De Vijftigers, vlnr. Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek, Jan Elburg, Lucebert, 1954 © Paul Huf / MAI

Dit is ’m. Deze foto uit 1954, oorspronkelijk geschoten door Paul Huf voor de reclamecampagne ‘Het bier is weer best’, werd hét iconische groepsportret van de Vijftigers. Hier zijn de kopstukken van de meest spraakmakende literaire vernieuwingsgolf van hun tijd; voorzien van getekende kattenstaarten en snorharen sieren zij gebroederlijk het omslag van de bloemlezing Vijf 5 tigers (1955). Op de voorgrond zit Lucebert, de virtuoos met de duivelachtige gezichtsbeharing; zijn glimmende bruine ogen kijken snaaks de lens in. Achterin, schijnbaar afzijdig, staat Gerrit Kouwenaar. Zijn blik is wat verveeld; een snor krult als een rups om zijn bovenlip. Daarna zien we, uiterst links, Remco Campert. De te grote colbert wordt door de onderste knoop nog net om zijn dunne bovenlijf getrokken, zijn opgeheven hoofd verraadt trots: hij mag meedoen met de groten.

En die andere twee dan? Ik wed dat zelfs veel literatuurliefhebbers zich even achter de oren krabben. Dat is verder niet zo’n drama: we onthouden nu eenmaal vooral de namen en gezichten van de sterren. Wie een foto van The Rolling Stones onder ogen krijgt, herkent het eerst Mick Jagger. Maar hoe de drummer heet?

Van de overblijvers is de meest rechter in dit geval de dichter Jan G. Elburg. De man die over zijn schouder kijkt, het haar rigoureus naar achter geplakt, is Bert Schierbeek (1918-1996). Zijn biografie verscheen onlangs en werd geschreven door Graa Boomsma, medewerker van De Groene, die eerder een fraai boek over A. Alberts afleverde.

De jaren die aan het groepsportret voorafgingen waren voor vrijwel alle Vijftigers zacht gezegd nogal veelbewogen. Zo ook voor Schierbeek. Drie weken na zijn geboorte stierf zijn moeder aan ‘kraamvrouwenkoorts’. Zijn vader kon het gezin als alleenstaande onderwijzer niet draaiende houden en bracht de baby onder bij zijn schoonouders in het Groningse boerendorp Beerta. Daar beleefde de jonge Schierbeek een heerlijke tijd, al moest hij als peuter ook toezien hoe zijn opa langzaam aftakelde door maagkanker. Hij genoot van de vrijzinnige opvoeding die zijn oma hem bood (vóór zijn tiende leerde Schierbeek vioolspelen en de foxtrot dansen) en kon als dromerige jongen opgaan in de ruwe weelderigheid van het landschap.

Dit paradijs verloor hij voorgoed op zijn twaalfde, toen hij werd teruggehaald door zijn inmiddels hertrouwde vader. Schierbeek kwam opeens in een streng burgerlijk milieu terecht, waar het hem niet lukte om te aarden. Door een goede leraar Nederlands raakte hij aan het lezen, maar de literatuur bevredigde zijn ontsnappingsdrang nog onvoldoende. Nadat hij zakte voor het gymnasium brak hij met zijn vader en vertrok hij naar de hoofdstad; hij zou daar wel staatsexamen doen.

Schierbeek arriveerde te Amsterdam in 1941, bepaald geen gunstig moment, desalniettemin vond hij er een nieuw, voller bestaan. Zo werd hij verliefd op de joodse keramiste en kunstenaar Frieda Koch, met wie hij twee kinderen kreeg. Via haar rolde hij het verzet in en kwam hij in contact met het collectief CS-6. In tegenstelling tot de beroemdste leden voelde Schierbeek er weinig voor om nsb’ers te liquideren; hij maakte zich vooral nuttig als ‘bonnenkoerier’. Dit avontuur kwam ook weer tragisch ten einde: in 1943 werd CS-6 verraden, negentien leden werden door de nazi’s gefusilleerd.

De naoorlogse twintigers liepen over van het verlangen om vijf jaar angst, leed en stilstand te vergeten

Natuurlijk was dit een ramp voor Schierbeek, maar het trok hem ook uit een creatieve impasse. ‘Mijn toekomst is volkomen duister. Ik doe maar wat’, had hij kort daarvoor in zijn oorlogsdagboek geschreven, en door deze vreselijke gebeurtenis kreeg zijn leven plots een invulling: Schierbeek besloot zijn ervaringen in het verzet om te zetten in literatuur. De laatste oorlogsjaren schreef hij de roman Terreur tegen terreur (1945), die kort na de bevrijding werd gepubliceerd door verzetsuitgeverij De Bezige Bij, waar Schierbeek levenslang aan verbonden zou blijven. Het was een vrij traditionele autobiografische roman, vol lange gesprekken over fascisme, individualisme, en Goed en Kwaad (net als vele andere generatiegenoten was Schierbeek destijds in de ban van Ter Braak en Du Perron), die mede door de authentieke materie uitgroeide tot een verkoopsucces. Een beroep of universitaire graad had hij misschien niet, maar wel een roeping: de zoekende intellectueel was hiermee een schrijver geworden.

Wat volgt is inmiddels een bekend verhaal, maar ook in Boomsma’s hervertelling is het weer een genot om te lezen. Het naoorlogse Amsterdam stroomde vol met twintigers die overliepen van ideeën en het verlangen om vijf jaar angst, leed en stilstand te vergeten. Ze hadden geen tijd te verliezen; in plaats van eerst te gaan studeren, gingen ze meteen aan de slag: schrijven, schilderen, boetseren, beeldhouwen, dichten. Onder invloed van de buitenlandse literatuur die plotseling binnenstroomde ontwikkelden ze nieuwe uitingsvormen. Avondenlang discussieerden ze in cafés, ze maakten tijdschriften over de eigentijdse kunst, trokken op de bonnefooi door Frankrijk, Spanje en Italië. Het was een tijd vol begeestering en romantiek, en Schierbeek en zijn vrouw Frieda dompelden zich erin onder. De royalty’s van zijn debuutroman en een flinke erfenis stelden hen in staat om zich volledig op het kunstenaarschap te richten en een appartement in de Van Eeghenlaan te betrekken, dat zou uitgroeien tot een ontmoetingsplek voor de avant-garde.

Op een regenachtige herfstdag staat de hoofdrolspeler van deze saga daar voor de deur. 24 jaar oud is hij, drijfnat en dakloos, praktisch ongeschoold en autodidact tot en met, maar ook degene die vrijwel eigenhandig een revolutie in de literatuur ontketende: Lucebert. In ieders herinnering is hij de geweldenaar die alles kon, de vlam die andermans ambities deed ontbranden. Ook Schierbeek raakte bevangen door deze verschijning: hier was de belichaming van de rebellie waar hij zo lang naar had uitgekeken. Hij nam de zes jaar jongere dichter in huis, gaf hem toegang tot zijn bibliotheek en stimuleerde het kunstenaarschap van zijn bijna-naamgenoot.

Die zet levert het sappigste verhaal uit deze biografie op. Gedurende dit verblijf werd Lucebert verliefd op Frieda (hij droeg zijn eerste paar bundels aan haar op), en zij op hem. Er ontstond een driehoeksverhouding en de huisgast pleegde vadermoord op een manier die Freud tevreden zou doen grijnzen: hij nam vrouw én woning over. Schierbeek beschreef de situatie zelf als volgt: ‘Smeet je hem de voordeur uit, dan werd hij weer liefdevol door de achterdeur naar binnen gesleept. Uiteindelijk ben ik dus zelf maar opgestapt.’ Dan de verrassende ontknoping: vertaler Nico Lijssen won ten slotte het hart van Frieda en trapte toen Lucebert er weer uit.

Rond die tijd ontstond ook Schierbeeks bekendste werk, Het boek Ik (1951), dat nu is herdrukt. Ik herinner me nog dat ik als eerstejaarsstudent de Amsterdamse antiquariaten af ging om deze ‘eerste experimentele roman in Nederland’ te bemachtigen, maar weinig enthousiast was toen ik hem eenmaal had doorgeploegd. Met de jaren is het boek er voor mij niet veel leesbaarder op geworden, de ‘ongeveer 1500 wijzigingen’ en correcties van de biograaf ten spijt. De meest vileine typering ervan komt van Gerard Reve, die in een interview met zichzelf, opgenomen in Tien vrolijke verhalen (1961), het volgende zegt: ‘Het geschrijf van Schierbeek is woordkakkerij. Dat heb ik hem zelf vaak genoeg gezegd, maar het heeft niet geholpen.’ Het is niet moeilijk om te begrijpen waarom juist die opmerking zo lang is blijven plakken: in vergelijking met de beste gedichten van Lucebert en Kouwenaar doet Schierbeeks prozapoëzie toch enigszins onmatig, repetitief en ongecontroleerd aan.

Desondanks kon het werk altijd op bewonderaars rekenen. Ilja Leonard Pfeijffer en Marcel Möring bijvoorbeeld, en ook gerenommeerde jongere dichters als Radna Fabias, Joost Baars en Frank Keizer hebben Schierbeek de afgelopen jaren geciteerd of geprezen. Het verbaasde me daarom dat Boomsma net als veel andere biografen de aandrang voelde om op te treden als de knokploeg van zijn held, die hij consequent ‘Bert’ noemt om hun persoonlijke band te onderstrepen. Negatieve oordelen van critici komen voort uit hun ‘weerzin (…) tegenover “experimenteel proza”’ en worden terzijde geschoven, terughoudende collega’s zijn gewoon jaloers. Niet bijzonder overtuigend, vooral omdat daarnaast wordt verteld dat Schierbeeks uitgever vier romans van hem weigerde, Het boek Ik alleen na veel jengelen en aandringen wilde drukken, hem microscopische voorschotten gaf en zijn latere manuscripten geregeld jaren op de plank liet liggen. Zelfs zijn kompanen waren zelden ongeremd complimenteus: uiteindelijk was Schierbeek meer de ‘spreekbuis’ en pleitbezorger van de groep dan de vedette.

Waarom hem dan niet in die hoedanigheid eren? Dat hij door internationale belangstelling voor zijn bezigheden door Mexico, China, Indonesië en de Verenigde Staten kon reizen is op zichzelf uitzonderlijk en boeiend genoeg, net als het feit dat hij samenwerkte met grote kunstenaars als Willem de Kooning, Lotti van der Gaag, Karel Appel en Walasse Ting. Schierbeek leidde onvervaard het vrijgevochten artistieke leven waar hij als puber al naar verlangde; hij hield zich niet op de achtergrond, maar stond er pal midden in. Kijk maar naar de foto.