Vraag je jezelf af wat er in de saus zit en vraag je dat vervolgens aan een ander, val je nog voor je betaald hebt al door de mand. Achteraf een brief schrijven kan nog net. Val je iets later door de mand.
‘Ober, mijn serviele Pierrot. Wie zat er in de saus, u of ik, op de vrijdagmiddag waarop ik vond dat de wijn van tafel 40 aan papavers en figuurzagen deed denken en er een soupcon van hete salamanderzondagen in de lucht hing?
U herinnert zich mij wel. Ik zat niet eens zo vlakbij het kunstvoorwerp dat bedrieglijk op Pila de plats (1970) van Antoni Tapies lijkt. Die zevenendertig op elkaar gestapelde borden. Platte. Op mijn bord verlate verwijzing naar Broothaers. Mosselen. U noemde ze, althans volgens de kaart: “van de rotsen geplukt”. Klinkt wild en daarom goed. Beter dan “uit het zand opgevist”. Prikkelend taalgebruik kan de omzet zeer ten goede komen.
Toen u als een brilslang in imponeerhouding vanuit het duister aan kwam krullen, trof u mij precies onder het midden van het uiterst rechtse messcherpe verlichtingsornament aan. Waarvan u waarschijnlijk ook eerst dacht dat het een verzakt model van ons planetenstelsel was.
Mosselen waren hun aanwezigheid meer dan waard. Hadden zelfs het grootste deel van hun jodium weten op te houden. Positief door bouwvallig exotisme aangegrepen. Halfwit uitgeslagen, gedeeltelijk veralbinoseerde muisjes waren het.
Maar die saus, ober? Die sauce Winn heette. Niet sauce Wim. Dat zou te makkelijk zijn. Schrijft u snel terug?’