleen maar slechter is gegaan. Alleen de overheidsfinanciën en de werkgelegenheid staan er volgens die enquête nu beter voor. De meerderheid zegt dat er in hun persoonlijke situatie niets is veranderd. En van de groep die een laag inkomen heeft zegt niet minder dan 31 procent dat ze er onder paars op achteruit zijn gegaan.
Zelfs de Raad van State meent dat het 'voorkómen van te grote inkomensverschillen’ voorwaarde is om het 'incasseringsvermogen voor onaangename maatregelen en belastend beleid’ in stand te houden. De vakbeweging houdt zich nu nog in, maar waarom eigenlijk? En als de lonen gaan stijgen, blijven de uitkeringen in de huidige omstandigheden helemaal hopeloos achter. Dat is ook een economisch gevaar.
Het poldermodel is behalve op loonmatiging ook gebaseerd op flexibele arbeidsdeelname, deeltijdwerk en losse contracten. In le Monde Diplomatique is er fijntjes op gewezen dat het modèle néerlandais eerder op achterlijkheid dan op vooruitstrevendheid is gebaseerd. Al die vrouwen die in andere landen in en na de Eerste Wereldoorlog aan het werk gingen, kwamen hier pas in de jaren zeventig op de arbeidsmarkt. Vandaar het succes van al die deeltijd- en flexibanen. Die versluieren in feite een gigantische verborgen werkloosheid. Maar al die mensen - jongeren, vrouwen, allochtonen - vliegen er bij een conjunctuuromslag ook weer heel gemakkelijk uit. Dat wat anders alleen een natuurlijke neergang zou zijn, zal straks een economische en sociale catastrofe betekenen, waar Paars blijkens haar Troonrede niets maar dan ook helemaal niets van wenst te weten.