Panorama amerika

ALS EEN landschap een gebeurtenis kan zijn, om met Gerrit Kouwenaar te spreken en tegelijkertijd te variëren op het Boekenweekthema, dan is dat wel heel indringend het geval in de romans van Cormac McCarthy. Hij is een auteur in de faulkneriaanse traditie die er tijdens het schrijven een prettige en tegelijkertijd verontrustende amorele houding op nahoudt. In Meridiaan van bloed, of het avondrood in het Westen (1985) is zelfs sprake van een terra damnata. McCarthys hoofdpersonages zwerven als verdoolden, als veldmuizen, wolven, scalpenjagers of bizonslachters, als grensgangers en grensoverschrijders door een kannibalistisch niemandsland.

In Meridiaan van bloed schrijft McCarthy: ‘Ze reden door gebieden van veelkleurig gesteente, opgestuwd in puntige zaagtandformaties en platen van traprots gevormd in breuken en overhangende plooien, afgebroken als grote stammen van steen, en rotsen die ooit door de bliksem waren gekliefd doordat het water in de scheuren als stoom was geëxplodeerd. Ze reden langs dammen van bruin trapgesteente die van de smalle heuvelkammen omlaag de vlakte inliepen als resten van oude muren, de alomtegenwoordige voortekens van de hand van de mens, gevormd voordat de mens of enig ander levend wezen bestond.’
Het landschap was al een gebeurtenis vóór het bestaan van de mens, en in McCarthys Texaanse en nieuw-Mexicaanse woestenij wordt geen onderscheid gemaakt tussen verstuivende zandkorrels die alle sporen uitwissen en legers die een verwoestend spoor trekken. Er is een 'vreemde gelijkheid’ in het land van McCarthy, waarbij hij geen onderscheid maakt tussen dingen, dieren en dolende ridders van de droevige figuur.
En de oorlog, die strijd tussen Indianen, kolonisten, nieuwe en oude Mexicanen en Amerikanen? 'Wat mensen van oorlog vinden is totaal onbelangrijk, zei de rechter. Oorlog zal er altijd zijn. Je kunt net zo goed mensen vragen wat ze van stenen vinden. Oorlog is er altijd geweest. Voor de mens er was, lag de oorlog al op hem te wachten.’ Het is dezelfde rechter, die in Meridiaan van bloed als een soort confidence man, een oplichter, optreedt, die de moraal als menselijke uitvinding maar niets vindt, omdat daardoor de sterkste het recht van de sterkte wordt ontnomen. 'De moraal wordt voortdurend door de geschiedenis gelogenstraft.’ En in de romans van Cormac McCarthy, voeg ik daar aan toe, hoewel zijn overlevers, zijn opgejaagden een oerinstinct voor mededogen en solidariteit bewaren. In Meridiaan van bloed legt 'de jongen’ het ten slotte af tegen 'de rechter’. Niet het recht maar het redeloze geweld telt in McCarthys wereld. Maar overeind blijft het onverwoestbare, primitieve rechtvaardigheidsgevoel dat zich teweerstelt tegen vernederingen, moord en doodslag.
'ZIE HET KIND.’ Dat is de openingszin van Meridiaan van bloed. Het is 1848, een jaar vol Mexicaans-Amerikaanse botsingen. De zucht naar het Westen neemt epidemische vormen aan. Het veertienjarig kind raakt onthecht doordat zijn ouders het laten afweten. 'Hij zwerft naar het westen, tot Memphis, een eenzame reiziger in dat vlakke, pastorale land.’ Maar die negentiende-eeuwse Amerikaanse pastorale is een landschap waarin de dood het opvallendste kenmerk is. Bloedakkers zijn het geworden, door de steeds verder opschuivende kolonisatiegrens. 'De wereld was grotendeels een mysterie, maar haar grenzen waren dat niet, want hier gold geen paal of perk, en hoewel er nog verscheurende monsters huisden en mensen van andere kleuren en wezens die geen mens ooit had aanschouwd, was dit alles toch niet vreemder dan hun eigen hart dat in hen was.’
Het verhaal van Meridiaan van bloed: een jongen raakt verzeild in een legertje avonturiers dat talloze vijanden heeft: de Comanches en andere Indianen, het kannibalistische landschap en zichzelf. De groep - bestaande uit 'de rechter’ (judge Holden), de 'ex-priester’ en een handvol anderen (Toadvine, Glanton, Brown, de zwarte en blanke Jackson) die nonchalant met de dood omgaan - dunt steeds meer uit, totdat 'de jongen’ zich weet te ontworstelen aan de alomtegenwoordigheid van 'de rechter’. Tientallen jaren later loopt hij hem weer tegen het lijf, met fataal gevolg. Want de rechter doorziet 'de jongen’ omdat hij nog een greintje consideratie toont voor 'de heidense mens’.
In Meridiaan van bloed wordt het geweld tot in het bot beschreven, en dat op zo'n manier dat de lezer sommige scènes nooit meer zal vergeten: het tafereel van dode baby’s die in bomen hangen; de ezel die met een kop vol pus door een ten dode opgeschreven dorpje strompelt.
De rechter kent zijn talen, noteert dagelijks wat hij ziet en denkt in een aantekenschrift, verzamelt dingen uit de natuur en onderhoudt zijn gezelschap met filosofische overpeinzingen die goed en kwaad relativeren. Hij waant zich een god in het diepst van zijn inktzwarte denkwereld. 'Hij keek om zich heen naar het donkere bos waarin ze hun kamp hadden opgeslagen. Hij knikte naar de specima die hij verzameld had. Deze anonieme schepseltjes, zei hij, lijken misschien weinig of niets in de wereld. Toch kan het kleinste kruimeltje ons verslinden. Elk nietig wezentje onder die steen daar, waar geen mens weet van heeft. Alleen de natuur kan de mens onderwerpen en pas wanneer de allerlaatste levensvorm uit zijn schuilplaats is gedreven en naakt voor hem staat zal hij zich met recht (bewaarder) van de aarde kunnen noemen.’
De levensfilosofie van de rechter vond ik terug in De kruising (1994), onderdeel van McCarthys beroemde Border Trilogy. In dat boek - spelend in de jaren dertig en veertig - verliest de jonge Billy Parham alles wat hem dierbaar is (zijn wolf, zijn ouders, zijn broer). Op zijn dwaaltocht in het grensgebied van Mexico en de Verenigde Staten komt hij een oude man tegen in een dorpje met een kapotte kerk. Die vertelt hem dat er geen verschil is tussen 'het passeren van legers en het passeren van zand in een woestijn’ omdat de natuur geen voorkeuren heeft.
Hij vertelt de jongen dat het verhaal nooit zijn plaats in de wereld zal kwijtraken. Dat verhaal heeft hij in het dorpje gevonden. 'De corrido. Het verhaal. En zoals alle corrido’s vertelde het uiteindelijk maar één verhaal, want er valt maar één verhaal te vertellen.’ De wereld is niet een ding van steen en bloed en bloemen maar een verhaal dat alle andere kleinere verhalen in zich draagt. Daarin passen ontelbare zandkorrels en moordzuchtige legers, de onzichtbare dingen en alle verschijningen en openbaringen.
Het is dat verhaal dat Cormac McCarthy telkens weer vertelt in zijn romans, waaraan de preektoon (kijk toch eens hoe schandalig de geschiedenis van Amerika is!) ontbreekt, omdat de schrijver geen open deuren wil intrappen. Voor hem is slachtofferkunst uit den boze. Het is niet voor niets dat een zigeuner in De kruising min of meer het laatste (Spaanse) woord heeft in de roman. Het is een overpeinzing die opgaat voor alles wat McCarthy heeft geschreven en nog zal schrijven: 'We denken dat we slachtoffers zijn van deze tijd. De levensweg is in feite nergens vastgelegd. Hoe zou dat ook kunnen? Wij zijn onze eigen dagreis. En daarom zijn we ook de tijd. We zijn hetzelfde. Vergankelijk. Ondoorgrondelijk. Meedogenloos.’