Paarse hoop

Of Jan Pronk een goed minister is, kan ik niet beoordelen. Dat hij een slecht historicus is, lijkt duidelijk na zijn Groene-essay ‘Hoop in paarse dagen’ in het nummer van 15 februari. De grondslag voor de sociaal-democratie is niet ‘honderd jaar geleden gelegd’ zoals Pronk - en met hem vele feestredenaars in PvdA-kringen - vorig jaar beweerden.

De eerste sociaal-democratische vereniging dateert van 1878 en de Sociaal-Democratische Bond van 1882. De SDB was in de jaren tachtig van de vorige eeuw de voortrekker van een brede beweging voor algemeen kiesrecht. De voorman van de Sociaal-Democratische Bond, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, werd zelfs kamerlid. Dat diezelfde SDB, net als haar leider, vanaf 1891 in meerderheid een steeds antiparlementairder karakter kreeg, is nog geen reden haar met terugwerkende kracht weg te schrijven uit de geschiedenis van de sociaal-democratie.
De koers die de jonge SDAP voorstond was ook een heel andere dan Pronk in zijn openingswoorden suggereert. De SDAP mocht dan tegen het ‘anarchisme’ in de arbeidersbeweging zijn, maar 'utopisme’ en een 'flirt met de revolutie’ waren niet het voorrecht van de Nederlandse anarchisten; ze kwamen evengoed in de SDAP voor. We hoeven maar te wijzen op de stakingen van 1903, op het enthousiasme voor de Russische revoluties van 1905 en februari 1917, en op de oproep tot revolutie in Nederland van Troelstra in november 1918 om duidelijk te maken dat de voorstelling van de SDAP als een eenduidig reformistische groepering onzinnig is. Verder was in de naoorlogse PvdA in de jaren zeventig bij bepaalde - Pronk niet onbekende en onbeminde - stromingen in de PvdA eveneens sprake van een zeker utopisme, vooral waar het de illusie van de maakbaarheid van de samenleving betrof. In die kringen was flirten met revolutie evenmin ongewoon, vooral waar die omwentelingen elders in de wereld werden nagestreefd. En vandaag de dag is het mode in hoge PvdA- kringen om te pas en vooral te onpas met het woord libertair - anarchistisch dus - te schermen.
Een laatste vertekening in het betoog van Pronk is niet ongebruikelijk bij gezeten bestuurders van sociaal-democratischen huize. Het gaat om de voorstelling van de ontwikkeling van de sociaal-democratische beweging als een permanente strijd voor het Schone, het Ware en het Goede. De oprichters van de SDAP waren evenwel behalve idealistisch ook realistisch: ze waren voor spreiding van kennis, macht en inkomen, maar wensten die laatste twee ook voor zichzelf. Ze waren carrierebewust en zagen in dat een antiparlementaire Sociaal-Democratische Bond hun geen toekomst bood. De SDAP werd, behalve strijdclub, ook een gewone politieke partij, die een groot aantal mensen uit de middengroepen de kans voor een loopbaan gaf. Mensen als Jan Pronk dus, die nu het verleden van zijn partij op het procrustusbed legt om de paarse coalitie te presenteren als nieuwe omwenteling.
Warffum, HOMME WEDMAN