Ger Groot

Papieren helden

De laatste bladzijde van iedere roman betekent een afscheid, smartelijker naarmate het boek beter was. Dat gevoel van persoonlijk verlies heeft op het eerste gezicht weinig literairs. Het schrijnt niet omdat het doet terugverlangen naar de brille van een stijl of de gewiekstheid van een toon. Wat beroert is het verlies van een wereld en misschien nog wel meer van de figuren die haar bewonen. Het is een vaarwel aan personen om wie we enkele honderden bladzijden hebben leren geven en van wie we, net als bij de dood, weten dat ze nooit meer zo levendig zullen terugkeren.

Een roman lezen we niet om wille van het hoe maar om wille van het wat dat verteld en beschreven wordt. Het eerste betreft het ambacht van de auteur, dat aan een boek wel mag worden afgelezen maar niet het waarom van het lezen vormt – hoe hard de literatuurwetenschap dat in de afgelopen decennia ook mag hebben volgehouden. Maar inmiddels is reading for the plot – naar een boektitel van Peter Brooks die klinkt als een manifest – weer oirbaar geworden en mogen actoren opnieuw de personen zijn die de lezer in zijn armen sluit.

Vreemde vrienden zijn het echter wel, zoals blijkt wanneer ze loskomen uit hun wereld en op eigen benen moeten staan. In de fantasie van de lezer begeleiden ze hem, adviseren en troosten hem misschien zelfs, maar daarvoor moet hij zich wel eerst aan hun wereld overgeven. Bloom zwerft voor eeuwig door zijn Dublin van 16 juni 1904, de schone Beatrijs door het Nijmeegse van de dertiende eeuw en Frits van Egters door de Amsterdamse straten van december 1946. Wij kunnen naar hen toe – maar alleen op die voorwaarde komen zij ook naar ons.

Dat verklaart de bevreemding bij het lezen van het lexicon Honderd helden uit de Nederlandse en Vlaamse literatuur van Inez van Eijk en Rudi Wester (Prometheus). Keurig alfabetisch staan de personages in het gelid, elk met een fiche waarop hun naam, woonplaats, leeftijd en tijd van leven staan genoteerd, naast een beschrijving van hun uiterlijk, opleiding, financiële middelen, voor- en afkeuren en natuurlijk hun liefdesleven.

Honderd literaire helden hebben in dit boek zo een voorbeeldig doopceel gekregen, waarvan menige geheime dienst zou watertanden – en toch herkent de lezer zijn held of heldin maar half, terwijl de informatie over figuren die hij nog niet in hun eigen boek heeft leren kennen nietszeggend van hem afglijdt. Zo samengevat lijkt de Nederlandse literatuur een huis met vreemde kostgangers, zoals de samenstelsters in hun voorwoord al een beetje vrezen. «Houdt van: Antiek. Grote borsten. Groene ogen. Het raadselachtige van alles», zo lezen we over Inni Wintrop uit Nootebooms Rituelen – en zoiets maakt niet direct een evenwichtige indruk.

De lezer herinnert zich dat alles waarschijnlijk wel, maar in de roman klonk het toch een stuk plausibeler. In de wereld van Inni gaan wij van de weeromstuit ook een beetje van antiek én grote borsten houden – en van hem. Maar wie is «hij»? Op de keper beschouwd niet veel meer dan op het fiche staat dat Van Eijk en Wester ons voorhouden: een held van papier waarover dít, dát en dát wordt gezegd – en dat is het dan. Alles wat Inni verder nog voor ons wordt, hebben wij in onze omgang met hem erbij leren denken.

Dat we dat doen, is het geheim van de literatuur. En daarom is het verlies dat we op de slotpagina voelen bij nader inzien juist literair wanneer we daarin een persoon te betreuren hebben. Dan is het ambacht van de schrijver geslaagd, verborgen achter het make believe waarmee uit niets een wereld is geschapen. Alleen wie zonder fantasie is gaat dan zoeken naar het hoe, in plaats van de herinnering te koesteren aan wie hij zojuist verloren heeft.