Papa koning

Verhalen voor jonge kleuters zijn vaak nogal eentonig qua thematiek: het potje, het nieuwe zusje, het eerste nachtje uit logeren, bang voor het donker en het onbekende. Liselotje is zo'n klein mens, van wie het tamelijk voorspelbare wel en wee door Marianne Busser en Ron Schröder op rijm is vastgelegd in twaalf onlangs gebundelde prentenboekjes. Ze woont in een paleis met een koning en koningin als ouders. De koning speelt een merkwaardige dubbelrol. Hij wordt papa genoemd en met u aangesproken, maar hij gedraagt zich als Liselotje’s kleine broer. Hij is inhalig en jaloers, hij zeurt en is doodsbang in het zwembad. Zo niet Liselotje, die boven al dit kinderachtige gedoe verheven lijkt.

Deze gespleten identiteit heeft vaak een grappig effect, zoals waar de koning een dagje mee mag doen op de peuterzaal. Hij verdraagt de andere kinderen slecht, zodat juf Nellie boos wordt: ‘U moet leren leuk te spelen/ en het speelgoed samen delen/ om de beurt - dat hoort erbij/ anders krijgt u straf van mij.’ De vierregelige rijmen ontkomen niet aan een zekere Sinterklaasdreun, vooral waar er opgevuld moet worden ten behoeve van het ritme: 'Maar de koningin roept: kom nou/ doe toch niet zo vreselijk dom nou.’ Onmiskenbaar is daarentegen de kwaliteit van de prenten waarmee Jan Jutte het koninklijk familieleven in beeld brengt. Iedereen is gehuld in een elegant wapperende kimono. De koning draagt een enorme pofmuts met daarop een kroontje, de koningin - duidelijk de baas aan het hof - een puntig reuzekapsel dat met een hele pot gel in vorm is geboetseerd en Liselotje heeft een parmantig scheerkwastje midden op haar hoofd. Haar grote mond reikt van flapoor tot flapoor en ze staat zo stevig op de kleine benen, dat het geen enkele vraag is wie de werkelijke held van deze avontuurtjes is. Tsjau, Hannah! van Kaat Vrancken is voor iets grotere kinderen bedoeld. Het 'tsjau’ uit de titel is de fonetische weergave van 'ciao’. Hannah is een paar dagen met haar ouders in Rome, waar het verschil tussen kinderen en volwassenen hinderlijk duidelijk wordt. Papa en mama zwelgen in de schoonheid van kerken, zuilen en pleinen, terwijl Hannah vastkleeft aan de souvenirskraam en op zoek is naar het dichtstbijzijnde pretpark. De reden van de uitstap is de dood van Oswald, geliefde en betreurde familiehond. De kleine vakantie dient als remedie tegen het missen. Daar gaat het in het boekje vaker over. Hannahs tante wordt heen en weer geslingerd tussen de familie in Nederland en haar geliefde in Italië. Hannah had veel bedenkingen tegen Rome, maar toch mist ze de stad wanneer ze weer op school zit en haar nieuwe hondje wil eerst niet eten van treurigheid, omdat hij bij zijn oude baas weg moest. Het is zoals mama zegt: 'Je mist altijd wel iets of iemand. Maar dat hoort bij het leven.’ Over wat bij het leven hoort, schrijft Vrancken mooi licht en haast terloops. Zelfs de heftige beginscène - oude hond krijgt spuitje - is verdraaglijk dank zij de kleine en voorzichtige woorden waarin de grote emoties gevat zijn.