Pantoffelberen

Hoe lang de beer het in de natuur zal volhouden, staat nog te bezien, maar in het kinderboek zal hij ongetwijfeld het eeuwige leven hebben. Bol en knuffelbaar sjokt hij voort, ongevoelig voor de jeugdliteraire waan van de dag. Naast oude bekenden als Winnie, Bruintje en Bolke dienen zich regelmatig nieuwe dierbaren aan: Pippeloentje, Paddington, Janosch’ rafelige beer die alleen bestaat bij de gratie van zijn vriend tijger, de oerdomme Kummeling of de toegewijde Brammert die vadert over muis Tissie.

Met Een gat in mijn emmer van het prentenboekenechtpaar Ingrid en Dieter Schubert presenteert zich andermaal een brave lobbes. Het verhaaltje is gebaseerd op het lied There is a hole in the bucket. Op een snikhete dag wil Beer water halen om de bloemen voor zijn hol weer tot leven te wekken. Helaas, in de emmer zit een gat. Volgt de reeks van samenhangende handelingen die nodig zijn om het gat te stoppen, tot en met water halen om de steen nat te maken, zodat de botte schaar geslepen kan worden. Gelukkig voorkomt een stortbui dat het hele verhaal weer van voren af aan moet beginnen.
Als makker in de nood heeft Beer de inventieve Egel aan zijn zij. Als een soort Heer Bommel en Tom Poes scharrelen ze op twee poten rond. De vriendelijke schilderingen beslaan steeds een dubbele pagina. Beer is wollig, enorm en zorgelijk fronsend. Kleine Egel heeft een olijke snuit en een tegen zijn stekeltjesrug kwetsbaar afstekende kale buik. Beiden zijn met grote zorgvuldigheid op het papier gezet, net als de andere beestjes. Per prent duikt er een op: de mol verstopt tussen de rommel in het berenhol, het bijna onzichtbare lieveheersbeestje op een steen, de muis die de kapotte emmer inspecteert, de vlinder balancerend op reusachtige berebillen. En op de laatste platen zie je ze allemaal gezellig bij elkaar in een door de regen schoongeveegd bos. Met hun eenvoud, gevoel voor harmonie en aandacht voor het detail creëren de Schuberts altijd een knusse wereld, waar het voor de kleinsten goed toeven is.
De berenfamilie uit Jill Murphy’s Slaap lekker, Meneer Beer is van het teddyberensoort. Ze bewonen een kneuterig huis, waar ‘Home, sweet home’ in kruissteek boven het echtelijk bed hangt. Aan hun poten hebben ze enorme geruite pantoffels, meneer draagt een streepjespyjama en mevrouw een roze netje op haar krulspelden. Het mag duidelijk zijn dat deze familie naar bed gaat. Helaas, meneer kan niet slapen, waar hij het ook probeert. Zijn vrouw snurkt, zijn zoontje speelt met vliegtuigjes, de klok koekoekt, de kraan drupt en de tuin ritselt, snuift en miauwt. En precies op het moment dat het gekwelde berehoofd eindelijk verzaligd wegdommelt, gaat de wekker. Dit lieve, humoristisch getekende prentenboek is al bijna klassiek, maar een nieuwe druk verdient nieuwe aandacht. Om de zoveel tijd dient zich immers ook een nieuwe generatie slapelozen aan, die zich naast het nachtlampje en de deur op een kier zullen kunnen laven aan deze pesterige maar troostrijke geschiedenis.