Papa heeft een ontheffing

De ene talkshowpresentator is toegewijd en voorbereid, de andere lacht zijn eigen vergissingen weg. Waarom is de tweede succesvoller?

Ik moet steeds denken aan het meest Beau van Erven Dorens-achtige moment uit de carrière van tv-presentator Beau van Erven Dorens. Het is alweer van een paar jaar terug, toen hij tafelheer was bij De wereld draait door en modeontwerpers Victor & Rolf te gast waren. Beau richtte zich tot een van hen en vroeg: ‘Maar Victor, leg eens uit…’

Waarop deze hem onderbrak met: ‘Ik ben ROLF.’

Ik lachte thuis op de bank, het publiek in de studio lachte, en zelf lachte Beau nog het hardst. (Rolf aanzienlijk minder.)

Het is niet zo dat ik hier monomaan aan moet denken, het is slechts een restant van de lockdownperiode, waarin ik een latente verslaving aan talkshows heb ontwikkeld. Wat opvalt als je naar de talkshows op de publieke omroep en RTL kijkt, is dat de vrouwelijke presentatoren bijna categorisch beter zijn. Ze zijn beter ingelezen, scherper, stellen puntigere vragen, zitten er actiever bij aan tafel. Ze zijn toegewijd, het interesseert ze. De mannen zitten er vaker – niet altijd – bij alsof opdagen al wel voldoende is.

Het meest in het oog springt dat verschil bij RTL’s Eva Jinek en Beau, die elkaar elke zoveel maanden afwisselen. Jinek is tot de tanden voorbereid, heeft vervolgvragen tot in de zoveelste macht paraat, heeft controle over het gesprek. Beau haalt eens in de zoveel tijd een minister of een instantie door elkaar, geeft een gast per ongeluk een hand of maakt ruzie met ze om zijn eigen mening door te drukken. Je krijgt het gevoel dat de voorbereiding en inspanning aanzienlijk verschillen, en toch scoort Beau bij de kijkcijfers beter. Waarom?

Misschien zit dat ’m er al in dat Eva Jinek doorgaans bij haar achternaam wordt aangeduid, en Beau bij zijn voornaam. Formeel tegenover relaxt. En gezonde spanning tegenover nodeloos zelfvertrouwen. Het verschil is dat je bij Jinek het gevoel krijgt dat een gesprek of een uitzending kan mislukken omdat ze de drempel hoog heeft liggen, terwijl bij Beau alles al in kannen en kruiken is, zich van geen drempel bewust.

En toch scoort Beau bij de kijkcijfers beter dan Jinek. Waarom?

Het is een oneerlijk gevecht, dat doet denken aan wat pedagogen Katty Kay en Claire Shipman een aantal jaar geleden in het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic duidden als ‘the confidence gap’. Hun theorie was een doordenkertje op wat in de psychologie het Dunning-Krugereffect wordt genoemd: het gegeven dat veel mensen het metacognitieve vermogen ontberen om in te schatten hoe goed ze precies ergens in zijn. Daar loopt nogal een genderkloof doorheen, in de zin dat vrouwen zichzelf vaker lager inschatten dan ze scoren, en mannen zichzelf vaak hoger. Het wordt gezien als de reden dat gekwalificeerde vrouwen sneller zullen denken dat ze niet volledig geschikt zijn voor een vacature, terwijl veel ongekwalificeerde mannen denken dat ze het wel zijn.

Hierin ontwaarden Kay en Shipman dus hun ‘zelfvertrouwenkloof’, en kwamen tot hun theorie over de asymmetrie tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Kort samengevat: meisjes doen het goed op school. Ze letten op, maken hun huiswerk, hun leraren zijn tevreden, ze halen met hoge cijfers hun diploma.

Even getransporteerd: ze lezen zich goed in, bereiden hun tv-interviews voor, willen dat het gesprek een succes wordt.

Daarentegen letten jongens minder op, irriteren hun leraren, worden uit de klas gestuurd, halen met de hakken over de sloot hun diploma. Maar dat leidt er dus niet toe dat vrouwen interessanter zijn voor de arbeidsmarkt, zeggen Kay en Shipman (ze kijken vooral naar de zakenwereld). Want daar worden andere vaardigheden beloond. Je aan de regels houden telt niet zo zwaar. Durf en ondernemingszin wel. En jongens hebben geleerd dat eruit gestuurd worden niet zo erg is, leren er al vroeg mee om te gaan dat ze door autoriteitsfiguren worden uitgescholden. Ze hebben het zelfvertrouwen dat je krijgt van af en toe op je bek gaan en weer opkrabbelen. Kortom, als ze bij interviews nog eens namen door elkaar halen, weten ze dat ze dat best kunnen weglachen.

Geen mooier voorbeeld dan een interview in Volkskrant Magazine uit 2015 met, jawel, Beau van Erven Dorens:

‘Mijn kinderen zeggen al zo lang ze kunnen praten: “Mijn papa heeft ontheffing.” Dat zeg ik namelijk altijd tegen ze. Dan is het: “Maar papa, hier mag je toch helemaal niet in?” “Jawel lieverd, want papa heeft ontheffing.” Ik probeer mijn zonen een beetje in mijn denkbeeld te laten geloven. Onlangs ging mijn middelste naar de middelbare school. We liepen daar rond en ik zei: “Deze school is helemaal van jou. Die leraren denken dat het hun school is. Die zeggen dat jij hier op bezoek komt. Nee. Die school is van jou. Dus je moet alles pakken wat die school te bieden heeft. Je moet gaan toneelspelen. Je moet gitaar spelen. Je moet bij de schoolkrant gaan. Je moet allemaal meisjes gaan versieren. Je moet naar elk feestje gaan. Je moet het helemaal uitwonen.”’

Het is een opvoedmethode die Dzjengis Khan zou aanbevelen; leraren moeten hun mond houden, het ego regeert. Het leidt zonder meer tot mondige burgers, en waarschijnlijk tot interviewers die minder geïnteresseerd zijn in wat hun gasten te melden hebben en die aan zichzelf genoeg hebben.