Nominatie Anil Ramdas Essayprijs

Paralipomena

Esther De Soomer mijmert in dit essay, dat genomineerd werd voor de Anil Ramdas Essayprijs, over de plekken waar je je thuis hoort te voelen en toch niet thuis bent. En over de jaloezie op mensen die vanzelfsprekend wel ergens bij horen.

Ik rijd Kieldrecht binnen. Nog geen vijf kilometer verderop liggen de containerschepen van de Antwerpse haven. De voorstevens wijzen dreigend mijn richting uit, alsof ze door het landschap willen klieven om de huizen te overschrijven, zoals de bedoeling was in Doel, het naburige dorp. In de jaren zestig werd aangekondigd dat Doel uitgegomd moet worden voor de havenuitbreiding. Ondertussen zijn er nieuwe plannen, het dorp zou deels kunnen blijven bestaan. Maar de meeste inwoners zijn intussen wel vertrokken.

‘s Avonds sta ik op de dijk van Doel, het zoemen van de kerncentrale in mijn oor. Ik overschouw het verval, de huizen als lege hulzen, de graffiti op de dichtgetimmerde ramen. Achter de dijk stroomt teerzwart en traag de Schelde. In de verte steekvlamt de petrochemie.

Ik zou moeten ontbranden, in opstand moeten komen tegen de autoriteit die ooit besliste: dit mag worden weggewist, vergeten, deze plek is niet meer dan een krabbel in de marge, die met gerust hart herbeschreven kan worden. Maar ik voel niet meer dan de vage unheimlichkeit die iedereen wel overvalt bij een bezoek aan een spookdorp. Ik ben geen kind van de polder. Ik werd hier niet geboren, zoals mijn moeder. Hoe ben ik verbonden met dit troosteloze vlakke land, met zijn donkergrijze novemberakkers, zijn trage koeien en zijn verwaaide populieren behalve dan door sporadische bezoeken aan mijn grootouders in
Kieldrecht?

Misschien horen de containerschepen niet in de polder, denk ik. Maar ik ook niet.

*

Ik loop door een donker woud onder hoge, dichte kruinen. Bijna vergeet ik dat het zomer is. De bomen zijn oud. Ze moeten er al gestaan hebben toen mijn oma Agnes hier nog wandelde. Op weg terug naar de boerderij loopt een koe over straat. Meine Kuh!, zegt Aloys. Aan zijn Duits hoor je niet dat hij eigenlijk altijd Pools spreekt. Hij lacht, neemt de koe bij het touw om haar nek en dwingt haar zachtjes mee naar huis.

Op de zolder staat een spinnenwiel. Er liggen gesponnen draden, echte wol. Het ziet er authentiek uit. Niemand kan met zekerheid zeggen of mijn oma Agnes hier nog gesponnen heeft. Ik denk van wel. Het is een aantrekkelijke voorstelling.

Een doos met foto’s. Er duikt een man op, strak in het uniform, stijf als bordkarton. Hij houdt een sabel vast en draagt een opkrullende snor. Een Pruis die vocht in het leger van de keizer. Ik bestudeer hem in sepia. De vader van mijn grootvader? Zijn oom? In ieder geval familie.

Polen is een mooi land. Er groeien cantharellen in mosgroene wouden. De mensen spreken een zacht zwalpende, donkere taal. Hier kom ik vandaan, denk ik, terwijl ik naar de Pruis kijk. Het doet me niets.

*

Mijn oma Agnes heeft me een speelgoedweefgetouw gegeven. Ik weef een klein tapijtje en rafel de draden weer uit. Dan begin ik opnieuw. Ik maak een ander kleurpatroon dan daarnet. Rondom mij spelen neven en nichten, mijn broer en zus. Er liggen grote borden met Lebkuchen en Aachener Printen onder de kerstboom. Mijn opa zit aan de piano en speelt kerstliederen.

Es ist ein Ros entsprungen. Aus einer Wurzel zart.

We reden langs de Rijn naar hier. Aan de grensovergang met Duitsland kregen we een snoepje. Toen we aankwamen schemerde het al. De witte lichten van de Bayerfabriek staken scherp af tegen de donkerende hemel.

Of de industrie al zo wirtschaftwunderlich oplichtte toen mijn grootouders hier voor het eerst aankwamen, weet ik niet. Ook niet hoe lang ze onderweg geweest waren, of ze vaak moesten overstappen. Zelfs niet waar ze op de trein gestapt zijn. Wellicht hebben ze een stuk van hun tocht te voet afgelegd, zoals de meesten van de twaalf miljoen andere Duitsers die na de oorlog vluchtten. Sąpolno, het piepkleine dorpje in de Pommerse bossen waar ze vertrokken, had geen station. Wel een kerkje en een kerkhof, waar twee dochtertjes van mijn grootouders begraven lagen, verder een school, een handvol huizen, waaronder de boerderij van mijn oma Agnes, waar nu Aloys woont met zijn koe.

Eigenlijk weet ik niets over de omstandigheden van die tocht naar het westen van Duitsland, waar ongetwijfeld geen mens zat te wachten op die ellendig lange stroom aan Heimatvertriebene uit het oosten, die permanente, in lompen gehulde herinnering aan zijn grote Duitse schuld. Over de vlucht werd niet gesproken. De generatie van mijn grootouders stond erom bekend er pragmatisch het zwijgen toe te doen als het ging over wat ze wisten, deden en verzuimden tussen ‘33 en ‘45. Dat stuk van de geschiedenis wordt weggelaten.

Het enige dat ik weet is dat ze uitstapten in Leverkusen, eindstation, en samen met hun drie kinderen opgevangen werden door de plaatselijke pastoor. Mijn vader en mijn oom kregen ze daarna.

De generatie van mijn grootouders stond erom bekend er pragmatisch het zwijgen toe te doen als het ging over wat ze wisten, deden en verzuimden tussen ‘33 en ‘45

Ik rafel het weefwerkje weer uit.

Es ist ein Ros entsprungen, zingen mijn nonkels en tantes. Aus einer Wurzel zart.

Geloven ze daarin – een tere wortel waaruit een bloem ontspruit? Een plek waar we vandaan komen?

*

Ik ben op bezoek bij een vriendin in Leuven. Buiten trekken onrustige wolken voorbij. Zelfs ‘s middags moet het licht aan. De regen werpt zich tegen de ruiten en stopt dan abrupt, alsof de hemel zich bedacht heeft. Mijn vriendin komt uit het zuiden.

Ik heb een vlucht geboekt, voor overmorgen, zegt ze. Ik ga een weekje naar huis. Ik kan het weer niet meer verdragen.

Maar, zeg ik, wij Belgen kunnen dit weer ook niet verdragen. Het komt eruit met een stelligheid die me verbaast. Terwijl ik anders zo omzwachteld spreek over bevolkingen, landen, afkomst, thuis. Misschien klink ik voor een keer alsof ik er zelf in geloof omdat ik in Leuven ben. Hier ben ik geboren. Het is de enige plek die op iedere nieuwe versie van mijn identiteitskaart gelijk blijft. De plaats van afgifte is altijd al een andere geweest.

Ja, zegt ze, maar jouw familie is hier.

Je hebt heimwee, zeg ik, en het klinkt treurig omdat ik weet dat ze later dit jaar voor altijd teruggaat, en omdat ik lichtjes afgunstig ben, op dat gevoel dat ik ontbeer: de zekerheid ergens thuis te horen, de overtuiging een bestemming te hebben.

*

Het komt erop aan de genese te reconstrueren. Ik zit in een Berlijnse bibliotheek, gebogen over stoffige drukwerken en oude Sutterlin-handschriften. Mijn paper moet aan het eind van de week klaar zijn. Ik tracht zicht te krijgen op het auteurschap van alle versies, orden ze chronologisch, reconstrueer op basis daarvan de tekst voor de historisch-kritische uitgave. Die moet authentiek zijn, van alle fouten gereinigd, een weergave van de woorden die de auteur precies bedoelde. Het is de tekst die de lezer uiteindelijk als zijn pennenvrucht gepresenteerd krijgt.

In de voetnoten bij zo’n uitgave komen alle vroegere versies. Daar horen ook de fragmenten en ontwerpen thuis, de schetsen en kladden, de notities in de marges van andere boeken. De paralipomena – wat overgeslagen of weggelaten werd. Of vergeten.

Het valt te vermoeden dat juist in de paralipomena woorden te lezen zijn die ongefilterd neergeschreven werden en die dus rechtstreeks inkijk bieden in de geest van de auteur, denk ik. Dat idee trekt me aan. Maar ik heb geen tijd om af te wijken van de rode draad. Die paper moet af. En paralipomena zijn niet meer dan losse eindjes, onmogelijk te verweven tot een zinvol geheel. Daarom tellen ze niet mee bij het reconstrueren van een tekst waaruit auteursintentie spreekt.

Oorspronkelijkheid is geen garantie op bestemming.

*

Als iemand me vandaag vraagt van waar ik kom, antwoord ik kortweg dat ik geboren ben in Leuven. Dat doe ik nog niet zo lang. Vroeger putte ik me uit in nuanceringen: dat mijn grootmoeder Nederlandse was, en de grens overstak naar het polderdorp Kieldrecht om er met mijn Belgische grootvader te trouwen. Dat mijn grootouders langs vaderskant Duitsers waren op een plek die vandaag niet Duitsland, maar Polen is, dat ze vluchtten en dat hun kinderen opgroeiden in Leverkusen. Dat ik geboren werd in Leuven, de plek waar mijn ouders elkaar als studenten leerden kennen.

Ik verzwijg mijn oorsprong, omdat het gemakkelijker is. Ik weet anders niet wat ik moet met de onsamenhangende rafelranden die mijn roots zijn

Ik ben overgeschakeld op een kortere versie, die niet gelogen is, en hoogstens wat essentiële informatie overslaat: ik verzwijg mijn oorsprong, omdat het gemakkelijker is. Ik weet anders niet wat ik moet met de onsamenhangende rafelranden die mijn roots zijn. Restjes draad, van het weefgetouw geknipt,
onder het tapijt gekeerd. Ze vormen geen logisch geheel, bieden geen antwoord op de vraag die me eigenlijk gesteld wordt: met welke plek ik me identificeer en hoe die in verhouding staat tot de plaats waar ik me nu bevind.

De achterliggende gedachte is dat oorsprong in een rechtstreeks verband staat met bestemming. Dat de plek waar je thuis bent een logisch gevolg is van de weg die je hebt afgelegd en dat je er bijgevolg ook thuis hoort. Dat dat gepaard gaat met een gevoel, een soort verbondenheid die je deelt met anderen die die plek ook hun thuis noemen.

Dat gevoel ontglipt me. Vanwaar de trots van mensen die ergens geboren en getogen zijn? Vanwaar de wens van de kinderen van uitwijkelingen om terug te keren naar een plek waar ze denken van af te stammen en waar ze in veel gevallen zelfs niet geweest zijn? Vanwaar die wat pathetische noodzaak bloedlijnen af te lopen, op zoek naar jezelf, zoals dat dan heet, en dan meestal niet veel verder dan twee generaties terug te stranden bij wat verondersteld wordt een kiem van betekenis te zijn?

Ik heb lang gedacht dat het gemakzucht was, een wat gezapig geloof in de een-op-een-relatie tussen een mens en een oord. Ik kweekte een wat hooghartige trots op mijn niet vast te pinnen afkomst, deed neerbuigend ten aanzien van wie een fiere inwoner van was, stond klaar met etiketten als naïviteit of provincialisme vanuit de onjuiste redenering dat wie heel zijn leven in hetzelfde dorp woont ook heel zijn leven op dezelfde plek woont. Mijn internationale biografie werd de aanleiding om me wereldwijzer te voelen, alsof ik een som van meer delen ben.

Het is een narratief, dacht ik, als ik vol onbegrip luisterde naar iemand die zijn identiteit verbond aan een plek, het is een reconstructie van een ideaalbeeld, waarbij je essentiële informatie overslaat, zie je dat niet? Je kan elk verhaal weven dat je wilt, de draden uitrafelen, opnieuw beginnen en al je omstaanders om de tuin leiden. En uiteindelijk zit je, als Penelope, toch maar op dezelfde plek, achter hetzelfde weefgetouw.

*

Schrijfster Taiye Selasi pleitte er eens voor om mensen niet meer te vragen waar ze vandaan komen, maar aan welke plek ze gebonden zijn. Ze worstelde ermee om telkens te moeten uitleggen dat haar vader Ghanees is, haar moeder Schots-Nigeriaans, dat ze geboren werd in het Verenigd Koninkrijk, maar een Amerikaans accent heeft omdat ze opgroeide in Amerika, en dat ze intussen leeft in New York en Rome.

Where are you a local? – zo zei ze het.

Dat lijkt me een mooi idee.

Soms oefen ik, voor het geval iemand me de vraag stelt. Ik woon in Brussel, zal ik dan zeggen. Ik zal er iets aan toevoegen over de stoepen die ik bewandel, wat nietszeggend gekeuvel over de winkeliers die mijn gezicht herkennen, over het wijkproject dat verklaart waarom de bomen op het pleintje verderop bonte gebreide truien dragen. Het zou niet verkeerd zijn. Het slaat alleen alles over wat eraan voorafgegaan is. En alles wat nog komt.

*

Er is: Het beloofde land. Penelope en haar weefgetouw. Het verloren paradijs. My home is over Jordan. De moederschoot en de vergeefse poging ernaar terug te keren. Melk en honing.

Kan ik een cultuur die het verlangen naar een thuis zo centraal stelt, waarin verhalen, mythes en theorieën doorvlochten zijn van het idee ergens te ontspringen om elders te monden, buitenspel zetten in mijn verwarring over dat thuisgevoel waar iedereen aanspraak op schijnt te maken en waarin ik me niet kan herkennen?

En maak ik niet meer dan ik durf toe te geven deel uit van die cultuur en haar narratieven over afkomst en bestemming? Per slot van rekening heb ik op de dijk gestaan in de Oost-Vlaamse polder. Heb ik op een Pommerse zolder foto’s doorbladerd, in de hoop betekenis te puren uit de vlucht van mijn zwijgende grootouders. Heb ik weefwerkjes gemaakt en ontrafeld. En dan, omdat het geklasseerd dreigde te worden als onbeduidend fragment, als een aantekening in de marge van mijn gedachten, heb ik alles neergeschreven in de hoop dat elke morzel oorsprong me dichter zou brengen bij een bestemming.

*

Het is wellicht typerend dat wie wat oriënteringsloos door het leven dwaalt houvast vindt in het innerlijke leven, in wat woont in het hart en het hoofd. Dat is, vermoed ik, de reden waarom ik bevestiging haalde uit een essay van Subadeh Mohafez waarin ze betoogt dat ze schrijft omdat ze graag in de taal vertoeft: Ich schreibe, weil mir das Schreiben selbst ein beglückender Aufenthaltsort ist – het schrijven als zaligmakend verblijf. Het is een beeld dat ik koester. De taal als toevluchtsoord.

Vanwaar die wat pathetische noodzaak bloedlijnen af te lopen, op zoek naar jezelf, zoals dat dan heet

Ik meende Mohafez’ redenering af te maken door ervan te maken dat ik niet alleen kon verblijven, maar ook kon wonen in de taal, thuis kon zijn in de woorden, zinnen, teksten die me gevormd hebben.

Maar waar hoor ik dan thuis, met mijn twee moedertalen? In het Duitse of het Nederlandse huis? Zwervend tussen beide verleg ik spullen van hier naar daar, totdat ik niet meer weet wat er waar thuishoort, wat waar vandaan komt. Als ik na een lang verblijf in het ene huis naar het andere trek, moet ik opknapwerken doen. Vaak zijn de lekken beperkt en de roestvorming oppervlakkig. Wat haperende declinaties. Woordenschat die gesmeerd moet worden. Maar soms, als ik struikel over rondslingerende voorzetsels, denk ik dat mijn huizen van taal dreigen in te storten. Vrees ik dat ik vastzit in een Escherachtige trappenhal die me tegelijk naar boven en naar beneden voert, naar links en naar rechts, zonder start- of eindpunt, zonder oorsprong of bestemming, een voortdurend tollen tussen talen.

*

‘Tekst’ komt van het Latijn, ‘texere’, weven of vlechten. De betekenis en de etymologie vallen samen met wat ik ervan verwacht. Zoiets stelt me gerust, zoals het een gepensioneerde man met een uit de hand gelopen genealogische hobby geruststelt als hij na jaren zoekwerk in archieven en vergeelde paperassen eindelijk vindt wat hij zoekt: de adellijke of de ridder of de rijke handelsman onder zijn voorvaderen.

*

Ik heb het er nooit over. Maar ik wil zijn zoals de dorpeling die trots zijn stoep schrobt, die de taal van zijn buren spreekt en voor wie de namen op het kerkhof herinneringen oproepen, ik wil zijn zoals de stedeling die het plaatselijke dialect machtig is en die nog de tramlijnen van weleer kent, ik wil zijn zoals de afstammeling van de uitwijkeling die verlangt naar geboortegrond, naar een volk waaruit hij losgerukt is en waartoe hij behoort. Ik wil dat we een verhaal hebben dat iedereen kent en iedereen warmt en dat we alles wat niet in de samenhang der dingen past kunnen weglaten, overslaan, vergeten. Ik wil dat onze huizen bewoond zijn. Ik wil dat we bloemen zijn, ontsproten uit tere wortels.

En als we allemaal bij elkaar zitten, als koeien die met zachte dwang naar de stal zijn geleid, dan wil ik mijn eigen unieke plek hebben, waar iedereen me met rust laat, waar ik me kan terugtrekken in een cocon van boeken en teksten en snippers papier, zodat ik me kan wijden aan alles wat anders overgeslagen wordt, waar ik me niet voortdurend moet verhouden tot maatschappelijke fenomenen en waar ik me niet hoef aan te passen aan een gemeenschap en haar
versmachtende narratieven.

Dan wil ik dat foutje zijn dat in het tapijt geknoopt wordt.

Ik maak er een geheim van en weet niet waarom. Alsof we niet allemaal met hetzelfde geweld in de wereld geworpen zijn. Wellicht worstelt iedereen met dat gevoel van ontwrichting, met het zoeken naar een samenhang tussen zelf en ander, tussen nabijheid en kritische afstand, tussen tekst en voetnoot, tussen
intimiteit en gemeenschap.

Waarschijnlijk is het dat, dat gevoel waarvan ik vrees het te ontberen.

*

Ik neem tram 55. Die rijdt via het Noordstation met zijn pendelaars, zijn daklozen, zijn transmigranten richting het hoofdkwartier van de NATO. De lijn baant zich door de met autoverkeer vergiftigde straten van Schaarbeek, een Brusselse gemeente die zo verknipt is als de naam doet vermoeden. Het is meestal benauwd in het rijtuig, te veel mensen op een te kleine oppervlakte, onhandig gemanoeuvreer met kinderwagens en winkelcaddy’s. Omdat er te weinig ruimte is om een boek te lezen, luister ik naar de talen van mijn medereizigers. De meeste herken ik niet. Soms vang ik vlagen op, losse woorden, vermoed ik een accent. Hoor ik hoe een spreker verschillende talen en idiomen mengt. Turks met snuifjes Engels, Frans met scheutjes Nederlands. Talen die wonen in talen.

Flarden tekst, woord, klank dwarrelen door het rijtuig. Als ik me voorstel dat ik ze zou opvangen, in briefjes zou neerschrijven en bijhouden is een ordening onmogelijk. Het is het spreken van mensen die hier niet thuis zijn, die onderweg zijn, mensen in de marge, die misschien een soort bijeengesprokkelde oorsprong met zich meedragen, maar die dit Brussel niet als hun eindbestemming zien. Paralipomena.


Dit is een van de genomineerde essays voor de Anil Ramdas Essayprijs. Het winnende essay is gepubliceerd in het weekblad. De komende dagen worden ook de andere genomineerde essays gepubliceerd.