Column

Papieren dichters

Vroeger was er altijd wel een fikse rel die de Utrechtse Nacht van de Poëzie, officieel in 1980 van start gegaan, overschaduwde. Hevige beroering wekte in 1982 het optreden van Kamagurka, waarbij deze de as van de pas verongelukte Vlaamse poëet Paul Snoek op het podium in de rondte blies. Ook Johan Joos, die met zijn diabolische performances in 1983 en 1984 de helft van het poëzieminnende publiek Vredenburg uit krijste, liet de gemoederen niet onbedaard. Ophefmakend was drie jaar daarop de voordracht van Tom Lanoye, toen hij Elly de Waard uitmaakte voor «vrouw met de baard». Gedoe was er ook met W.F. Hermans. Op het laatste moment cancelde hij zijn optreden toen een Surinaamse vereniging vanwege des auteurs «negatieve opvattingen jegens de zwarte mens» van leer trok tegen zijn aanwezigheid.

Het merendeel van de dichters die in die dagen geprogrammeerd stonden was onder invloed van het een of ander en moest zich de volle acht minuten aan het spreekgestoelte overeind houden. Het publiek kon hemeltergend kritisch zijn. Wanneer een voordracht onder de maat werd bevonden, volgden steevast helse fluitconcerten. De dichteres Fritzi Harmsen van Beek, gewogen en kennelijk te licht bevonden, haastte zich met tranen op de wangen terug naar de foyer. De Nacht was in die tijd nog volop geïnspireerd op de uit Amerika overgewaaide Beatpoet-manifestaties.

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig werd de Nacht volwassen. De relschoppende Burroughs/Ginsberg-klonen dropen af. Daardoor gerustgesteld lieten poëtische grootheden zich eenvoudiger inviteren. Een omslagpunt werd bereikt in 1988, toen Gerrit Kouwenaar, «godfather van de autonome poëzie», een optreden toezegde. Na Kouwenaar kwamen ook Komrij en Kopland over de brug. Nog eenmaal werd de nostalgische herinnering aan tumultueuze Nachten van weleer tot leven gewekt, toen in 1996 Serge van Duijnhoven en confrater Olaf Zwetsloot in naam van jonge ongehoorde dichters clandestien naar de microfoon grepen.

Hoe braaf de Nacht geworden is, bleek afgelopen zaterdag weer eens, zo kalmpjes als de 21ste editie vergleed. Terwijl de organisatie dit jaar toch eenvoudig voor ophef had kunnen zorgen. De door Ilja Pfeijffer aangezwengelde discussie over «onbegrijpelijke» en «makkelijke» poëzie had men simpel in de programmering door kunnen laten klinken. Ongetwijfeld waren oude tijden gaan herleven als een gelijkwaardige afvaardiging van beide kampen de opwachting had mogen maken.

Dat de organisatie voor papieren dichters koos, mag dan omwille van de sensatie jammerlijk zijn, het luisterplezier was er afgelopen zaterdag niet minder om. Zonder overslaande stemmen en zonder hinderlijke beats wisten «onbegrijpelijke» dichters als Ilja Pfeijffer, René Puthaar en Rob Schouten toch indruk te maken. Gebeurde er dan echt helemaal niets? Voor de fijne verstaanders wel. Toen Cees Nooteboom, die naar verluidt zes keer zoveel aan gage opstreek, een van zijn verzen voor de helft had voorgelezen, begon een opstandig groepje jonge dichters ergens op de bovenste ring geestdriftig te applaudisseren. Het plotse geklap werd massaal overgenomen. De geschrokken Cees besloot zijn gedicht niet verder af te lezen. Niemand heeft het door, moet hij gedacht hebben.