Panta Rhei

Elke keer (of is het iedere keer) als ik een fout tegen het Nederlands maak, krijg ik een brief van een vriendelijke mevrouw.
Ik vind dat prettig. Ik schrijf graag een goede zin.
Met enige regelmaat beklaagt deze mevrouw zich dat onze taal hard achteruit gaat. Vooral in RTL Boulevard en bij De Wereld Draait Door en in alle sportprogramma’s hoort ze voortdurend fouten. Ze kan er bijna niet meer tegen. Het ergste vindt ze nog dat er soms zinnen zijn die ze niet kan bevatten: ‘Kijk, die zitten te linkeballen, terwijl zo'n Menchov zit te harken op zijn buitenblad, maar hij gaat kraken.’
Het linkeballen, het buitenblad en dat harken heeft iets met wielrennen te maken, maar ze weet niet wat. Ze herkent ook Menchov niet direct als eigennaam - het zou ook een soortnaam kunnen zijn, een fiets die zo heet.
Tja, ik kan haar niet echt helpen.
Ik onderschrijf haar opinie dat de Nederlandse taal waarschijnlijk aan het verdwijnen is. Ik vind dat ook erg, maar ik weet ook dat er niets aan te doen is. Het Latijn verdween toen men grammaticale regels ging invoeren; de taal werd alleen nog gesproken door een kleine elite die zich deze taal kon eigen maken. Voor de lagere klassen waren de regels en dus de grammatica te ingewikkeld. Ze spraken hun eigen dialect, kregen meer kinderen dan de elite die dat dialect overnamen en het Latijn verwaterde.
Dat gebeurt ook met het Nederlands.
Onlangs zag ik een nieuw manuscript van een beroemd Nederlands schrijver. (Zijn die er eigenlijk nog? Courante beroemde Nederlandse auteurs?) Het was niet de bedoeling dat ik dat manuscript zag, ik kreeg het toevallig onder ogen.
Ik schrok.
Om de drie regels zag ik een fout. Althans, ik zag iets dat ik anders op school had geleerd. (Hoewel ik ook enkele dt-fouten tegenkwam.)
Natuurlijk, het is niet heel erg. Een schrijver mag fouten maken, zei mijn leraar Nederlands, want 'het is niet de taal die de schrijver temt, het is de schrijver die de taal temt’.
Tja, maar woorden zijn inderdaad roofdieren en wanneer die niet juist getemd worden, ontstaat er wartaal.
Het Nederlands verdwijnt - en misschien is dat helemaal niet erg.
Ik keek daarnet naar de derde remake van de film Interview waarvoor ik het scenario schreef. De film is voor de markt in India en is in een taal opgenomen waar ik nog nooit van had gehoord: het Hinglish, een samensmelting van het Hindi en het Engels, vaak in één zin. Omdat Hindi iets op Maleis lijkt, moest ik denken aan mijn eigen vader. Hij zei, vlak voor zijn dood in de jaren zeventig, dat het Maleis al praktisch verdwenen was, maar als ik hem Maleis hoorde praten, dan was dat ook doorspekt met Nederlandse woorden.
Talen ontwikkelen zich als dieren - en dienovereenkomstig evolueren ze volgens Darwin. Dode talen zijn dodo’s. De sterkste taal overleeft. Het tragische is dat de sterkste nooit de mooiste is.
Alles wordt pidgin - een samensmelting van twee of drie talen die per ongeluk bij elkaar komen.
We weten dat het maar één generatie duurt, en dan heeft de nieuwe taal zijn eigen regels ontwikkeld.
Elke auteur weet dat hij uiteindelijk in een dodo verandert, net als zijn literatuur. De woorden veranderen, de betekenissen veranderen, de klanken veranderen - panta rhei - en het maken van een dam heeft geen zin.
Het heeft zelfs geen zin te hopen dat over tienduizend jaar een geleerde zich over jouw zinnen buigt - hij heeft dan wel iets beters te doen.