Panische angst voor traagheid

Om te vertragen is er nooit iets beters verzonnen dan wandelen. Hou je niet van lekker langzaam, zoek dan iets anders: rijden, skiën, vliegen of zo. Wandelen is filosoferen.

Frederic Gros, Wandelen. Een filosofische gids, € 16,90 e-book, € 12,95
Ton Lemaire, Verre velden. Essays en excursies 1995-2012, € 29,95

Medium cover 5
Medium cover 4

De term ‘andante’ duidt in de muziek een tempo aan dat zit tussen ‘allegro’ (snel) en ‘adagio’ (langzaam). Het is dus snel noch langzaam. Alsof de componist zegt: ‘Zoek het zelf maar uit.’ Een metronomisch getal lijkt uitkomst te geven, dan weet je het zelfs exact. Maar dat schiet zijn doel voorbij, want het gaat niet om exactheid. Aanduidingen zoals andante, adagio en allegro werken omdat ze niet alleen een tempo aanduiden, maar vooral ook een karakter: allegro is ‘levendig’ en adagio ‘op je gemak’. En andante nu betekent ‘rustig gaande’, het is het tempo van een wandelaar. En zoals iedereen weet is het onmogelijk aan te geven wat het ‘juiste’ wandeltempo is, het hangt van zo veel af: terrein, weersomstandigheden, conditie, humeur. Je moet het inderdaad zelf uitzoeken en dat is ook precies het mooie van wandelen. Het is geen schrijden (adagio) en geen huppelen (allegro), geen slenteren en geen rennen, maar iets daartussen.

‘Wandelen is geen sport’, luidt de eerste zin en de titel van het eerste hoofdstuk van een recent verschenen (vertaling van een) boek van de Franse filosoof Frédéric Gros over wandelen. Hij heeft daarmee groot gelijk. Het lukt Gros in dat eerste, zeer korte hoofdstukje van twee bladzijden, ook fraai te omschrijven, te karakteriseren, wat wandelen dan wél is: ‘Om te vertragen is er nooit iets beters verzonnen dan wandelen. Om te wandelen heb je alleen maar twee benen nodig. De rest is onzin. Wil je sneller? Ga dan niet wandelen, maar zoek iets anders: rijden, skiën, vliegen. (…) [Als] je wandelt, is er maar één ding dat telt: de intensiteit van de hemel of de schittering van het landschap.’

In 24 korte hoofdstukjes licht Gros dit vervolgens toe, vaak aan de hand van het leven en werk van dichters en denkers (én bevlogen wandelaars) zoals Nietzsche, Rimbaud, Thoreau en natuurlijk Rousseau. Ook Heidegger is nooit ver weg, bijvoorbeeld als Gros opmerkt dat wandelen niet tijd doden is, maar juist tijd maken, of als hij schrijft: ‘Er is altijd iets te doen, maar hoe zit het met het Zijn?’ Wandelen is bij Gros kortom aandacht schenken aan ‘zijn en tijd’ – wandelen is filosoferen.

Het zal de Nederlandse lezer wellicht nog vaag bekend voorkomen, uit een boek dat Ton Lemaire jaren geleden al schreef over wandelen en filosofie: Wandelenderwijs. Hij schrijft daarin: ‘Voor een aandachtig en geduldig wandelaar, bevrijd van de druk van werk, zorg en haast, kan de wereld misschien haar eigenlijke gezicht laten zien.’ Maar terwijl Lemaire het in zijn boek toch draaglijk weet te houden, vat Gros het wandelen toch wel erg zwaar op.

Uiteindelijk is wandelen voor Gros, geloof ik, de laatste ontsnappingsroute die de moderne mens nog rest uit de burgermaatschappij. Gros ziet het leven van de moderne mens als een eindeloos heen en weer gaan tussen huiskamer en kantoor. Het is een constant verwisselen van sloffen voor nette schoenen en omgekeerd – alleen de wandelschoenen bieden nog verlossing uit deze tredmolen.

Eventjes klinkt dat misschien heldhaftig en verleidelijk, maar het Youp van ’t Hek-achtig gedram over echtheid, puurheid, zuiverheid, authenticiteit, het elementaire, rauwe, het naakte bestaan… dat begon mij danig de keel uit te hangen. Van de weeromstuit ga je twijfelen of dat ontsnappen wel nodig en goed is. Als je nou wat meer aandacht besteedt aan de huiskamer en het kantoor valt daar vast ook veel te beleven. En in plaats van ‘weg te lopen’, lijkt het me beter betrokken te blijven en kritiek te blijven leveren.

Met instemming haalt Gros ergens een oude Griek aan die opgemerkt heeft dat ‘hij die loopt, koning is’. Maar daar schuilt toch echt een adder onder het gras: een wandelaar is misschien inderdaad wel zo geneigd tot antirepublikeinisme dat hij zich afkeert van de res publica, de publieke zaak. Gros probeert het nog goed te maken door vlak voor het einde een hoofdstukje op te nemen over Gandhi, die van wandelen actievoeren maakte, maar dat is te weinig en te laat.

De Nederlandse vertaling van de titel van Gros’ boek, Wandelen: Een filosofische gids is misschien niet correct (Marcher, une philoso­phie), maar wel passend bij zijn pretenties. Vraag is of wandelaars op zo’n gids zitten te wachten, gewend als zij zijn hun eigen gang te gaan. Daarbij kunnen verschillende hoofdstukken uit het boek trouwens wel degelijk inspirerend zijn. Maar meer inspiratie én meer verdieping is toch te vinden in een nieuw boek van de eerder genoemde Lemaire: Verre velden.

Niet dat dat boek van Lemaire geen problematische, ‘duistere’ kanten heeft, maar het is veel rijker. Eigenlijk is het een nogal vreemd boek, waarmee het overigens wonderlijk goed past in het langzamerhand toch wel uniek te noemen oeuvre van Lemaire, dat als een soort zwerfkei ligt in het Nederlandse filosofische landschap, een keurig aangeharkte ‘Hollandse tuin’.

Het vreemde aan dit boek is dat het een allegaartje is, én dat dat bijzonder goed werkt. Het boek bevat, zoals de ondertitel zegt, ‘essays en excursies 1995-2012’. In elf delen die op zich weer bestaan uit kortere hoofdstukken, komen verschillende zaken aan de orde, zonder dat er echt sprake is van een overkoepelde thematische eenheid, zoals Lemaire grif toegeeft in zijn voorwoord. En dat past inhoudelijk volkomen bij een boek waarin veel aandacht wordt besteed aan ‘sprokkelen’. Bovendien, in welk ander filosofisch boek lees je nu een lofzang op sprokkelen?

Ook wandelen komt in dit boek weer aan de orde, in de afdeling ‘Braakliggen’. Hier verloopt Lemaire’s redenering ongeveer zoals bij Gros. Was bij Gros het wandelen een laatste mogelijkheid tot verlossing, bij Lemaire is het een unieke mogelijkheid tot inwijding. Ook bij Lemaire is de klaagzang weer te horen over de moderne massacultuur van de consumptiemaatschappij waarin alles draait om massaproductie en massaconsumptie, waarin de massa heen en weer schuifelt tussen lopende band en outlet center, of bij de wat hoger opgeleiden tussen kantoor en stedentrip. Alles staat in teken van haast en afleiding, van een ‘panische angst om leegte, om stilte, om traagheid te ervaren’.

Vergelijkbaar met Gros die het heeft over wandelen als ‘een wonen in een landschap’ bepleit Lemaire een meditatieve manier van wandelen: ‘een tegelijk actieve en passieve manier om zich in het landschap te verplaatsen’. Wandelen als ‘braakliggen’, ‘ledigheid’, als het ervaren van ‘het naakte “er-te-zijn”’. Sterker nog: ‘We kunnen alleen ingewijden van het leven worden wanneer we de doorgang door de leegte hebben durven gaan.’

Hoe prettig het ook is een eindje met Lemaire mee te lopen, dit is zo’n moment waarop hij een afslag neemt waar menige lezer hem niet meer zal willen volgen, in elk geval deze lezer niet. Ik dacht dat filosofie er juist voor was uitgevonden om te ontkomen aan de orakeltaal van visionairs, ingewijden en priesters. Filosoferen is toch vooral van gedachten wisselen, eventueel op meerdere gedachten hinken, maar in elk geval een vorm van ‘gesprek’, op basis van redelijke argumenten – maar met ingewijden valt niet te praten, of beter gezegd: voor een ingewijde valt met niet-ingewijden niet te praten. Je bent ingewijde of niet, wat valt er verder nog over te zeggen?

In de eerste delen van het boek toont Lemaire zijn meer ‘mystieke’ kant. Later legt hij het priesterkleed af, maar trekt gelukkig geen toga aan: hij filosofeert in zijn dagelijkse kleren en houdt bovendien zijn wandelschoenen aan. Zo schrijft hij fraaie beschouwingen over bijvoorbeeld korenvelden en aren lezen, waarbij hij zich gelukkig de nodige dwaal- en omwegen permitteert. Zolang hij scharrelt en sprokkelt gaat het goed, zodra hij ergens te lang bij stil blijft staan wordt het al snel weer geëxalteerd.

Wereldvreemd kun je Lemaire bij dit alles zeker niet noemen, hij is de wereld en haar bewoners zelfs zeer toegewijd. Ook toont hij zich, met name in een beschouwing over nut en nadeel van de archeologie scherpzinnig en kritisch. In een meer theoretisch hoofdstuk beschrijft Lemaire een fraai ideaal: ‘Kritisch denken is een riskante onderneming, filosoferen is een activiteit die zich beweegt tussen een onzeker en niet te funderen begin en een onafsluitbaar einde, waarbij de denker altijd het risico loopt om met lege handen thuis te komen.’ Een filosoof, kritisch denker, heeft volgens Lemaire dan ook de opdracht ‘tot permanente kritiek en zelfkritiek’ en ‘de wil tot luciditeit, de weigering zich te laten verleiden door welke heersende machten en ideologieën dan ook’.

Dat klinkt allemaal lang niet slecht, maar vervolgens merkt Lemaire op dat een dergelijk kritisch denken een ‘zware taak’ is, die ‘gepaard kan gaan met isolement en soms eenzaamheid’. En hij voegt er nog aan toe: ‘Misschien vereist filosofie daarom een zelfgekozen, innerlijke ballingschap.’ Maar leidt niet juist dit soort isolement en ballingschap tot monologen en tunnelvisie?

En dat terwijl Lemaire filosofie terecht beschouwt als ‘een leren leven met onzekerheid’. Van daaruit kan hij goed waarschuwen tegen de heersende neiging wetenschap te verabsoluteren, bijvoorbeeld door alles onder een noemer te willen brengen, van het kaliber ‘wij zijn ons brein’. Wetenschap was het middel waarmee intellectuelen sinds de Verlichting de massa probeerden te bevrijden van bijgeloof, maar heeft zich ontwikkeld tot een nieuw dogma. Verlichting verwerd tot verlicht absolutisme en despotisme. Lemaire wil als rechtgeaard intellectueel vasthouden aan ‘kritisch denken’, maar vat dat tamelijk vrijzinnig op, namelijk als het combineren van omzichtigheid en alertheid. Filosoferen wordt dan weer wandelen, andante, zonder metronoom.

Het omslaan van Verlichting in haar tegendeel, namelijk absolutisme en totalitarisme, is vlak na, en onder invloed van, de Tweede Wereldoorlog door Horkheimer en Adorno de ‘dialectiek van de verlichting’ gedoopt. Van de eerste en minder bekende van deze twee schetst Lemaire een mooi portret. Horkheimer is voor hem het voorbeeld bij uitstek van de intellectueel. Vooral Horkheimers (en Adorno’s) afwijzing van de bestaande massacultuur, die zij met name in de Verenigde Staten aantroffen (met een ‘uitwas’ zoals jazz), is een kolfje naar Lemaire’s hand. Die afwijzing is bepaald radicaal en ongenuanceerd, Horkheimer en Adorno spreken van een ‘esthetische barbarij’. Hier zouden bij Lemaire toch wat alarmbellen af moeten gaan. Het is toch schokkend, zo agressief als de massacultuur hier wordt verworpen. De intellectuelen die moedig wilden blijven strijden voor de emancipatie van de massa blijken opeens verbitterde mopperkonten die niets dan verachting voelen voor diezelfde massa. Je zou misschien wel kunnen spreken van een ‘dialectiek van de cultuurkritiek’: het verheffen van de massa slaat om in het verachten van die massa.

Lemaire is niet blind voor de minder aangename kant van Horkheimer en van intellectuelen in het algemeen, hij ziet hun neiging tot zelfgenoegzaamheid, maar niet dat die zelfgenoegzaamheid vaak juist lijkt voort te komen uit een zelfgekozen, innerlijke ballingschap. Bovendien ziet Lemaire vooral zelfgenoegzaamheid bij intellectuelen met wie hij het oneens is. Misschien mag je wel spreken van een splinter in andermans oog, want eerlijk gezegd ontkomt ook Lemaire niet altijd aan de valkuil van de zelfgenoegzaamheid. Het boek wemelt van de uitroeptekens, ook aan het einde van hele hoofdstukken, waarmee Lemaire zijn eigen gelijk vet onderstreept.

Het boek eindigt zelfs met een uitroepteken, maar dat is – hopelijk – ironisch, want het vormt het slot van juist een heel mooi, zelfrelativerend laatste deel, waarin Lemaire een interessant zelfportret schetst en waarin hij zijn ambivalentie toont. Het boek eindigt namelijk, paradoxaal genoeg, met kritische opmerkingen ten opzichte van boeken. Lemaire relativeert het belang van boeken en propageert het buitenleven. Ik had graag ook nog wat meer gelezen over het relativeren van het buitenleven, maar Lemaire heeft op zich natuurlijk gelijk in zijn vrees voor boekenwijsheid en zijn pleidooi voor veldwerk. Hij houdt zich daar mooi aan, hij is net zo veel boekenwurm als buitenmens, staat met zijn ene been in de studeerkamer en zijn andere in het veld. En draagt aan beide voeten wandel­schoenen.