Paradijs

Ik maak een tocht over de Waddeneilanden.

En plotseling – het onbewuste kan sentimenteel zijn en de draak met je steken – kom ik bij een boerderij waar zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw een commune bevond.

Medium opheffer 34 2012 commune

Ik moet in die tijd ergens in de twintig zijn geweest. Mijn kop zat vol Bob Dylan en poëzie.

De commune was een bereikbare utopie, een Klein Walden, een geweldloze methode om je te verzetten tegen het bourgeoisbestaan in de grote stad en werd getypeerd door eigenwijsheid in vrijheid.

Dus daar wilde ik zijn.

Ik had al eens een paar weken in commune gezeten in Zuid Frankrijk (lees mijn boek De plant die muziek maakte, dat voor een deel vernietigd is, maar her en der nog antiquarisch te koop), maar dit was een Nederlandse commune.

Ik ging erheen en trof een paradijs waar de vrije liefde bestond en waar schapen werden gehouden als huisdieren en waar de drie herdershonden ’s nachts tegen je aan sliepen.

Maar.

Iedereen was ziek!

Althans, de vaste bewoners. Ze hadden allen iets ondefinieerbaar ernstigs. Ontsteking aan de eierstokken, balzakkanker, een oog dat eruit moest, gangreen aan het been – in het begin viel het niet op, maar de enige link met de andere wereld was als de Volkswagen van de dokter weer het erf op kwam rijden en dat was bijna elke dag het geval.

Ik ben er een maand gebleven waarvan ik twee weken last had van dunne poep. Toen ik een hele dag geslapen had en me nog beroerd voelde, kreeg ik visioenen van mijn moeder naar wie ik dan ook terugging.

Maar nu stond ik weer voor die boerderij die helemaal opgeknapt was. Ik herkende de geur van het land, het uitzicht, en ik begreep waarom men toen, daar, een commune had gesticht; de boerderij en de omgeving had nog steeds iets van een middelvinger tegen de stad: hier konden dingen gebeuren.

Al die dingen waren ook gebeurd, maar vermoedelijk een mislukking geworden. Waar waren Bert en Thea, een jongen die Kim heette en een meisje dat Ossie genoemd werd? Zouden ze allemaal al dood zijn, of ook dat visioen van hun moeder hebben gekregen?

Het verbaast me dat er geen communes meer zijn – of zijn ze er wel? Communes hebben mij altijd geïntrigeerd. Pas later heb ik ingezien dat communes een vorm van antimaatschappelijke masturbatie zijn; je wilde je utopische fantasieën snel bevredigen: hier is ons wolkenland, hier mag alles, hier heerst de totale vrijheid, treed binnen en geniet van de verwerkelijking van de hoogst gestemde gedachten.

Ik droeg een gitaar en wilde neuken, maar vooral dat laatste had ik verpakt in een gelei van idealistische vergezichten die zich over de gehele Noordzee uitstrekte.

En toch!

Het was een leerschool. Als ik nu ondernemers hoor spreken over ‘risico’ denk ik: zij, in die commune, namen ook risico. Ze namen risico met een manier van leven. Ze speelden en verloren.

En toch!

Ik geloof dat een van de jongens in die commune ook daadwerkelijk ondernemer is geworden. Via een logische weg. Hij maakte muziek, had wat dure bandrecorders gekocht, daar kwam een mengpaneel bij en vijftien jaar later had hij op het eiland een opnamestudio en weer later wat platen- en cd-winkels. Ik hoorde dat hij gestorven was in een spijkerpak en met lang grijs haar – het enige wat hem nog verbond met onze commune.

Ik ben nu ouder. Vrienden zeggen dat we met z’n allen een huis moeten kopen en dan, als we nog veel ouder zijn, voor elkaar moeten zorgen.

Misschien klopt het wel, dat een commune kan lukken als idealen er niet meer toe doen omdat je te oud bent om je nog ergens over op te winden.


Beeld: Milo