Soestdijk en de erfenis van Lodewijk Napoleon

Paleis Soestdijk: Vive le roi!

Paleis Soestdijk is open voor het publiek. Het paleis is het resultaat van een ambitieus project, geïnitieerd door koning Lodewijk Napoleon en uitgevoerd door Nederlandse architecten. Door de Oranje stolp, die er twee eeuwen lang overheen zat, is dat bijzondere ensemble grotendeels behouden gebleven.

De kunsthistorische klasse van Soestdijk zal de meeste bezoekers worst zijn. Zij komen voor het Oranje-gevoel. Zij kunnen dat fameuze défilé-bordes eens van de andere kant zien, en vanachter een stukje lambrisering zal ze de groeistreepjes van zes generaties Oranje-kinderen worden getoond. Veel meer petite histoire is er niet. Het paleis is het koninklijk huis in een notendop: bescheiden sier, bescheiden pretenties, ondiep. Je kijkt er zo doorheen.

Het verlangen íets te ervaren van de lange aanwezigheid (1937-2004) van prins Bernhard en prinses Juliana is begrijpelijk, want wie het paleis nadert voelt hoezeer het beeld van dat witte blok met die bordestrap en die sierlijk gebogen colonnades verbonden is met de emotionele resonantie die het koninklijk huis in Nederland heeft – of hád, beter gezegd, want dit is het huis van de fietsende monarch, Juliana. Het is bij uitstek het tableau van de democratisering van de monarchie, de omslag van hooghartig naar familiair die Juliana bevocht in haar krampachtige en verdrietige strijd om toch vooral ‘gewoon’ te worden behandeld, in een ‘gewoon’ gezin met een ‘gewoon’ huishouden en ‘gewone’ fietsen. In die zin is de bordestrap, de plek waar die verandering zich voltrok, een heuse lieu de mémoire.

Van de privé-vertrekken van Bernhard en Juliana is alleen de eetkamer intact te zien, in 1937 ingericht in de speciaal voor het jonge paar verbouwde vleugel. Hun werkkamers zijn leeg en fris opgeschilderd; in de gangen hangt alleen een enkel detail, wat jachttrofeeën. Meer niet, en dat is maar goed ook: hier leefden uiteindelijk twee stokoude mensen, die geheel op elkaar uitgekeken waren en tobden met hun gezondheid. Het is kies dat daarvan weinig wordt getoond.

De kern van het gebouw is zeventiende-eeuws, een jachthuis van stadhouder Willem III, gebouwd door Maurits Post in 1674. In het Rampjaar was Oranje teruggekeerd in het centrum van de macht, maar die macht moest bevestigd worden; met de aankoop van het landgoed Soestdijk werd Willem lid van de Utrechtse ridderschap en verwierf zich aldus een machtsbasis die veel belangrijker was dan wat hij met dat huis aankon. Het werd weliswaar fraai ingericht en omringd met formele tuinen, en er werd gejaagd, maar het huis was te klein voor een formele hofhouding, zeker voor die van de Engelse koningsdochter die Willem in 1677 trouwde. Na dat huwelijk ging alle aandacht naar Het Loo, dat uitgroeide tot een werkelijk aanzienlijk zomerverblijf, showcase van Willems hofstijl en dynastieke ambities. Na zijn dood in 1702 gebeurde er op Soestdijk weinig tot niets. Willem IV en V hielden het huis aan, als af-en-toe-verblijf, en als politieke positie.

Soestdijk herleefde pas onder Lodewijk Napoleon, die zich na zijn verheffing tot Koning der Nederlanden meester maakte van het bezit van de Oranjes, dat in 1795 door de revolutionairen was geconfisqueerd. In Soestdijk ging ‘architecte du roi’ Jean Thibault aan het werk. De Fransen vonden het zeventiende-eeuwse huis maar niks: ‘Een simpele en zeer bescheiden woning, nogal ontoepasselijk getooid met de benaming “kasteel”; niets is minder aangenaam dan dit bakstenen gebouw, waarvan de appartementen zeer slecht gesitueerd zijn.’ Thibault – die in Parijs wel beter gewend was – had een bijna onmogelijke taak. Degelijke architecten die in de moderne stijl van het empire konden werken waren in Nederland nauwelijks te vinden. Meubels van behoorlijke kwaliteit werden er bijna niet gemaakt en door het Continentaal Stelsel was de import van mahonie schaars. Het grillige humeur van de koning maakte het er allemaal niet makkelijker op.

Over Lodewijk Napoleon (en zijn uitspraak van het woord ‘koning’) mag de populaire geschiedenis zich graag vrolijk maken, maar de impuls die hij gaf aan de Nederlandse cultuur was van groot belang. Het Rijksmuseum, de Academie van Wetenschappen, de Prix de Rome, de Koninklijke Bibliotheek, de Maatschappij voor Toonkunst – ze zijn allemaal op Lodewijks conto bij te schrijven. Om in de schaarste aan behoorlijke kunstenaars en architecten te voorzien stuurde de koning een heel peloton getalenteerde Nederlanders naar Parijs en Rome. Daaronder waren, bijvoorbeeld, Jan de Greef (1784-1834) en Zeger Reijers (1790-1857), die hun bouwkundige opleiding mochten voltooien bij Charles Percier, ‘architecte de l’empéreur’, en bij J.N.L. Durand, directeur van de Parijse Ecole Polytechnique. Durand was een ingenieur-architect, die de samenhang tussen bouwkunde en bouwkunst uitdroeg. Niet schoonheid maar nut was het doel van bouwkunst. Symmetrie en regelmaat waren de beste middelen om dat te bereiken; schoonheid zou door de juiste rangschikking van de verschillende onderdelen vanzelf ontstaan. Die onderdelen konden met een gerust hart worden overgenomen van oudere, bestaande gebouwen; eenmaal witgepleisterd werd alles één coherent geheel. In die geest werd Soestdijk onder Lodewijk Napoleon door Thibault gerenoveerd en uitgebreid. Toen het régime in 1813 veranderde, en de Oranjes terugkeerden, zouden het de élèves van Lodewijk Napoleon zijn die het gebouw in stijl vervolmaakten.

Dat was een zaak van nationaal prestige. Op 8 juli 1815 vaardigde koning Willem I de ‘wet van Soestdijk’ uit, waarin werd bepaald dat het huis zou worden verbouwd voor de kroonprins, Willem II, die het gebouw (en twee paleizen in België) van ‘het dankbare Nederlandse volk’ ten geschenke had gekregen vanwege zijn heldhaftige optreden bij het verslaan van Napoleon. Op het domein zou ook een gedenkzuil worden opgericht ter herinnering aan de slag bij Quatre-Bras. Volgens Artikel 2 van de wet moest het jachtslot ‘ten koste van den lande in bewoonbare staat gebragt en gemeubileerd worden’.

De koning bemoeide zich zelf met de aanstelling van een geschikte architect. Bartolt Ziesenis was bezig met de verbouwing van Paleis Noordeinde in Den Haag; de Amsterdamse stadsbouwmeester Abraham van der Hart bedankte voor de eer, vanwege zijn hoge leeftijd, en dus kreeg de lichting jonge architecten, teruggekeerd uit Parijs, de belangrijke posten. Jan de Greef werd aangesteld voor Soestdijk; in 1816 droeg hij de dagelijkse leiding over aan Zeger Reijers, omdat De Greef Ziesenis opvolgde bij de verbouwing van Paleis Noordeinde.

De Greefs werk borduurde voort op wat Thibault begonnen was. Er werden twee lage zijvleugels opgetrokken, evenwijdig aan het zeventiende-eeuwse huis, die aansloten op lange gebogen colonnades. Aan de tuinzijde ontwierp De Greef passages die de zalen van Lodewijk Napoleon verbonden met de nieuwe vleugels. De Greef ontwierp ook een fraaie witte eetkamer, en hij schiep centraal in het gebouw een grote elegante ontvangstzaal. De inrichting van een empire-vertrek had vooral een architecturaal karakter. De juiste verhoudingen bepaalden alles. Meubilair was onderdeel van de aankleding, en het gebruik kwam op de tweede plaats. De Greef was verantwoordelijk voor de vormgeving van de complete inrichting – het meubilair, de gordijnen, de kachels, alle verdere decoraties. Voor de uitvoering werden luxueuze materialen gebruikt: dieprood mahoniehout, verguld brons, verschillende soorten marmer, glanzende zijde en satijn.

Een groot deel van De Greefs werk voor Soestdijk is nog ter plekke bewaard en vormt een vrijwel uniek ensemble van het Nederlandse empire. De waarde ervan wordt nog vergroot doordat twee zalen werden gewijd aan de verrichtingen van Willem II bij Quatre-Bras en Waterloo en tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Het was vooral Anna Paulowna, Willems echtgenote, die het paleis zo opwaardeerde tot een monument voor haar man en zijn familie. Die vertrekken zijn nog geheel intact. Ook de gedenkzuil voor Quatre-Bras staat er nog, aan de overkant van de weg.

Tegelijk met De Greef kreeg Jan David Zocher sr. (1763-1817) de opdracht om het park in landschapsstijl te ontwerpen en aan te leggen, maar Zocher overleed in 1817, en zijn zoon, Jan David Zocher jr. (1790-1870) volgde hem op. Ook deze Zocher jr. had met Reijers en De Greef in Parijs gestudeerd. Het is ironisch dat Soestdijk werd voltooid door drie architecten die hun opleiding hadden te danken aan Lodewijk Napoleon, en nu hun beste krachten gaven aan een monument voor Willem II, die zo had bijgedragen aan Napoleons nederlaag.

Het park van de Zochers is het grootste en misschien wel belangrijkste kunstwerk van het paleiscomplex. Zocher sr. kende het park al uit de tijd van prins Willem V, die na zijn huwelijk met Wilhelmina van Pruisen de tuin in de toen vooruitstrevende landschapsstijl wilde laten aanleggen. Willem V liet zijn eigen stadhouderlijke architect, Philips Schonk (1735-1823), plannen maken voor Het Loo en Soestdijk, dat in 1779 aan de beurt kwam. Later werd de ‘boschgardenier’ Johan Georg Michaël (1738-1800) door de prins als ‘jardinier-architecte’ op Het Loo aangesteld, waarmee het begrip ‘tuinman-architect’ als zelfstandige artistieke discipline in Nederland zijn intrede deed.

Johan David Zocher sr. was met een van de dochters van Johan Michaël getrouwd. Ze kregen negen kinderen, waarvan Karel en Jan David jr. ook bekend werden als architect en tuinarchitect. De Zocher-clan zou in de negentiende eeuw verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van de landschapsstijl in heel Nederland, niet alleen bij buitenhuizen, maar ook in publieke parken, zoals het Vondelpark, en op ontmantelde stadswallen (singels). Zochers ontwerp voor Soestdijk bestaat niet meer, maar het park zelf wel, en dat is grotendeels onveranderd gebleven. Zelfs de oorspronkelijke ‘follies’ zijn deels nog aanwezig.

De verbouwing van het paleis zou zeven jaar in beslag nemen en de kosten liepen op tot het astronomische bedrag van meer dan een half miljoen gulden. Prins Willem en Anna Paulowna, die in 1816 getrouwd waren, betrokken het paleis in mei 1818, toen de werkzaamheden nog lang niet voltooid waren. Op 2 augustus 1818 werd op Soestdijk voor het eerst een Oranje geboren, prins Alexander, het tweede kind van het kroonprinselijk paar, op 13 juni 1820 gevolgd door prins Hendrik, bijgenaamd ‘de Zeevaarder’. Hendrik zou na de dood van zijn moeder in 1865 Soestdijk als pied-à-terre gebruiken. Na hem volgden koningin Emma en koningin Juliana.

Het was Emma, overigens, die ter gelegenheid van haar verjaardag in augustus de gewoonte van het défilé instelde, en daarbij het bioscoopjournaal uitnodigde. Waarmee de carrière van het witte exterieur van Soestdijk als het vriendelijke gezicht van het Nederlandse koningshuis begon. Met dank aan Lodewijk Napoleon.

Paleis Soestdijk kan alleen in een groepsrondleiding worden bezocht, en kaarten daarvoor kunnen alleen via de website www.paleissoestdijk.nl worden besteld. Toegangskaarten voor alleen het park zijn ook aan de kassa in Soestdijk verkrijgbaar. Het Paleis en het park zijn op maandagen gesloten