BLUF! EN HET VERANDERDE MEDIALANDSCHAP  

Paniek in het land

Het verschijnsel van media lynching wordt steeds prominenter en frequenter. Het snel veranderende medialandschap en de opkomst van het internet zijn daar volgens Jaap van Ginneken debet aan. Waar blijft het andere geluid, zoals destijds van Bluf!?

KAMERLID WIJNAND DUYVENDAK van GroenLinks had zich duidelijk verkeken bij het versturen van een persbericht en het aankondigen van een persconferentie over zijn boek, waarin hij terugblikt op zijn actieverleden en zijn tijd als redacteur van Bluf! Minister Jacqueline Cramer (met twee c’s) van de PVDA was verrast dat ze de slipstream van de affaire werd binnengezogen. IJverige journalisten hadden ontdekt dat haar naam (met twee k’s) met 177 andere namen onder een steunbetuiging stond die moest voorkomen dat het blad zou worden vervolgd voor de openbaarmaking van vertrouwelijke stukken.
Vervelende omstandigheid: de stukken waren wederrechtelijk en door inbraak verkregen. Nog erger: de namen, adressen en telefoonnummers van ambtenaren waren gepubliceerd; die ambtenaren waren lastiggevallen en bedreigd. Wellicht worden er in de komende weken nog andere betrokkenen en dubieuze handelingen ontdekt. Want wakker Nederland heeft een lynching mob op pad gestuurd om oude openstaande rekeningen te vereffenen met milieuactivisten die al die jaren een pose van morele superioriteit aannamen.

Hoe gaat zoiets? De strekking van de berichtgeving wordt bepaald door drie overlappende processen, in vakjargon aangeduid als agenda setting, framing en (setting) limits to acceptable discourse. ‘Agenda setting’ betekent dat de media (samen met hun voorkeursbronnen) bepalen waaróver wij moeten nadenken en praten. Te midden van de honderden ingewikkelde en onhandelbare kwesties die zich dagelijks aandienen, is er immers slechts een klein aantal dat werkelijk indringende aandacht krijgt.
‘Framing’ betekent dat deze aandacht door de woord- en beeldkeuze binnen een bepaald raamwerk wordt geplaatst. ‘(Setting) limits to acceptable discourse’ houdt in dat daarbij impliciet bepaalde spreek- en handelwijzen als gewettigd worden aanvaard en herbevestigd, en andere juist als onbespreekbaar en onaanvaardbaar worden weggezet, hetgeen kan leiden tot een tegenstelling tussen ‘de onzen’ en ‘de hunnen’, die soms opeens tot een soort heksenjacht in het verre verleden leidt.
In hun boek Media Scandals noemen James Lull en Stephen Hineman een reeks criteria voor mediaschandalen. Sociale normen die de dominante moraal weergeven lijken overtreden door individuele personen die welbewust hebben gehandeld en verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Dit gegeven wordt bewerkt tot een ‘verhaal’ dat door de media breed in circulatie wordt gebracht en aanleiding geeft tot maatschappelijke discussie. De ene keer zijn het sterren die de fatsoensgrenzen nadrukkelijk opzoeken om extra aandacht en verkoop te genereren. De andere keer betreft het psychodrama’s rondom gemiddelde burgers.
Bij politieke schandalen gaat het echter om iets anders, stelt John Thompson in zijn boek Political Scandal: Power and Visibility in the Media Age. Het gaat over ‘een strijd om symbolische macht, waarbij de goede naam en het vertrouwen op het spel staan’. Het grote verschil tussen sterren, gewone burgers en politici is namelijk dat de laatsten voor hun functioneren afhankelijk zijn van het krediet dat zij van hun achterban en collega’s krijgen. Een politicus die dat krediet kwijtraakt, ineens of na een eindeloos voortslepende zaak, kan in die rol niet meer verder. Wijnand Duijvendak heeft dan ook besloten om eieren voor zijn geld te kiezen.
Maar soms beperkt zo’n rel zich niet tot een enkeling. Stanley Cohen schreef een moderne klassieker over morele paniek. ‘Een persoon of groep, episode of conditie komt naar voren als een bedreiging van sociale waarden en belangen. De aard ervan wordt op een gestileerde en stereotype manier door de media weergegeven. De morele barricaden worden bemand door redacteuren, politici, geestelijken en andere weldenkende lieden (…). De conditie verdwijnt dan (…) of wordt juist nog zichtbaarder. Soms is het voorwerp van paniek namelijk geheel nieuw. Op andere momenten is het iets dat al lang bestaat, maar nu opeens in de schijnwerpers wordt geplaatst.’ Zoals ook de steunbetuiging van een aantal bekende mensen, een generatie geleden, aan Bluf!.
Vaak is de rel vervlochten met een bredere kwestie, zoals de vraag of actievoerders uit de jaren zestig, zeventig en tachtig wel genoeg afstand hebben genomen van hun radicale verleden. Peter Vasterman promoveerde een paar jaar geleden op een mooi proefschrift over mediahypes. Hij onderzocht drie hoofdcases (zinloos geweld, seksueel misbruik en uitvergroting van gezondheidsrisico’s) en drie nevencases (de gekke-koeiencrisis, versterving in verpleeghuizen en een plaatselijke bestuurscrisis). Enerzijds ontdekte hij dat in die cases gaandeweg een verschuiving plaatsvond van rechtstreeks naar afgeleid nieuws. Anderzijds vond hij dat professionele standaarden steeds meer op de tocht kwamen te staan. De kritische en realiteitszin van journalisten namen tijdelijk af, om pas veel later in de debunking-fase weer terug te keren.

Het verschijnsel van media lynching lijkt de laatste jaren steeds prominenter en frequenter te worden. Door de alomvattende elektronisering zijn de dimensies van ruimte en tijd geïmplodeerd. Er is sprake van een voortschrijdende internationalisering door de toenemende afhankelijkheid van media-instellingen en beleggers uit de grotere taalgebieden, met name het Engels-Amerikaanse. Radicale maatschappijkritiek zoals die op het Europese continent bestond, is daarbij naar de zijlijn verdwenen. Daarnaast is sprake van ver-onmiddellijking: het steeds sneller rondzingen van berichten, liefst live en in real time, ook van heel voorlopige eerste schetsen, vaak ontstaan aan de hand van ingeburgerde clichés, bijvoorbeeld over actievoerders van vroeger.
Daarnaast zijn er drie andere grote trends die het medialandschap sinds de hoogtijdagen van het actieblad Bluf! ingrijpend hebben gewijzigd. De eerste grote verandering van de afgelopen twintig jaar was de voortschrijdende en verregaande commercialisering – en de zogeheten ontideologisering, die natuurlijk in feite gewoon een andersoortige ideologisering is. In Nederland waren er de ontkoppeling van de zuilen en het omhelzen van een eenvormig commercieel exploitatiemodel dat overwegend gericht is op consumptie. Daarbij zijn advertenties en niet langer publieksbijdragen de belangrijkste en meest richtinggevende inkomstenbron van de media geworden. (De Groene Amsterdammer is een steeds schaarser wordende uitzondering.) Achteraf de meest beslissende stap in die richting was de intrede van commerciële radio en vooral televisie: eerst in Groot-Brittannië, vervolgens ook op het Europese continent. In Nederland was er de toetreding van RTL in 1989 en SBS in 1995. Op zichzelf is er met commercie en reclame niets mis, als de pluriformiteit maar gewaarborgd blijft.
De intrede van de commerciële media vergrootte niet alleen de druk op de publieke zenders om in dezelfde logica te gaan denken – in ieder geval voor wat betreft de prime time avonduren, namelijk die van kijkcijfers en doelgroepen, Ster- en neveninkomsten. De concurrentiestrijd vergrootte ook de druk op de pers om een reclamevriendelijker Umfeld te scheppen. Dat werd het duidelijkst zichtbaar in de evolutie van de kleurenbijlagen en vooral de glossy magazines. In veel gevallen was het steeds vaker de beschikbaarheid van advertentiegeld die bepaalde of een redactionele formule wel of geen bestaansrecht had.

De tweede grote verandering in het medialandschap was de audiovisualisering. Tot de jaren tachtig waren pers en tekst toonaangevend geweest, met lineair opgebouwde betogen, voorzien van argumenten en documentatie, die zich leenden voor rationele ontleding en kritiek. Zelfs in journaals en actualiteitenrubrieken stond het vertoog aanvankelijk centraal, al werd dat steeds meer geïllustreerd met foto- en videoreportages. In de jaren negentig was er een kanteling. Televisiebeelden werden steeds meer de eerste ‘definieerders’ van het nieuws. Liefst spectaculaire beelden. Nieuwszenders als CNN pretendeerden zo ‘world history live’ te geven, maar dat was natuurlijk onzin. Hun items waren op allerlei manieren gearrangeerd en in de studio van een bepaalde strekking voorzien. Alleen waren ze nu voor de kijker volledig ondoorzichtig geworden en kon die zich er dus steeds moeilijker tegen schrapzetten. Het publiek dobberde stuurloos rond op een oceaan van slecht begrepen emoties. De steeds snellere en complexere montages van oud en nieuw materiaal door elkaar heen zijn vaak overweldigend, maar onttrekken zich aan systematische ontleding en kritiek. Pregnante oerbeelden kaapten steeds vaker het nieuws, ook internationaal, voorzagen het van een ideële strekking en namen pers en tekst in hun kielzog mee.
De derde wijziging in het medialandschap was de steeds verder gaande comprimering van het verhaal. Analyses die recht deden aan nuances en complexiteit van maatschappelijke vraagstukken werden verbannen naar de achtergrondpagina’s en de weekendbijlagen van een paar kwaliteitsdagbladen, maar door ontlezing en ‘tijdgebrek’ bereikten die in feite een sterk krimpende groep. Veel jongeren bladerden hooguit nog wat in de gratis treinkranten, in feite reclamefolders met een paar ANP-berichten erin. Ook de opinieweekbladen krompen en moesten soms hun formule aanpassen.
Radio- en tv-journaals bestonden uit items van vijftien tot dertig seconden, net genoeg om stereotiepe voorstellingswijzen te bevestigen, nooit genoeg om ze overtuigend te ontkrachten. Actualiteitenprogramma’s werden sneller en vluchtiger, grondige documentaires werden schaarser en verbannen naar de nacht, soms met een herhaling midden op de dag. Zij werden vervangen door talkshows op alle zenders, met veel borrelpraat over de waan van het moment en vaak slechts gevoed door de koppen en openingen van de journaals en de voorpagina’s van de vorige dag, in een rondgierende wekelijkse draaimolen van hypes en scares.
Die openingen moesten dus liefst in honderd woorden meteen een overweldigende indruk maken. Ingewikkelde kwesties moesten gereduceerd worden tot dat éne klassiek-compacte oerverhaal van blame and praise, van sprookjes over slechteriken en goeieriken. Echte onderzoeksjournalistiek over structurele wantoestanden was duur en schaars. Binnenlands ging het aldus over telkens nieuwe Haagse relletjes en schandaaltjes, buitenlands over onbegrijpelijke wantoestanden in andere culturen en ‘het monster van de maand’.
Daar kwam nog iets anders bij. De traditionele media waren het contact met belangrijke publieksgroepen inderdaad verloren. Waar de veranderingen onder hoogopgeleiden vertraagd en versluierd waren opgetreden, zetten ze onder lager opgeleiden versneld en veel dramatischer door. Die voelden zich daardoor in toenemende mate vervreemd van de mooipratende en overlappende incestueuze wereldjes van ‘de Gooische matras’, ‘het Binnenhof’ en ‘de Grachtengordel’. In de oude wijken schoot zo het populisme wortel.
Maar ook jongeren herkenden zich als gezegd steeds minder in het traditionele aanbod. Tot wanhoop van adverteerders en mediaplanners, want jongeren zijn natuurlijk de meest gewilde doelgroep: koopgraag, met hun leven en alle aanschaf vóór zich. Dat leidde ook tot experimenten met radicaal nieuwe formats als trash tv en reality soaps. Waarbij de schijnbaar duidelijke oude tegenstellingen tussen producenten en consumenten, publiek en privé, feit en fictie, werden doorbroken.
Tegelijk was er de opkomst van pseudo-nieuws inzake entertainment en trivia. De roddelbladen verschenen op hun hoogtepunt in meer dan een miljoen exemplaren, gingen van hand tot hand en bereikten zo meerdere miljoenen lezers. Andere bladen hadden steeds vaker soortgelijke items en ook de serieuze dagbladen kwamen met people- en human interest-rubriekjes over ditjes en datjes. Aanvankelijk ging het vooral om Nederlandse soapsterren en Hollywood-filmsterren die door de tv-kijkers als lid van het huisgezin werden zien. Maar geleidelijk kwamen ook de privé-perikelen van andere openbare figuren, zoals politici, steeds meer in beeld. Tipgevers uit horecagelegenheden op de paar vierkante kilometer van het land waar BN’ers zich in kluitjes ophielden, kregen zo een aardige bijverdienste.

Ondertussen overschreed rond de millenniumwisseling de verspreiding en invulling van het internet een kritische grens. Dat had tegenstrijdige effecten. Enerzijds kwam steeds meer informatie on line beschikbaar, anderzijds werden de meest luidruchtigen vaak nóg meer de agenda setters. Iedereen kon nu weliswaar een eigen website en weblog beginnen, de meest succesvolle voorbeelden werden al snel opgekocht door de grote spelers, zoals GeenStijl.nl door De Telegraaf. Enerzijds was nu citizen journalism mogelijk door omstanders met mobieltjes, anderzijds kwamen de vroegere professionele standaarden verder onder druk te staan.
Eén manier om je ertussen te wringen en aandacht te genereren bleek namelijk ‘pushing the limits’: met roddel- en scheldsites steeds opnieuw de grenzen opzoeken. Dat gebeurde onder andere door de empowerment van een groeiende meute anonieme relschoppers op het internet die systematisch namen, adressen en telefoonnummers van mikpunten bekendmaakten, maar nu tevens vooroplopen in de golf van morele verontwaardiging over die verwijtbare praktijk bij Bluf!. Scheldkanonnades gingen op het internet over in concrete bedreigingen, in het verlengde daarvan kwamen de poep- en kogelbrieven op. Een op hol geslagen meute van skinheads, voetbalvandalen en anderen.
Terwijl sommige media de burger in toenemende mate tot simpele consument hadden gereduceerd, werd de politiek verder uitgehold. De vorm bleef, maar de inhoud lekte weg. Achteraf gezien begon dat vooral onder de kabinetten van Ruud Lubbers, die keer op keer met een uitgestreken gezicht het één zei, maar achter de schermen het ander deed. Bijvoorbeeld inzake zulke gevoelige kwesties als kernwapens en kernenergie (waarop de acties van Bluf! destijds mede betrekking hadden). Maar het was ook in die jaren dat de verguizing van iedere vorm van ‘ideologie’ begon door te zetten, en het ophemelen van ‘de markt’. Privatisering werd een panacee: voor de media uiteraard, maar ook voor de PTT, het openbaar vervoer, de nutsbedrijven en zo meer.
Dat had ook te maken met internationale ontwikkelingen. De ineenstorting van het communisme en de triomf van het kapitalisme hadden een unieke window of opportunity geschapen om diezelfde beginselen van de ongebreidelde vrije markt versneld van de Eerste naar de Tweede en de Derde Wereld te verbreiden. De globalisering, de Atlantische samenwerking, de Europese eenwording en de overhaaste integratie van Centraal-Europa werden doorgezet. De keerzijde van die wereldwijde vrije markt was dat echte of zelfs maar dreigende toekomstige bewegingen van kapitaal, goederen en arbeid de manoeuvreerruimte voor de politiek steeds geringer maakten. Vooral in kleinere landen als Nederland konden de nationale regeringen, parlementen en partijen het daardoor hooguit nog hebben over ‘een onsje meer of een onsje minder’. Dit controleverlies leidde bij de burger-consument tot een wijdverbreid ressentiment tegen ‘de achterkamertjes’ van Den Haag en Brussel. Sommige media lynchings spelen daar duidelijk op in.

Als we de balans opmaken, heeft de roep om openbaarheid van de jaren zestig en zeventig een paradoxaal effect gehad. Bewindslieden verschansen zich achter hun afdelingen Voorlichting, die over veel meer mensen en middelen beschikken dan de traditionele media. Journalisten proberen uit alle macht gaten in hun Teflon-harnas te schieten, maar vallen daarbij soms terug op goedkope succesjes, zoals het opduikelen van een handtekening onder een steunbetuiging met 177 anderen, een volle generatie geleden.
Ondertussen wordt in media en politiek veel en wollig gepraat over bijvoorbeeld datzelfde milieu waar het toen om ging en over een rechtvaardige wereld, maar overstemt de alomtegenwoordige consumptiepropaganda in de media moeiteloos de kritische analyses. De economische groei moet immers doorgaan. Waarom eigenlijk? Zelfs financiële topmensen als Herman Wijffels (ex-Rabo) en Jaap van Duijn (ex-Robeco) zijn inmiddels openlijk aan de noodzaak van de groei gaan twijfelen. Die groeidwang is namelijk rampzalig en de ongelijkheid tussen de allerrijksten en de allerarmsten neemt al een volle generatie snel toe in plaats van af. De groot aangekondigde ‘millenniumdoelen’ tegen misère en honger in de wereld worden nog niet bij benadering gehaald, de Kyoto-doelstellingen inzake het terugdringen van de CO2-uitstoot evenmin. De biodiversiteit krimpt met minstens één soort per dag. Ondertussen venten glossy media comfortabele illusies uit die zich hebben losgezongen van de ware werkelijkheid.
Af en toe mis ik daarom binnen het medialandschap éven een radicaal en consistent ander geluid. Bijvoorbeeld van een actieblad als Bluf!.

Jaap van Ginneken is media- en massapsycholoog. Deze zomer verscheen zijn boek Strijden om de publieke opinie, eerder schreef hij onder meer Verborgen verleiders: Hoe de media je sturen