Expositie: ‘De Grote Suriname-tentoonstelling’

Paradijs der broederschap

De Grote Suriname-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam is een bijspijkercursus voor al die Nederlandse Nederlanders met grote hiaten in hun kennis.

De Grote Suriname-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk, Amsterdam © Evert Elzinga

In Suriname wonen de donker gekleurde mensen en op de Antilliaanse eilanden de lichter gekleurden. Ik weet niet hoe ik aan die wijsheid ben gekomen, ik kan me haast niet voorstellen dat het me op school zo is verteld, maar ik ben er toch lang van uitgegaan dat het klopte, totdat ik zelf Surinamers en Antillianen leerde kennen.

Ik herinner me de journaalbeelden van de Surinaamse onafhankelijkheid (25 november 1975), ik herinner me, nu ik ’m in de Nieuwe Kerk in Amsterdam terugzie, zelfs de groene galajurk die de toenmalige prinses Beatrix bij die gelegenheid droeg.

Uit die diffuse en nauwelijks betrouwbare herinneringen laat zich in ieder geval één ding afleiden: ik ben geen Surinamer, ik ben er niet geboren en niet opgegroeid; pas op volwassen leeftijd deed ik het land voor het eerst aan, toen het staatsrechtelijk al los stond van Nederland. Zware jaren, die late jaren tachtig, niet alleen politiek maar ook economisch. Het land pinaarde, zoals het in het Surinaams Nederlands heet, het leed gebrek. Maar het meest overweldigde me dit: ik wist, ondanks Surinaamse vrienden en kennissen die me hadden bijgepraat, betrekkelijk weinig van het land, terwijl Surinamers zoveel kennis paraat hadden over Nederland. Dit eenzijdige weten, waarbij het centrum (Nederland) ziende blind kan zijn, en het logisch was dat de periferie (Suriname) het centrum nog beter leerde kennen dan zichzelf, is een gevolg van eeuwenoud machtsverschil. Nederland en Suriname: kolonisator en kolonie, in ieder geval van 1667 tot 1954, toen Suriname via het koninkrijkstatuut ‘interne autonomie’ kreeg binnen het koninkrijksverband.

Maar zo’n eenzijdige blikrichting verander je net zomaar, ook al omdat vlak vóór en ook na de onafhankelijkheid (1975) een significant deel van de Surinaamse bevolking zich in Nederland vestigde. Meer dan 350.000 Nederlanders hebben inmiddels Surinaamse wortels. Het land zelf kent een bevolking van zo’n 585.000 mensen. Cru gezegd: na die Surinaamse onafhankelijkheid zijn Nederland en Suriname meer verweven geraakt dan ooit, niet alleen door geschiedenis en taal, maar vooral door die talloze familiebanden, over en weer. Suriname ligt sindsdien gedeeltelijk tussen Groningen en Maastricht.

De Grote Suriname-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk is dan ook een bijspijkercursus, rudimentair van opzet, voor al die Nederlandse Nederlanders met grote hiaten in hun kennis. En voor Surinaamse Nederlanders betekent het erkenning: de focus ligt nu op hen, op hun (voormalige) vaderland, op de geschiedenis die zich grotendeels afspeelde in de schaduw van die van Nederland. Het is moeilijk voorstelbaar dat in Suriname De Grote Nederland-tentoonstelling wordt geopend, niet alleen vanwege oud zeer, maar toch vooral omdat zo’n tentoonstelling overbodig zou zijn.

Suriname in zijn huidige vorm is voor een groot deel een Nederlandse creatie. Dat wil niet zeggen dat er niets of niemand was voordat de eerste Europese kolonisatoren rond 1650 het land claimden. Een van de indrukwekkendste objecten in de expositie is een stenen masker, precolumbiaans, afkomstig van het Surinaams Museum. De zeer onprecieze datering (750-1250 na Chr.) laat de sporen zien van een ongeschreven geschiedenis van inheemse bewoners, die voor een groot deel nog niet ontsloten is.

Over het huidige Suriname zegt Jörgen Raymann, bekend cabaretier en een van de vele ‘stemmen’ die te horen zijn op de tentoonstelling: ‘De culturele diversiteit waar we zo prat op gaan in Suriname hebben we aan de Nederlanders te danken.’ Dat is zoveel als een bitterzoet compliment en een verwijt ineen. Want: ‘In the end is Nederland ons komen halen uit verschillende delen van de wereld en heeft ons geplant in Suriname.’

Geplant. Een woord dat ogenblikkelijk de associatie oproept met ‘plantage’ en alles wat erbij hoort. Mensen die ergens ‘geplant’ worden hebben niet geen besluit genomen of een reis gemaakt: ze zijn ergens afgezet, ergens gedropt. (Dropping: pas geleden nog sprak The New York Times ontzet over een ‘bizar Nederlands zomerritueel’ waarbij kinderen in het bos worden achtergelaten. Enfin, de echt ‘bizarre’, onmenselijke ‘droppingtraditie’ gaat nog veel verder terug.)

Als er één feit is waar Surinamers met trots naar wijzen is het de ‘diversiteit’ van de bevolking. Let wel: die diversiteit is nooit een modewoord geweest of een typisch Surinaams ideaal. De verscheidenheid van de bevolking was een voldongen feit, door Nederlanders gecreëerd.

De inheemse bevolking werd door een inschattingsfout van Columbus aanvankelijk ‘indianen’ genoemd, maar hij had niet India bereikt maar de Amerika’s. Meteen werd door de eerste Europese kolonisten die oorspronkelijke bevolking ‘aangevuld’. Historicus Carl Haarnack beschrijft het lot van ‘tienduizend in slavernij gebrachte Afrikanen (…) Het totaal aantal slaven dat naar Suriname werd gebracht, zal tussen de 300.000 en 350.000 gelegen hebben.’ Ongelooflijke aantallen: de nazaten van de in slavernij gebrachte Afrikanen maken nog steeds een belangrijk deel uit van de Surinaamse bevolking: daaronder de marrons die hun slavernij ontvluchtten en hun Afrikaanse cultuur wisten te conserveren in het binnenland, en de brede groep van creolen. Anders dan in de rest van Latijns-Amerika is ‘creool’ in Suriname geen kleuraanduiding. Creolen (of Afro-Surinamers) kunnen licht en ook donkerbruin of zwart zijn. Ze zijn ‘gemengd’, ze dragen een geschiedenis in zich van buitgemaakte Afrikanen, maar ook van andere groepen. Want na de formele afschaffing van de slavernij (1863), die in de praktijk nog tien jaar voortduurde, werden er hindoestanen uit India en later ook Javanen uit het toenmalige Nederlands-Indië gehaald. Chinezen uit Java en Macau waren hun voorgegaan. ‘Contractarbeiders’ heetten ze officieel, maar die ‘contracten’ waren meestal zo ongunstig dat de weg terug voor het merendeel van de nieuwkomers was afgesloten.

Inclusiviteit is in Nederland in de mode maar in Suriname al langer praktijk

En zo zag ‘diversiteit’ er in de eerste helft van de twintigste eeuw uit in Suriname: een gedwongen samenleven van al die groepen, met wat Libanezen, wat Europeanen, joodse nazaten, plus de ‘mengmensen’ die er van al dat ‘samenleven’ waren gekomen.

Suriname is een vruchtbaar land en rijk aan grondstoffen, zoals elke Surinamer je voorhoudt (net als Congo, waar het ook niet zo goed gaat), maar zijn grootste schat betreft toch de Surinamers zelf. Er zijn weinig landen die al zo lang een zo gemengde bevolking kennen.

Die diversiteit geldt nu als aanbeveling, zelfs als toeristische belofte, en ook wel als wapenfeit, waar Surinamers trots op zijn, zeker nu Nederland al decennialang worstelt met het multiculturele aspect. Een ‘trotse’ diversiteit dus, maar toch ook als onbedoeld gevolg. De Nederlanders zullen ‘praktisch’ hebben gedacht toen ze op zoek naar arbeidskrachten al die verschillende etnische groepen gingen halen of lieten komen.

Er zal, zeker in het begin van de twintigste eeuw, verheugd zijn geconstateerd dat zo’n ‘etnische verzuiling’ in Suriname een hindernis opwierp tegen bijdetijdse antikoloniale activisten als de Surinaamse schrijver en verzetsstrijder tegen de nazi’s, Anton de Kom (1898-1945). Dit volk was verdeeld, niet langs religieuze of levensbeschouwelijke lijnen zoals Nederland, maar langs etnisch-genealogische lijnen. Dat was een meevaller voor de kolonisator, die geen eendrachtige tegenstand te duchten had.

Nee, het ‘paradijs der broederschap’ is in Suriname niet per ongeluk gerealiseerd. Elke vorm van hooggestemdheid lost op in pragmatisme. Er zijn en er waren zeker in het verleden spanningen tussen bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld tussen de creolen en de hindoestanen, zoals rondom de onafhankelijkheid. Maar terwijl de ‘diversiteit’ een koloniaal gevolg is, is het de verdienste van Suriname dat het er meestal vreedzaam aan toeging, met als recente, postkoloniale uitzondering de Binnenlandse Oorlog (1986-1992) onder Desi Bouterse, tegen Ronnie Brunswijk – later toch weer politieke coalitiegenoten.

Sowieso komt de postkoloniale periode, met onder meer de infame decembermoorden in 1982, zeer summier aan bod in deze expositie. Het politieke verhaal van Suriname, zeker na 1980, is verre van feel good. Nog steeds is er een lijn van wrok en woede te trekken tussen de voor- en tegenstanders van Bouterse en de executies van 1982. Tussen de toenmalige daders en de (familie van de) slachtoffers. Tegelijkertijd is in Suriname zelf, en zeker in de hoofdstad, de mogelijkheid om elkaar voorgoed te ontlopen minimaal. Ik heb wel eens aangezeten bij een diner in Paramaribo waar hartstochtelijk over Bouterse werd gezwegen. De een z’n familielid was vermoord, de ander z’n familielid had die moord goedgepraat. Ik dacht als Nederlandse gast daar toch over te kunnen beginnen. Dat bleek niet zo’n goed plan.

Van de schrijver V.S. Naipaul (1932-2018), zelf geboren in Trinidad, is het idee afkomstig dat Caribische samenlevingen geen ‘hele culturen’ vormen, zoals India en het Verenigd Koninkrijk, maar dat ze zijn geschapen naar andermans beeld. Koloniale constructies, in elkaar gezet door derden. Over die ‘hele culturen’ kun je twisten, maar de fragiele ondergrond van het Caribisch gebied, ook in politiek en staatsrechtelijk opzicht, is onmiskenbaar. Het idee dat een land eerder een toevalstreffer is dan de verbeelde uitkomst van geschiedkundige lotsverbondenheid valt niet zomaar uit te wissen. De koloniale heerser is inmiddels vertrokken, maar de koloniale impulsen en de koloniale afhankelijkheden laten zich niet per decreet opheffen.

Die onbestemdheid geeft Suriname ook zijn charme, zijn generositeit. Inmiddels heb ik het land vaak bezocht, met Surinaamse vrienden, en ook al weer jaren met mijn Surinaamse echtgenoot, op bezoek bij mijn schoonfamilie. En elke keer verbaas ik me erover. Want de ‘echte Surinamer’ kent anders dan bijvoorbeeld de ‘echte Fransman’ geen duidelijk gezichtsprofiel of uiterlijk, geen vaststaande huidskleur, geen eenduidige historische erfenis of afkomst. Beheersing van het (Surinaams) Nederlands, van het Sranan en van vaak nog een andere taal (Sarnami Hindi, Aukaans) is bewijs genoeg. Dat levert een heel flexibele ‘nationale identiteit’ op, die je niet ‘op het eerste gezicht’ ziet. De scheidslijn tussen ‘ons’ en ‘niet-ons’ is fysiologisch poreus. Afstammelingen van Nederlandse boeren, de zogeheten buru’s, maken al generaties lang deel uit van de bevolking. Ze doen hun blonde mond open en je hoort: Suriname.

Zo werd ik ook bij mijn eerste bezoeken automatisch tot Surinamer gedoopt. Ik sprak vreemd, on-Surinaams – dat zou ik wel in Nederland hebben opgedaan – maar mijn haar (kroes) en mijn lichtbruine huid waren voldoende redenen om mij ter plekke te adopteren.

‘Inclusiviteit’ is in Nederland nu al weer jaren in de mode, maar het moet gezegd: in Suriname is het al veel langer staande praktijk. Mijn advies aan Nederlanders die er nooit zijn geweest: ga een keer naar Suriname. Niet vanwege de schitterende stranden (niet), maar vanwege die gedeelde geschiedenis, die zo eenkennig is onthouden. De Nederlander die naar Suriname reist krijgt een complexer idee van zijn eigen land. Hij ziet dat zijn land niet ophoudt waar hij dacht, maar dat het elders is voortgezet en in veranderde vorm voortleeft. Hij spijkert zijn kennis bij. Hij ziet hoe het ook anders had kunnen lopen. Zo iemand krijgt een royaler bewustzijn – en dat ook nog eens buiten het koninkrijk.


De Grote Suriname-tentoonstelling, t/m 2 februari, Nieuwe Kerk, Amsterdam, nieuwekerk.nl