Paradoxale continuïteit

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: paradoxale continuïteit. Wat voorheen mondigheid was, is nu: ‘Blijf van mijn poen af!’

‘Economisme’, marktdenken en ikke-ikke-ikke… ook het komend jaar zal dit rechtse gedachtegoed weer toonaangevend zijn. Zelfs de babyboomers hebben zich op de valreep massaal bekeerd tot deze nieuwe vormen en gedachten. Op de een of andere manier zijn zij – nou ja, wij – erin geslaagd stilletjes de omslag te maken van idealisme naar welbegrepen eigenbelang.

Of was het toch geen omslag? Je zou het ook kunnen zien als een geleidelijke metamorfose waarbij linkse denkbeelden uit de jaren zestig en zeventig compleet van karakter veranderden. Ik noem dit verschijnsel ‘paradoxale continuïteit’: een vorm van verandering die zich zo ongemerkt voltrekt dat op het eerste gezicht sprake is van een doorgaande ontwikkeling.

Het meest in het oog springende voorbeeld is de typische jaren-zeventigverworvenheid van ‘mondigheid’, zelfbeschikking en assertiviteit. Deze nieuwe weerbaarheid wortelde in de democratiserings- en emancipatie-ideeën van die tijd: onderdrukte vrouwen, uitgebuite werknemers en autoritair opgevoede kinderen moesten ‘opkomen voor zichzelf’. Het ging dus om het opheffen van groepsachterstanden.

Maar in de jaren tachtig, toen de roze wolken van de hoogconjunctuur waren opgetrokken, bleek het opzetten van een grote bek ook wonderwel geschikt voor het najagen van het hoogst individuele eigenbelang. De wapenen in de huidige strijd om het bestaan werden dus al geslepen in de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat.

Sprak ik hierboven van een metamorfose, in sommige gevallen ging het eerder om een kwaadaardige mutatie. Dat geldt voor de overgang van ideologisch activisme naar niets ontziende belangenbehartiging in de kraakbeweging. Met hun Witte-Woningenplan stelden de provo’s zich teweer tegen huisjesmelkers en projectontwikkelaars. Vijftien jaar later was de beweging ontaard in terreur en verlamming van de gemeentelijke woningdistributie, een arrangement ten behoeve van de zwaksten.

Eenzelfde Werdegang kenmerkt een ander bevrijdend idee uit de jaren zeventig: privacy. Ieder individu moest zich kunnen ontplooien zonder bemoeizucht van anderen en zonder betutteling door de staat. In 1983 werd het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer grondwettelijk verankerd.

Sindsdien is privacy op steeds meer gebieden een rol gaan spelen. Burgers moesten niet alleen de baas zijn over hun eigen lichaam, maar ook gevrijwaard worden van inmenging in hun omgang met anderen, met instanties en met de overheid. Deze opstelling werd krachtig aangewakkerd door een ‘precieze’ stroming onder ethici en juristen, die in het maatschappelijk, medisch en juridisch debat grote invloed verwierf.

Intussen raakte het nobele beginsel allengs verweven met belangen en calculerende afwegingen. Wat begonnen was als een bevlogen beweging zakte af naar het meest geduchte privacycentrum van de Hollander: zijn portemonnee.

Het recht op privacy bleek wonderwel geschikt als front cover voor het afschermen van twijfelachtige zaakjes. Het werd aangeroepen door ambtenaren die van fraude werden verdacht, universiteitsbestuurders die zichzelf een douceurtje hadden toebedeeld, bijsnabbelende commissarissen van de koningin, medici die foute of valse diagnoses stelden, enzovoort. Zodra de media een vinger naar ze uitstaken, kwamen ze met dezelfde pavlovreactie: ‘Handen af van mijn privacy!’ In werkelijkheid bedoelden ze natuurlijk: ‘Blijf van mijn poen af!’

Het zijn niet alleen hoge heren die de zegeningen van een hoge privacystandaard tellen. In 1993 beklaagde een inbreker zich dat hij de buit van zijn juwelendiefstallen niet meer in gehuurde kluisjes kon opbergen: de Fiod maakte alles open. ‘Schending van de privacy’, brieste hij. ‘De burgerrechten worden tenietgedaan.’

Vaak wordt het recht op privacy misbruikt om winstbejag af te dekken waarvan niemand in het bijzonder het slachtoffer wordt: de kosten komen voor rekening van de gemeenschap. Maar een beroep op privacy leent zich ook voor kwesties waarbij duidelijk aanwijsbare personen worden getroffen. Tot 1994 kon een verdachte van moord of verkrachting weigeren lichaamsmateriaal af te staan voor dna-onderzoek. De privacy van de verdachte prevaleerde boven die van de verkrachte. Dat ondervond ook de in 1990 verkrachte vrouw die het medisch dossier van haar verkrachter wilde inzien vanwege mogelijke hiv-besmetting. De dader wilde alleen toestemming geven als zij hem zou opzoeken in de tbs-kliniek. Dat weigerde zij, zodat ze zichzelf moest laten testen.

Een recenter voorbeeld is de Q-koortsepidemie van 2009, waardoor duizenden mensen besmet raakten en tientallen stierven. Het ministerie van Landbouw weigerde de identiteit van besmette geitenhouderijen aan de ggd’s bekend te maken – vanwege hun privacy. Zo verbreedde en versterkte de ‘individuele levenssfeer’ zich tot een bastion dat voor anderen, ook als die optraden namens de overheid of namens zieken of slachtoffers, steeds moeilijker te nemen werd.

Op den duur zijn de anti-inmengingsvertogen ons tussen de oren gaan zitten. Ook de minste vorm van bemoeienis wordt nu al gauw als een ongewenste intimiteit ervaren: ‘Kijk niet zo. Heb ik wat van je an?’

Zo verkeerden ‘zachte’ denkbeelden uiteindelijk in hun tegendeel – geschikt voor een wereld die zich allengs heeft verhard. De kosten komen voor rekening van degenen die er niet in slagen deze nieuwe gedragsvarianten in hun voordeel aan te wenden. De sukkels, de niet-slimmeriken. De niet-assertieven.