Palestijnse krotten

Aan de verveloosheid en het niet opgehaalde huisvuil merk je al dat dit het ‘Arabische’ deel van Jeruzalem moet zijn. Een stadswandeling langs Palestijnse krotten en streng bewaakte joodse panden.
JERUZALEM - De grens lag precies in de bocht van de straat. Ter hoogte van het huis met nummer zeven staat nog een stille ooggetuige. Het bovenste stuk van dit gedenkteken is echter verdwenen, weggeschoten tijdens de Zesdaagse Oorlog. Een half verweerd en afgebladderd betonnen paaltje geeft de plek aan waar tot 1967 de grens tussen Israel en Jordanie liep. Die grens bestaat allang niet meer. De met beton gevulde olieblikken, de metershoge prikkeldraadversperringen en de houten wachttorens, ze zijn allemaal al jaren geleden opgeruimd. De fysieke muur die het oostelijke, Jordaanse, deel van Jeruzalem scheidde van het Israelische westelijke is in de loop van dertig jaar geheel verdwenen.

De scheiding tussen de stadsdelen en de bevolkingsgroepen is echter nooit opgeheven. De kloof tussen de twee delen van Jeruzalem is zelfs groter dan ooit. Het gladde asfalt van West-Jeruzalem verandert na ongeveer honderd meter in een gescheurd wegdek vol gaten. Keurig onderhouden huizen met rode pannendaken maken plaats voor verveloze woningen met platte daken. Nergens is de scheiding tussen de twee Jeruzalems zo scherp als in de Rogelstreet. Deze straat begint in het joodse deel van de stad, vlak buiten de muren van de oude stad. Vandaar daalt hij met een paar bochten naar beneden in de richting van de vallei van Kidron.
De eerste paar huizen behoren nog tot het westelijke, joodse Jeruzalem. De rest van de straat behoort tot het Palestijnse deel van de stad. Het verveloze grenspaaltje heeft zijn functie nog niet helemaal verloren. Maar zelfs zonder dit verwaarloosde gedenkteken is in een oogopslag duidelijk waar de scheidslijn loopt.
DE ENIGE VUILCONTAINER van Rogelstreet staat voor het laatste joodse huis. In Abu Torr, de Arabische wijk, ontbreken vuilnisbakken geheel. Daar wordt het huisvuil niet meer opgehaald. En wie hier ’s nachts komt, ontdekt dat ook de openbare verlichting er ontbreekt. ‘Zulke voorzieningen zijn blijkbaar voor ons niet van belang’, verzucht Mohammed Tufadji, een bewoner van een huis in het Arabische deel van de straat, gelaten. 'Nu zou dat allemaal niet zo erg zijn als we er zelf voor konden zorgen, maar dat wordt ons ook onmogelijk gemaakt.’
De woningen in Abu Tor en Silwan, eveneens een Palestijnse wijk, hebben niet alleen een verveloze buitenkant. Mohammed: 'Weet je waarom je hier zoveel slechte woningen ziet? Heus niet omdat wij Palestijnen zo graag in krotten wonen zoals sommige joden wel beweren. Gewoon omdat de Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem voor elke verbouwing een vergunning nodig hebben. En die moeten ze vragen aan de Israelische autoriteiten. In negen van de tien gevallen krijgen ze die niet. Ik ken mensen die al zes jaar wachten op een vergunning om hun dak te vervangen. Elke keer is er weer wat. Je wordt er gek van. En dat is natuurlijk wat ze willen.’
Talloos zijn de verhalen over machtsmisbruik en onverschilligheid van de Israelische bezetters. Ze gaan over kleine pesterijen, zoals in het geval van Abu Ahmed, een winkelier in de oude stad, die gearresteerd werd toen hij aan zijn huis aan het werk was. Hij bleek zelfs voor zijn zaag en boormachine een vergunning nodig te hebben.
De verhalen gaan ook over ernstiger zaken, zoals de nalatigheid van de politie en de brandweer. Bij een aantal recente branden in Silwan en elders in de bezette gebieden zouden die er eindeloos over hebben gedaan voordat ze ter plekke waren. Met het gevolg dat een aantal Palestijnse huizen tot op de grond afbrandde. Bij deze branden waren ook een aantal gewonden te betreuren.
Officieel is de Israelische politie verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde in Oost-Jeruzalem. In de praktijk lijkt daar echter weinig van terrecht te komen. Mohammed Tufadji: 'De meeste zaken zoals diefstal, vechtpartijen en kleine criminaliteit worden hier onderling afgehandeld. Daar hebben wij de Israelische politie niet voor nodig. Nog afgezien van het feit dat ze hier toch niet komen.’
Het scepticisme van Mohammed heeft enige grond. Nog geen drie weken geleden werd zijn 83-jarige vader aan de rand van Abu Tor door een joodse man aangevallen en neergestoken. 'De politie wilde in eerste instantie niet eens komen. Het was dat een Israelische buurvrouw die boven aan de straat woont er op aan drong. En naar de dader hebben ze ook niet erg fanatiek gezocht.’
DAARNAAST IS ER nog het oprukken van de Israelische bevolking in de Palestijnse buurten. 'De Israelische autoriteiten volgen bij hun infiltratie in het bezette gebied van Jeruzalem twee tactieken. Allereerst de ordinaire confiscatie. Sinds het begin van de jaren zeventig heeft de Israelische overheid daarin een actief beleid gevoerd. Het ging daarbij zogenaamd om teruggave van oorspronkelijk joods bezit: alle woningen en grond die voor 1948 als joods waren geregistreerd, zijn sindsdien geconfisqueerd.’
Ali Ben Jeddah, een Palestijnse activist, organiseert alternatieve rondleidingen in de oude binnenstad van Jeruzalem. Hij wil vooral aan toeristen laten zien hoe joden langzamerhand het christelijke en islamitische deel ervan binnentrekken. Ali kan tientallen panden aanwijzen waaruit sinds 1970 de Palestijnse inwoners zijn verdreven. 'En meestal onder dwang.’ In al die panden bevinden zich sindsdien instellingen van orthodox-joodse signatuur: jesjiva’s, synagogen of andere religieuze instellingen.
'Daarnaast is er de economische pressie. Er worden, vooral hier in de oude stad, enorme bedragen geboden aan huiseigenaren die in financiele moeilijkheden verkeren, soms wel tot vier of vijf keer de normale waarde. Zulke transacties zorgen ervoor dat steeds meer zaken in joodse handen overgaan. Soms met behulp van buitenlandse tussenpersonen. Zo werd een enorm complex midden in de oude stad via een Panamese makelaar aan een groep extreem- orthodoxe joden in Amerika verkocht. Die hebben er nu hun centrum gevestigd.’
Een korte wandeling onder Ali’s leiding voert langs vele Israelische voorposten. Voor een winkel waar joodse parafernalia worden verkocht, zitten drie gewapende militairen. Aan de gevel hangen vier enorme geluidsboxen. Ali: 'Deze winkel ligt vlak naast een moskee. Dus stationeren ze er extra militairen. En die grote boxen zijn alleen maar bedoeld om de oproep tot het gebed te verstoren.’ Inderdaad, op het moment dat de eerste klanken van de minaret komen, snelt de winkelier naar binnen en even later galmt het joodse volkslied door de smalle straat.
Een straat verderop komt een colonne gewapende mannen ons tegemoet. Ze omringen een groepje vrouwen met kinderwagens. 'Kijk, zo gaan ze door onze buurten. Het is pure provocatie. En als we er wat van zeggen, zijn wij de terroristen.’
Midden in de Arabische wijk heeft ex- minister van Defensie Sharon een heel pand in bezit genomen. Langs de muren hangen gigantische Israelische vlaggen en op het dak prijkt een enorme zevenarmige kandelaar, symbool van het joodse geloof. Ali: 'Het hele pand staat leeg. Hij heeft er nog geen nacht geslapen.’ Maar het wordt wel dag en nacht bewaakt door een peloton zwaar bewapende militairen. 'Zulke panden vormen een goede reden om met hun militairen permanent in de oude stad aanwezig te zijn. En als de onderhandelingen over de status van Jeruzalem volgend jaar beginnen, hebben ze een extra troef in handen: “Er wonen zoveel joden in de oude stad en Sharon heeft daar een huis, dat kunnen we niet zomaar onbewaakt laten.” Zelfs als dit deel van de stad ooit weer bij Palestina komt te horen, zullen ze daarom hun militairen daar toch gestationeerd willen houden.’