JOHAN DE BOOSE, BLOEDGETUIGEN

Paniek in een paardentram

Bloedgetuigen heeft een dynamische hectiek die helemaal past bij de veelkoppige revolutie in het hart van de twintigste eeuw.

Johan de Boose, Bloedgetuigen, € 29,95

Medium 9789085422655

Zelden verschijnt er een roman als Johan de Boose’s Bloedgetuigen, een bloedrode baksteen, meer dan zevenhonderd pagina’s binnen een rode kaft, met roodgekleurde paginaranden. The medium is the message: deze roman gaat over de wereldoorlogen van de twintigste eeuw, bloed aan uw handen. Meteen als je het openslaat tref je maar liefst twee pagina’s aan motto’s, variërend van J.W. Goethe tot Jonathan Littell en Amos Oz, allemaal over de illusies die ons tot oorlog drijven. Drempels zijn wel eens minder hoog geweest.

Johan de Boose (Gent, 1962) is slavist, gepromoveerd op de Poolse avant-gardekunst (ik lepel hier Wikipedia op), zijn bibliografie telt inmiddels een flink aantal titels, poëzie, fictie en non-fictie, maar met dit totaalboek zal hij zich eindelijk aan het grote publiek opdringen, want Bloedgetuigen is van het type waar je niet onderuit kunt. Het boek zelf is een triptiek van familiekronieken. Allereerst over de Vlaamse familie Martin, die tussen de Walen en franskiljons naar een eigen identiteit, taal en cultuur verlangt, en steeds actievere flaminganten wordt, en uiteindelijk met de Duitsers collaboreert. Zoon Jean, ingegeven door de sterke verhalen over Léon Degrelle en jongensboeken als Tijl Uilenspiegel en De Leeuw van Vlaanderen, sluit zich bij het Vlaamse SS-Legioen aan (een regiment dat niet blijkt te bestaan) en marcheert blijmoedig naar Rusland: ‘De geschiedenis reikte me een geschenk en lachte me lokkend toe. (…) Het bericht luidde: Barbarossa.’

Daarnaast staat het verhaal van de ballerina Kamila, en haar ouders, die na de revolutie haar dromen van liefde en kunst uiteen ziet spatten in een omsingeld, uitgehongerd Leningrad. Het is een verhaal van overleven, tussen de zelfmoorden, de aanrandingen, tussen de excentriekelingen die als kunstenaars beginnen en als waanzinnigen eindigen. Er is de vader-en-zoonkroniek van de familie Sterrenberg, misschien het meest gevoelige deel, over Ephraim en zijn zoon Ljev, 'Leeuwtje’. Aan het begin van de eeuw is Ephraim een civiel ingenieur, een plichtsgetrouwe, goedgemutste jood die 'zijn hoofd buigt wanneer het moet’. Eenmaal zag hij de tsaar, Gods gezant op aarde, in levende lijve, een kopje thee drinken in diens privé-treinwagon in Vladivostok. Hij droeg een goudgebiesd kostuum en hoewel een hofjonker Ephraim hardhandig wegbonjourde, geloofde Ephraim vanaf dat moment heilig in het sterrenstof van de Romanov-dynastie en begon een plakalbum bij te houden met memorabilia.

Na de revolutie vindt de bolsjewistische geheime dienst zijn plakboek - genoeg om hem een tijdje naar Siberië te sturen. De tsaar verdwijnt snel uit het collectief geheugen van Rusland, en een generatie later houdt Ephraims enige (levende) kind Ljev een plakboek bij van alle heldendaden van de Revolutie. En als het Molotov-Ribbentroppact vervalt, staat Ljev te popelen om voor het Moederland te vechten, zoals zijn geliefde vriend ook al doet, en huilend concludeert Ephram dat hij Ljev niet meer kan tegenhouden: 'Waarom zou ik jou verbieden te dromen?’

En dan is er nog een vierde stem: de Twintigste Eeuw zelf, 'de rauwgepenetreerde slettenbak’, die ons hoogstpersoonlijk aanspreekt, een krijsend dronkenmansverhaal dat klinkt als Jonathan Littells monsternazi Max Aue op Red Bull en cocaïne, dat alle menselijke hoop en dromen keihard uitlacht en beschimpt en zegt zich nergens voor te schamen. 'Ik steek mijn vinger in mijn mond en trakteer u op mijn ziel.’

Dromen is het belangrijkste thema in Bloedgetuigen. Zoals het een fatsoenlijke ideeënroman betaamt, komen alle utopieën aan bod, de communistische, de fascistische, de idealistische - en worden dan weer getoetst aan opportunisme en het domme toeval. Elk personage van De Boose vertegenwoordigt een droom, en voor bijna iedereen eindigt die in mineur. Telkens als ze met goede intenties erop uitgaan, is daar die werkelijkheid als die deksel en die neus. Wanneer Jean Martin zijn vader uitlacht als hij in gevechtsuniform verschijnt (vader is een halfdove pennenlikker), waarschuwt hij hem dat ook hij straks zal worden opgeroepen. Als dat eenmaal zo ver is, banjeren Jean en zijn vrienden vrolijk door het platteland, ze bezatten zich, zingen liedjes, profiteren van de gastvrijheid van boerengezinnen. Als Jean wakker wordt van harde knallen aan de horizon kan hij zich bijna niet voorstellen dat het niet onweer is. De lijken liggen de volgende dag op een veldje naast de weg. De vraag is dan of De Boose, redelijk braafjes, meegaat in de utopiekritiek die je onder vrijwel alle actuele, invloedrijke denkers aantreft (van John Gray tot Slavoj Zizek en Julian Assange). Opvallend is het citaat op de mottopagina’s van de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen: 'De massa houdt van slagwoorden als meisjes van bonbons. De massa toetst nooit aan de werkelijkheid het ware of het valse in een slagwoord; zij neemt het slagwoord aan zoals het is, omdat zij van brio, van bravoure houdt. De waarheid heeft dus bij een slagwoord niets te zoeken, maar wel het brio.’

Het is opvallend, vind ik, omdat Bloedgetuigen juist niet over de massa gaat - en daarin wijkt het af van zoveel utopiekritiek. De heilstaatdromen worden niet als honing in het oor gegoten door volksmenners en andere demagogen, maar zijn stuk voor stuk zaadjes die langzaam, van binnenuit, in eigen tempo ontkiemen. Voor Jean Martin is zijn collaboratie iets dat in de familie zit, met schuld en schaamte, Ephraims tsaarsgezindheid komt voort uit een zuivere romantiek, zoals zijn zoons sovjetnationalisme door persoonlijke liefde is ingegeven. De geschiedenis vormt ons onherroepelijk, maar uiteindelijk waken we toch zelf over onze ziel. Eigenlijk doet De Boose dat wel heel mooi, heel invoelend, en laat hij zien hoe geweldig je fictie kunt inzetten in ideeëngeschiedenis.

Dat wil niet zeggen dat Bloedgetuigen een zuiver intellectueel werk is; waar de slavist De Boose ongetwijfeld een levenlange eruditie heeft ingepompt, streeft hij ook naar Hoge Literatuur, in gestileerd Grote-Schrijversproza: 'Wie kon er nou een met mausers en bajonetten voortstormende bende imbecielen toejuichen? De Revolutie, dat was de langstrekkende ruiterij, die met gouden trofeeën zwaaide, waarop bloedspatten zaten. De Revolutie, dat waren ijselijke kreten, glasscherven, romantische moordtonelen. De Revolutie, dat waren paleizen, die al twee eeuwen op de oever van de Neva stonden, en die nu met breekijzers uit het veen werden getild. De Revolutie, dat waren mensen, gehuld in zondagse kostuums, die werden uitgekleed en aan hun lot overgelaten. De Revolutie, dat was schorem, dat tot voor kort schuw over straat liep en als een knipmes boog voor iedere aristocraat, en dat nu schreeuwde: “Eindelijk is het jullie beurt om honger te lijden!”

De Revolutie, dat was de stilte op het Senaatsplein nadat er een vrouw was doodgeschoten en in de rivier achter de scheepswerf van de Admiraliteit was gesmeten, als een straathond. De Revolutie, dat waren mannetjes die applaudisseerden als er koppen rolden, en dat waren mensen die bang wegkropen omdat ze niet wisten welke wending de blinde terreur kon nemen. De Revolutie, dat was achtervolgingswaan: iedere voorbijganger was een potentiële beul of een potentieel slachtoffer. De Revolutie, dat was het lot dat draaide en draaide, als een weerhaan.’

Het zijn dit soort opsommingen die de gezwollen lyriek van De Boose kenmerken (en waardoor je ook begrijpt waarom het boek tot 736 bladzijden komt) in al zijn sterktes en tekortkomingen. Het vergt een speciaal soort talent om zevenhonderdplus pagina’s op het scherp van de snede te schrijven, zoals Jonathan Littell dat kan in De welwillenden, of zoals William T. Vollmann dat kan in het te weinig gelezen Europe Central (waar dit boek aanzienlijk meer aan doet denken dat aan het veelgenoemde De welwillenden); De Boose kan dat lang niet altijd. Neem het openingsbeeld van de Revolutie, als 'de langstrekkende ruiterij, die met gouden trofeeën zwaaide’, onder de bloedspatten. Die trofeeën met bloedspatten zijn duidelijk, maar zoiets adellijks als de ruiterij rijmt weer niet met zoiets essentieel volks als de socialistische revolutie. Een metaforische mismatch.

Je kunt nog wel meer op Bloedgetuigen aanmerken, zoals sommige recensenten al hebben gedaan, bijvoorbeeld dat De Boose wel heel veel namen gebruikt van schrijvers en bekendheden, zo achteloos dat het op name-dropping lijkt, of dat de drie verhalen zo los van elkaar staan dat je niet even makkelijk in het verhaal komt. Daaraan zou ik willen toevoegen dat de hysterische toon en overdreven foute grappen van 'de slettenbak’ gezocht en gewild literair overkomen ('Adolf Haakneusneuker’) - maar op zekere hoogte is het pennenwipperij om het boek daarop af te rekenen. De Boose wil geen boek schrijven waarbij je lekker achterover kunt liggen, een hoofdstukje voor het slapen gaan. Alle onvolkomenheden, alle abrupte eindes, de onophoudelijke stroom van namen en gezichten die opduiken en verdwijnen geven Bloedgetuigen juist een dynamische hectiek, die helemaal past bij de veelkoppige revolutie in het hart van de twintigste eeuw.

En elke keer als hij opveert uit zijn narratief om de grote wereldbrand vanuit de lucht te overzien, landt hij weer hardhandig. De Revolutie is ten slotte, zo eindigt De Boose zijn litanie, paniek in een paardentram wanneer een man die een boek zit te lezen zonder reden wordt bespuugd en afgeranseld, door jonge geüniformeerde dronkenlappen. Als hij de Internationale niet kan zingen schoppen ze hem de tanden uit de bek. Ephraim ziet het gebeuren en kan niets, behalve dan het boek oprapen dat de man las: God en de Staat van Michail Bakoenin, de negentiende-eeuwse grondlegger van het anarchisme. 'De jongens waren vast analfabeten, dacht Ephraim tegen beter weten in, want zonder die Bakoenin was er zelfs geen Revolutie geweest.’ In die continue tegenstelling tussen het abstracte en concrete, het woord en de daad, daar schuilt de waarde van Bloedgetuigen.

JOHAN DE BOOSE
BLOEDGETUIGEN
De Bezige Bij Antwerpen, 736 blz., € 29,95