Ger Groot

Papegaai

In Flauberts verhaal Un coeur simple vraagt de simpele ziel Félicité zich af of de Heilige Geest niet, beter dan als een duif, als een papegaai moet worden afgebeeld. De Geest immers is het Woord, dat papegaaien machtig zijn en duiven niet. Félicité heeft ook een persoonlijke reden. Haar eigen papegaai (groen lijf, roze vleugelpunten, blauw voorhoofd en goudgele keel) is het enige wezen dat ze nog kan liefhebben, nadat iedereen die daarvoor ooit in aanmerking kwam haar is ontvallen, ontvlucht of simpelweg vergeten. De papegaai wordt haar God, de hoogste incarnatie van de liefde, maar onder een vreemde persoonlijkheid. Jezus is verreweg de populairste gestalte van de drie-eenheid, op afstand gevolgd door de Vader. Maar de Geest komt er niet aan te pas. Hij is per definitie te vluchtig en karakterloos, niet meer dan een woordvoerder die spreekt voor een college waarin het ware gewicht bij de anderen berust.

Zoals de Heilige Geest spreekt voor, zo spreekt de papegaai na. Zijn charme ligt in de imitatie, waarachter hij zelf zou verdwijnen als de natuur hem niet zo bont bevederd had. Die tooi heeft hij in ieder geval voor op de bleke Geest en de grijze duif. Voor Flaubert was dat — zo wil het verhaal — voldoende reden om bij het schrijven van Un coeur simple een opgezet exemplaar op de hoek van z’n bureau te zetten. Hij zou het voor de gelegenheid geleend hebben van het plaatselijke museum in Rouen, en we zouden er de precieze beschrijving van Félicité’s troostdier aan danken.

Maar die opschik lijkt een leegte te omhullen. Op zijn kleuren na toont de papegaai zijn aanwezigheid met geleende taal en de woorden van anderen. Wat zou de eigen klank van de papegaai zijn, wanneer deze niet vroegtijdig door vreemd materiaal zou zijn ingenomen, vroeg H. van Boxtel — oprichter van de stichting Het Papegaaienmuseum — zich vorig jaar af. De tekst van zijn lezing/performance is nu verschenen in de brochure De roep van de papegaai in een lege wereld, uitgegeven door de Stichting Kunstuitleen Zeeland. Hij vormt een schoolvoorbeeld van redeneerkunst die door logische gestrengheid kolderiek wordt. Conclusie: het authentieke geluid van de papegaai is alleen te beluisteren bij een doof exemplaar, vrij van iedere verleiding tot imitatie.

Maar waarom zou een dove papegaai nog spreken, zingen of krassen? Is de vraag naar compromisloze authenticiteit niet even dodelijk als — volgens poststructuralistische denkers — die naar de meest oorspronkelijke betekenaar: het teken dat ten grondslag ligt aan alle andere? Zeggingskracht bestaat alleen in circulatie. Woorden gaan van hand tot hand en mensen drukken zich uit in de pasmunt die al door talloze anderen is gebruikt. Als zij zich al oorspronkelijk voelen, dan alleen dankzij een taal- en tekensysteem dat iedere oorspronkelijkheid loochent.

Het pre-moderne denken had daar geen moeite mee. Kunst bestond alleen dankzij imitatie en vormde daarmee de meest zichtbare pool van de nabootsingskunst waarin het leven zelf bestaat. Er was een romantische moderniteit voor nodig om de mens te laten dromen van een oorspronkelijkheid die hij aan niets of niemand te danken had. Hij werd de God die zich die originaliteit tot dan toe als enige kon veroorloven. In diens geloochende beeld vervluchtigde de woordvoerende Geest onvermijdelijk als eerste.

Sindsdien staat papegaaien laag in aanzien. We verdragen het spreken met andermans woorden niet meer. Sartre, modernist bij uitstek, verweet nota bene Flaubert diens taalsceptische vermoeden dat zelfs de kunstenaar niet spreekt uit niets maar «est parler». Het genie kwam in de plaats van de Geest die zich als papegaai ontpopte, en wiens oorsprongsgeluid Van Boxtel — niet minder modernistisch — nog altijd zoekt.

Dat is vergeefse moeite. Het oorspronkelijke, nog door niemand gesproken woord is al even onvindbaar als Flauberts papegaai. Onder die romantitel liet Julian Barnes twintig jaar geleden zijn hoofdpersoon op zoek gaan naar het enige authentieke exemplaar dat ooit op het bureau van de schrijver had gestaan. Hij vond er één, toen nog één, en ten slotte niet minder dan vijftig — in het museum van Rouen door verstoffing en verslijt intussen tot drie mottige ara’s gereduceerd. Zelfs over de oorspronkelijke kleuren van het oerexemplaar vervloog gaandeweg de zekerheid.