Pantomime

Mijn helden van weleer spelen geen enkele rol meer.
Ik loop over de boekenmarkt en op een kraam vind ik een reeks Carmiggelts. Vijf pockets voor een euro! Ik heb ze al, maar wil ze toch weer kopen om volstrekt verkeerde piëtistische redenen.

Medium opheffer 21 11 vergeten

Elke avond werd Carmiggelt bij ons thuis aan tafel voorgelezen. Soms lachten we, soms zei mijn vader: ‘Wat een prachtige zin.’ Die probeerde ik dan uit mijn hoofd te leren. Over een fotograaf: 'Hij moest zoveel statieven ontvouwen dat, als hij eindelijk schietklaar stond, het te vereeuwigen onderwerp meestal was verdampt.’ Wanneer ik de zin hardop uitspreek, hoor ik mijn vader weer lachen. Zo ook bij de zin: 'In de ijzeren plafonnière functioneerde slechts één veel te grote lamp, die als een koekoeksjong uit het nest oprees en eropuit scheen, duurzame schroeigaten in het netvlies te branden.’ Ik ken er vermoedelijk zo nog tien.
Carmiggelt is na zijn dood ook uit onze cultuur verdwenen; zelfs in het antiquariaat goedbeschouwd - hoeveel antiquariaten zijn er de laatste vijf jaar trouwens niet verdwenen - ligt hij in een massagraf naast Renate Rubinstein (twee euro) en zelfs Gerard Reve (vijf euro!).
De literatuur van mijn generatie blijkt, op een uitzondering na (Karel van het Reve bijvoorbeeld) voor een nieuwe generatie niets meer waard; het inspireert niet, ze vinden het melig, de vaart is eruit, ze horen de poëzie niet.
Ik vertel wel eens dat ik een literaire reis maakte naar de woning van de schrijver Paul Léautaud - de laatste die ik tegenkwam met wie ik over hem uitgebreid kon praten was August Willemsen, zelf een magistraal auteur - misschien wel de beste brievenschrijver van Nederland -, die ook niet meer wordt gelezen.
Ik ga nog steeds iedere week naar de boekhandel. En niet zelden kom ik thuis met maar één boek - non-fictie - en drie dvd’s.
De literatuur heeft - in ieder geval voor mij - haar invloed prijsgegeven aan de film. Grote morele problemen - maar ook kleine trouwens - worden vaak 'literairder’ behandeld in film dan in een boek. Het plezier van een mooie zin is er nog wel in een film, maar is niet meer dan een amuse bij een maaltijd bestaande uit beeld en dialogen.
Ik heb daar stil verdriet over.
Ik heb vroeger nog wel gedroomd van schrijvers en boeken. Ik herinner me dat ik, na het lezen van Op weg naar het einde van Gerard Reve over hem droomde; Gerard gaf me een vel papier waarop stond: 'Wees niet bevreesd. Gij kunt de auto wassen.’ Ik was toen zeventien, denk ik. (Ik heb deze droom dertig jaar later aan Gerard verteld, en hij antwoordde toen, al enigszins dementerende: 'Dromen zijn heel belangrijk en vaak een boodschap van God. Ik denk dat God, want die ken ik een beetje, je wilde vertellen: “Koop alle boeken van Gerard Reve.”’)
Ik heb al dertig jaar geen droom meer gehad waarin een schrijver een rol speelt, noch heb ik een droom gehad naar aanleiding van een tekst. Daarentegen droom ik vaak over films nadat ik weer eens een dvd heb bekeken.
En dat terwijl ik zo hou van de literatuur.
Een mooie zin van Carmiggelt of Reve. Een mooie passage bij Willem Frederik Hermans, een bladzijde bij Elsschot. Hun invloed is verwaterd. Literatuur is pantomime geworden. In boekwinkels probeerde ik vroeger meisjes te versieren. (Dagdroom: meisje tegenkomen, vragen wat ze zoekt, we hebben een gesprek over literatuur, zij denkt: wat een interessante jongen, ik mag met haar mee naar huis, we gaan met elkaar naar bed, zij houdt van mij.) Maar tegenwoordig struikel ik over de looprekken.