KUNST: Wim Crouwel

Paneermeel van De Gruyter

De ontvangst van de tentoonstelling Wim Crouwel: A Graphic Odyssey in Design Museum in Londen was zeer goed. ‘An exhibition that anyone with the remotest interest in typography and graphic design will find utterly engrossing’, schreef Jonathan Glancey in The Guardian, waarna zijn collega Johny Davis Crouwel typeerde als: ‘probably the most respected typographer/graphic designer the world has ever known’.

Medium postzegels

Het Stedelijk Museum Amsterdam heeft de tentoonstelling overgenomen, en ofschoon Crouwel daarvoor passend is bewierookt is de buzz rond de Amsterdamse presentatie toch wat bedaagder. Misschien komt dat omdat wij die Crouwel en zijn bureau, Total Design, al zo lang kennen. Toch, wie de tentoonstelling ziet moet zich wel verbazen over de reikwijdte van zijn praktijk in Nederland. Er doemt een compleet beeld op van het dagelijks leven in dit land in de laatste vijftig jaar: de logo’s van Teleac, Auping, Friesland Bank, Bouwfonds, IBM, de huisstijl van De Gruyter (ook op pakjes paneermeel), PTT-telefoonboeken, postzegels, om nog te zwijgen over de affiches van het Stedelijk en het Van Abbe, ontwerpen voor kalenders en geboortekaartjes, boekjes, brochures, letterontwerpen et cetera.

Dat alles getuigt van een opmerkelijk consistente visie. Die heeft een ‘Zwitserse’ oorsprong. Crouwel raakte in de jaren vijftig gefascineerd door de schone, zuivere, niet-autoritaire typografie die in Zwitserland opgang deed en die geworteld was in de filosofieën van het Bauhaus, met nadruk op functionaliteit, zakelijkheid, eerlijk materiaalgebruik én aandacht voor een meer democratische verhouding tussen ontwerper, opdrachtgever en gebruiker.
Dat Crouwel nu op gevorderde leeftijd zo zeer wordt geprezen past in de belangstelling voor dit soort introvert en 'tijdloos’ design. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de documentaire van Gary Hustwit over het lettertype Helvetica, en uit de herwaardering van het werk van Dieter Rams, die decennialang de producten van Braun vormgaf. Ook dat was zo'n sobere vormgever, die voorwerpen ontwierp met 'discrete elegantie’, bijna altijd in grijs. Crouwel heeft hetzelfde kalme palet, en zijn ontwerpen gaan vrijwel altijd uit van de letter, niet van het plaatje. Hij is echter wel degelijk een estheet, en een intuïtieve, niet-mechanische ontwerper. 'De machine kan nooit de precisie van het menselijk oog en het menselijk gevoel vervangen’, zei hij ooit. Ook die connectie met 'de vaste hand’, het ambacht van graficus en letterontwerper, maakt hem nu relevant.

Er was ooit een dip, in die bewondering. Dat was in de late jaren zeventig, toen opiniemakers als Rubinstein en Komrij gal spuwden over alles wat zij grijs, saai, monotoon en lelijk vonden. Zij hadden een punt: het 'oude’ modernisme van Crouwel, of van architecten als Vegter en Van Gool, was al zo lang de rigueur. Komrij schreef in Het boze oog (1983): 'Bouwwerken die er louter voor het genot zijn, details van architectuur die het amusement, de emotie en de verstandsverbijstering stimuleren, zijn schaars. Elke verrassing moet dichtgepleisterd, elke uitstulping omgebogen, elke incongruentie rechtgetrokken. Functioneel moet alles zijn.’ Dat gold ook voor het grafisch ontwerp. De critici kregen hun zin. Een periode van frivool, barok, kleurig en 'wild’ ontwerpen brak aan - en ging weer voorbij.
In het Stedelijk zijn die tegenhangers (vrijwel) niet te zien. Daardoor versterkt de tentoonstelling het gevoel dat Crouwels werk een zekere onafwendbaarheid bezit, dat het heeft overleefd omdat het gewoon niet anders had kúnnen zijn, dat het raakt aan essentiële punten in 'hoe wij de wereld graag ingericht zien’. Die pakjes paneermeel van De Gruyter, die postzegels van tien cent met 'nederland’ geheel in onderkast: dat zíjn wij.

Wim Crouwel: Een grafische ontdekkingsreis. Stedelijk Museum, Amsterdam, t/m 9 oktober. www.stedelijk.nl