Papieren werkelijkheid

Met het bankbiljet verscheen ook de realistische roman op het toneel. Want beide moeten het hebben van de illusie. Geen wonder dat de antirealisten het op dat fictieve goedje hadden voorzien. Neem de valsemunters van Andre Gide.
‘GELD IS ALLES’, roept de verteller in De speler van Dostojevski uit. ‘Geld is leven. Geld heeft macht over alles’, verzucht Pere Goriot in de gelijknamige roman van Balzac. Dickens laat Bella in Our Mutual Friend zeggen: ‘Geld is altijd in mijn gedachten en verlangens’, en hij voegt daar bij monde van Dombey in Dombey and Son aan toe: ‘Geld, Paul, kan alles.’ ‘Mijn droom is geld’, bekent Diggory Venn in Hardy’s The Return of the Native. William Dean Howells vat het algemeen gevoelen van al die negentiende-eeuwse romanpersonages nog eens samen in The Rise of Silas Lapham: ‘Er is geen twijfel over mogelijk dat geld nu op de voorgrond staat. Het is de romantiek, de poezie, van onze tijd. Niets werkt zo op de verbeelding als geld.’

Als we literatuurwetenschapper John Vernon mogen geloven, is geld een van de voornaamste thema’s in de grote realistische romans van de negentiende eeuw. Oplichters, gierigaards, woekeraars, spilzuchtige vrouwen, mannen die met de speeltafel zijn vergroeid, ze treden bij voorkeur op in de boeken van Dickens, Balzac, Trollope, Henry James en Dostojevski.
In zijn studie Money and Fiction zet Vernon uiteen dat dat geen toeval is: de realistische romans gaan niet alleen vaak over geld en geldzuchtigen, ze zijn ook ontstaan in de tijd dat metalen munten werden vervangen door papiergeld, dat geld in iets volkomen anders veranderde. Lionel Trilling zegt het in The Liberal Imagination nog rigoureuzer: ‘De roman is geboren met het verschijnen van geld als sociaal element.’
In de negentiende eeuw vindt een ingrijpende omslag in de geschiedenis van het geld plaats. Natuurlijk, er is al eerder sprake van papier dat waarde vertegenwoordigt - wisselbriefjes voor de goudsmid, geschreven schuldbekentenissen - maar pas in de vorige eeuw wordt het bankbiljet algemeen geaccepteerd. Het is een omslag met verstrekkende filosofische gevolgen. Want goud- en zilverstukken representeren niet alleen waarde, ze hebben zelf ook waarde.
Hoe anders is dat met briefjes. Papiergeld is geld, maar tegelijkertijd de afwezigheid daarvan. Een bankbiljet is hoegenaamd niets waard, na een paar verhuizingen van portemonnee naar kassa naar portemonnee is het een beduimeld vodje. Het is een symbool voor waarde, meer niet. Vandaar dat bankbiljetten lange tijd met grote argwaan zijn bezien. De Franse Bank brengt in 1800 waardebriefjes naar buiten, maar de munten blijven nog lang rollen. Vooral de bewoners van het platteland houden zich eraan vast als drenkelingen aan een vlot. Zo laat Rastignac in Le Pere Goriot als hij geld aan zijn zuster stuurt, twee zakken met goudstukken bezorgen.
MAAR PAPIERGELD heeft ook grote mogelijkheden. Het is vluchtig, gewichtloos, anoniem en mobiel. Het gaat makkelijk van hand tot hand, is beweegljk als water en lijkt vooral te bestaan om verruild te worden voor iets dat wel vast is en van waarde. Munten en papier, er kleven ogenschijnlijk twee verschillende zonden aan. Goud laat zich het liefst vrekkig oppotten; papier wil uitgegeven worden, zelfs voor je het hebt - je wordt er buitengewoon spilzuchtig van.
Papiergeld is de grootste fictie van de negentiende eeuw en de grote fictie uit die tijd gaat over geld. Er is dan ook een belangrijke overeenkomst, zo betoogt Vernon, tussen het bankbiljet en de realistische roman. Beide zijn een illusie, een vorm van representatie - papiergeld van waarde, de realistische roman van de werkelijkheid - en beide kunnen alleen worden begrepen door een maatschappelijke conventie. De conventie dat ze voor iets anders staan dan zichzelf. Natuurlijk wordt de stilzwijgende afspraak van die conventie graag vergeten: we zijn niet snel geneigd te filosoferen over de briefjes van honderd die we in de knip hebben en zijn evenzeer bereid de realistische roman als een getrouwe spiegel van de werkelijkheid te zien.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat een schrijver die zich tegen het vanzelfsprekende realisme verzet, het geld als metafoor gebruikt. In Les faux-monnayeurs, de door en door modernistische roman die Andre Gide in 1925 publiceerde, vindt daadwerkelijk een geval van valsemunterij plaats. Een groep scholieren brengt valse goudstukken in omloop; glazen goudgeverfde munten die van echt te onderscheiden zijn, behalve dat de goudlaag in het gebruik slijt. Zo komt de politie het misdrijf op het spoor.
Uit het dagboek dat Gide heeft bijgehouden over het schrijven van de roman, Journal des faux-monnayeurs, blijkt dat hij zich heeft laten inspireren door een kranteartikel waarin een merkwaardige bende van valsemunters wordt beschreven - de bende komt, nogal ongebruikelijk, voornamelijk bij elkaar om te spreken over politieke en literaire vraagstukken. De aanstichter van de valsemunterij in de roman van Gide, de cynische Strouvilhou, is aldus in de eerste plaats schrijver. En dan ook nog een schrijver die evenals de hoofdpersoon weinig opheeft met het realisme.
Maar Les faux-monnayeurs is geenszins een intellectuele misdaadroman. De val semunterij voltrekt zich pas aan het eind van het boek, de scholieren worden niet eens ingerekend, de criminele schrijver niet gepakt. Nee, Les faux-monnayeurs is een uiterst complexe roman waarin veel gebeurt en nog meer wordt gefilosofeerd. Hoofdpersoon is de schrijver Edouard. Er wordt over hem verteld door de alwetende verteller van de roman. Tegelijk bestaat Les faux-monnayeurs voor een groot deel uit zijn dagboeknotities. Veel van die notities gaan, net als het Journal van Gide zelf, over Edouards nieuwe boek, dat de titel Les faux-monnayeurs moet krijgen.
Uit de dagboekaantekeningen van Edouard blijkt dat hij bovenal worstelt met de verhouding tussen roman en werkelijkheid: 'Ik begin datgene te zien, wat ik het “diepere onderwerp” van mijn boek zou willen noemen. Ongetwijfeld is het de wedijver tussen de werkelijke wereld en de voorstelling die wij ervan maken. De manier waarop wij onze eigenzinnige interpretatie aan de wereld der verschijnselen proberen op te dringen, vormt het drama dat ons leven is.’ Hij is, kortom, bovenal geiteresseerd in de spanning tussen de werkelijke wereld en de manier waarop wij haar representeren.
Edouard wil een abstracte roman schrijven, een roman pur, die zich niet simpel laat dicteren door de werkelijkheid. Tegelijkertijd beklaagt hij zich over zijn gebrek aan verbeeldingskracht. In zijn dagboek legt hij wel degelijk de werkelijkheid vast, maar hij is zich er daarbij terdege van bewust dat hij deze nooit adequaat weergeeft. Vandaar dat hij wil dat zijn roman geen onderwerp heeft: elke uitsnede uit de werkelijkheid is namelijk per definitie willekeurig.
“Een brok leven,” zei de naturalistische school. De grote fout van die school was dat zij haar brok altijd in dezelfde richting afsneed’, bedenkt Edouard. Hij neemt zich voor duidelijk te laten merken dat zijn verhaal slechts een constructie is, en wel een constructie uit een groot aantal mogelijke constructies. Hij zal niet verdoezelen dat zijn roman gestileerd, vormgegeven is. 'Wat ik wil, is aan de ene kant de werkelijkheid presenteren, aan de andere kant wil ik de poging tot stileren laten zien.’
MET DE VALSEMUNTERS heeft Edouard niet zozeer de jeugdige boeven voor ogen; hij denkt eerder aan een aantal collega-schrijvers, naieve realisten die denken dat ze de werkelijkheid in woorden kunnen vangen. En misschien zijn schrijvers per definitie boeven en is schrijven per definitie valsemunterij.
De Franse literatuurwetenschapper J. J. Goux gaat in zijn boek Les monnayeurs de langage verder waar John Vernon ophield. Volgens hem is het geen toeval dat de crisis van het realisme in de roman samenviel met het voorgoed verdwijnen van het goudgeld. Rastignac kon in Le Pere Goriot nog kiezen tussen papier en goud, maar vanaf de Eerste Wereldoorlog hadden de biljetten het edele metaal definitief vervangen. De waarde van geld is vanaf dan louter fictief en iedereen die erover nadenkt, weet dat. Precies als met het papiergeld, zo stelt Goux, is het met woorden. Ze roepen de werkelijkheid op, maar hebben er even weinig mee te maken als bankbiljetten met waarde.
En tegelijk doen we er alles aan om die paradox te vergeten. We laten het geld ontwerpen door alom erkende kunstenaars om maar niet te zien dat we eigenlijk een vodje in de hand hebben. Wat de kunst betreft, is het experiment van Gide alweer achterhaald. We weten heel goed dat wat we lezen de werkelijkheid niet is, maar we verdringen dat graag, zolang het boek duurt. Schrijvers zijn valsemunters en de meeste lezers laten zich maar wat graag bedriegen.