Roberto Calasso, K.

Parallel aan Kafka

Roberto Calasso

K.

Uit het Italiaans (2002) vertaald door Els van der Pluijm

Wereldbibliotheek, 304 blz., € 28,90

De Italiaanse uitgever en schrijver Ro berto Calasso (1941) schreef vier grote essays met de letter K in de titel: De on dergang van Kasj (over de onttovering: hoe het heilige en goddelijke verdween en verborgen in sociale structuren des te penetranter doorwerkt), De bruiloft van Cadmus (Kadmos) en Harmonia (over het rationele potentieel van de mythe), Ka (over de vroeg-Indische mythen en sagen) en nu de K van Kafka. Joseph K. is de bij voorbaat schuldige van Het Proces die nog slechts op executie van het ge heime vonnis wacht; en K. de onschuldige die oprecht meent dat hij door ho gere instanties uitverkoren is als landmeter van Het Slot. Van deze laatste rest nog maar één letter: K. In de wereld die van God los is, die van na de Verlichting, zijn nieuwe mythen schaars; misschien waren in de eeuw daarvoor Robinson Crusoe en Gulliver (met name het vierde deel over de Yahoos) de laatste, of voorlaatste. Voorlopig de laatste is gecreëerd door Kafka: de bureaucratisch naamloze die moet opboksen te gen al even anonieme machten. Zijn verhalen laten in velerlei variaties zien hoe vonnis en uitverkiezing bijna in wisselbaar worden – volgens het adagium: waar straf is zal er ook wel schuld zijn; op grotere schaal: wie niet voor ons is, is onze vijand en dient geëlimineerd. Kafka heeft niet profetisch de totalitaire staat voorzien, de schrijver is geen ziener. Hij heeft intuïtief begrepen dat willekeur en terreur van de macht op elk niveau (bijvoorbeeld dat van de vader in de ministaat) op eenzelfde rolverdeling is gebaseerd. In de twee romans gaat het om strategieën van boven – van de macht die zich aan het zicht en de controle onttrekt – en strategieën van onder, van het individu dat nauwelijks weet hoe hij voor de machthebbers een potentieel gevaar vormt – met name wanneer hij wil we ten wat er met hem gebeurt; dan wordt hij een zandkorrel in de machinerie.

Alle vier de boeken van Calasso gaan over macht: waaraan ontlenen machthebbers hun gezag, oftewel: hoe legitimeren zij hun status wanneer zij zich niet meer op een hogere instantie (God, Geschiedenis, Natuur) kunnen beroepen? Als Calasso het werk van Kafka als studies van macht leest, is dat een voortzetting van zijn vorige boeken, toegespitst op de twee kanten van de macht: hoe machthebbers moeten verhullen dat ze uitsluitend macht kunnen uitoefenen doordat ze over de machtsmiddelen beschikken, en geen andere rechtvaardiging hebben dan de instemming en het geloof van de on derdanen, kortom: de kleren van de keizer. Canetti is een van de weinige Kafka-exegeten die genade vindt in de ogen van Calasso: Canetti is ook een van de eersten geweest die heeft begrepen dat het werk van Kafka over macht en machteloosheid, schuld en schuldgevoel, uitverkiezing en veroordeling gaat.

Het kernwoord van Calasso, legitimiteit, is een begrip dat voor politiek en maatschappij, en van oudsher voor religie, cultus en kunst geldt. Toegespitst op de literatuur: wat legitimeert het schrijven wanneer iemand als Kafka zich niet meer op de autoriteit van de Kunst, de Literatuur, de Schrift kan be roepen? Duivelswerk, noemde Kafka het schrijven. Daar bedoelde hij van alles mee, onder meer dat hij als schrijver in de duivelse cirkel zat dat hij zich pas schrijver kon noemen als hij een groot Werk geschreven zou hebben, maar dat hij dit bijna alchemistische werk pas zou kunnen volbrengen wanneer hij Schrijver was en als zodanig erkend. Kafka heeft vrijwel geen groter werk afgemaakt; Het Slot breekt ergens af. Calasso lost dat, in de geest van Kafka zelf, op door het ene werk als het vervolg op het andere te lezen.

Calasso snijdt niet alleen uitermate belangrijke thema’s aan, ook zijn aanpak is bijzonder: hij ontwikkelt geen theorie die hij aan de hand van literatuur wil bewijzen, eerder omgekeerd. En daartoe laat hij zijn onderwerp zelf aan het woord. Dat klinkt eenvoudig en is het op zich ook, maar in de praktijk lijkt het veelgevraagd, van de lezer meer dan van de schrijvende lezer. In De bruiloft van Cadmus en Harmonia – de eerste vertaling, die veel succes heeft gehad, maar het was niet zijn eerste boek, dat was het hier te lande bijna onopgemerkt gebleven De ondergang van Kasj, de uitvalsbasis van de andere – deed Calasso weinig meer dan de Griekse mythen navertellen. Alleen hield hij zich niet aan het standaardbeeld van één grote familie waarvan de afzonderlijke leden aan die ene wijdvertakte stamboom worden opgehangen. Hij ver telde ze allemaal door elkaar, ook alle versies en varianten, als een netwerk dat tussen enkele essentiële denkbeelden gespannen is. Het uitgangspunt van deze wirwar van navertellingen was dat de variaties waarschijnlijk zelf het voornaamste thema waren, oftewel de metamorfose en de substitutie. Dezelfde methode paste Calasso toe op de Indische veden: teksten en verhalen van Indische zieners en mystici die dichter bij de wereld van de oude mythen of zelfs van ervoor kwamen dan de Griekse en bijbelse oorsprongsverhalen. Ook Kafka, zo begint Calasso zijn boek, «spreekt over een wereld die aan elke onderscheiding en elke benaming voorafgaat. Dat is geen heilige of goddelijke wereld (…) Het is een wereld die daar nog oog voor moet krijgen.» Daarmee maakt hij van Kafka geen moderne premythologische ziener, bijna het tegendeel: Kafka begon met schrijven door in de verwarrende veelheid van de moderne wereld enkele elementaire, benoembare elementen af te zonderen: een kamer, een kantoor, een dossier, een gelagkamer – en in het centrum een schrijftafel.

In twee «apologen» (anekdotes met een moraal) heeft Kafka het effect van het vereenvoudigingsproces eens in een paar dagboekregels uitgeschreven. Mach ten heet dat hoofdstuk bij Calasso, waar hij inderdaad zijn onderwerp – Kafka, of liever diens demonen – zelf aan het woord laat. Het ingewikkeldst is zijn navertelling van Odysseus, die hoewel hij weet dat de Sirenen waarschijnlijk helemaal niet zingen maar juist zwijgen, hen in de waan laat door was in zijn oren te doen (bij Homeros is hij de enige die dat niet doet). Calasso laat zien tot welke verschillende en dus in gewikkelde in ter pretaties Kafka’s her schreven versie leidt. De omkering die Kafka op Don Quichot en Sancho Panza toepast lijkt eenvoudiger. Niet Don Quichot was de man wie het jarenlange lezen van ridderverhalen in de bol geslagen was, maar Sancho Panza, die gauw doorhad dat al die verhalen hem de kop zouden kosten. Dus bedacht hij de figuur van Don Quichot, als het ware een alter ego op armlengte van zichzelf waarmee hij alles wat hem bedreigde afleidde en be zwoer. «Zo bleef Sancho Panza in le ven en vertelde hij ons onder meer het verhaal van Don Quichot.» Die bevrijding werkte bovendien naar twee kanten, voegt Calasso eraan toe: niet alleen werd Sancho van de spookbeelden be vrijd, maar de spookbeelden ook van hem.

Demonen zijn bij Kafka de voortbrengselen van zelfobservatie en re flec tie: het mogen wanen zijn maar ze zijn wel echt. Het slot mag imaginair zijn maar zolang K. denkt dat hij door het slot tot landmeter benoemd is en daarom op erkenning aanspraak maakt, is hij op de genade en ongenade van de zich verborgen houdende autoriteiten – en hun handlangers, vooral de laagsten in rang – aangewezen. De rechtbank mag een product van angst zijn, maar zodra Josef K. de agenten volgt die hem bij het ontwaken komen ophalen en bereid is zijn verzoekschrift zelf te schrijven, is hij aan de wetten van de strafinstantie overgeleverd. Die ingewikkelde verstrengeling van macht en machteloosheid, die wederzijdse af han kelijkheid van (ongefundeerde) auto riteit en (misschien eveneens vermeend) slachtofferschap is een van de kern thema’s van de twee romans die Calasso in het verlengde van elkaar behandelt: Het Slot als het vervolg of zelfs als «uitleg» van Het Proces. Daarover schrijft Calasso in de eerste vier hoofdstukken; andere teksten (zoals Amerika, Het hol, Gracchus de jager, Het vonnis) zijn daarvan uitlopers. Alles wat Kafka geschreven heeft beschouwt hij als één door lopend schrijfwerk.

Als Calasso zich in één opzicht onderscheidt van de meeste Kafka- exegeten is het dat hij het werk leest, en dat in de oorspronkelijke betekenis van het woord: bij elkaar lezen, vergaren, selecteren. Je kunt in een essay de bevindingen van je lectuur tot analyse en oordeel verwerken; je kunt het lezen zelf de monstreren op papier, aan de hand van de oorspronkelijke tekst. Het middel bij uitstek is daarvoor de parafrase, plat gezegd: het in eigen woorden navertellen. In dit geval betekent dat in de eigen woorden van Kafka en die van Calasso. Misschien wel driekwart van alle Kafka-studies bestaat uit interpretaties van symbolen. Grondlegger daarvan is Max Brod, wiens voornaamste en misschien enige verdienste blijft dat hij de manuscripten heeft gered. Calasso doet het nagenoeg zonder secundaire literatuur, heeft het enigszins laatdunkend over «de exegeten», en maakt uitzondering voor enkelen als Walter Benjamin, Theodor Adorno, Elias Canetti en Maurice Blanchot. Ook Nabokov komt er goed vanaf. Dat verbaast me, zoals ik ook niet goed begrijp waarom hij Marthe Robert niet noemt, ook iemand die Kafka naar de letter gelezen heeft. De kwaaie pier is Max Brod, die permanent Kafka, zijn werk en zijn persoon psychologisch analyseerde en «alles altijd weer een kitscherig tintje wist te geven».

Kafka denkt in metaforen en symbolen, zegt Calasso, en daarom is het zinloos de in verhalen veranderde, letterlijk genomen beelden te zien als symbolen voor iets anders. «Kafka is niet te begrijpen wanneer hij niet letterlijk wordt genomen. Maar dan moet die letterlijkheid wel worden opgevat in al haar zeggingskracht, met haar hele scala aan implicaties.» Zo eenvoudig is dat letterlijke zeker niet. Wat doet Calasso? De eenvoudigste zin blijkt bij nader inzien ingewikkeld in de zin dat hij vele andere zinnen impliceert, maar Calasso is zich er goed van bewust dat die niet voor niets niet expliciet worden uitgesproken. Alles wat er in Het Proces volgt op de onverwachte arrestatie is mogelijk omdat Joseph K. nog niet wakker is, omdat hij thuis en nog niet op zijn werk is: op het onbewaakte ogenblik tussen slapen en ontwaken wordt hij gepakt. Letterlijk genomen is het ontwaken een kier tussen twee werelden: de gewone waar Joseph K. een geslaagde ambtenaar is, en die van de rechtbank, zich schuilhoudend in kasten, op zolders, zijkamers: een wereld in de vertrouwde wereld. Een enkele keer vangt K. – zowel in Het Proces als in Het Slot – een glimp van de geheimen van de macht op: als hij op de rand van het bed van een functionaris zit, dus letterlijk op het randje van slaap en werkelijkheid; waarbij hem de waarheid ontglipt doordat hij van vermoeidheid zelf inslaapt. Wanneer iemand weigert de spelregels van het Systeem te volgen ontstaat er speling, een kier, een gevaarlijke opening.

Stap voor stap, regel voor regel leest Calasso zich in die louter uit woorden opgebouwde werelden van het Slot en de Rechtbank in. Op die manier ontdekt hij ook dat de beste exegese van de door duizenden interpretaties bezette parabel «Voor de Wet», die Joseph K. in de kathedraal van een geestelijke te horen krijgt, door Kafka zelf geschreven is: de roman Het Slot is één grote explicatie van alles wat de parabel behelsde. En wat impliceerde ze? Het zich verbergende mechaniek van de macht in Het Proces.

Calasso schreef een parallelboek bij het werk van Kafka, in een mengsel van eigen woorden van Kafka en zichzelf. Voorzover dit boek op Kafka doorschrijft, veronderstelt het van de lezer in de tweede graad dat hij even goed thuis is in heel het werk van Kafka als Calasso – niet minder dan dat. Niet alleen gebruikt Calasso met evenveel gemak alle bijwerk zoals de dagboeken en brieven als ook nieuwe edities waarin te zien is wat Kafka geschrapt heeft: niet de mindere zinnen, maar bijna altijd de (te) expliciete zinnen. Het gevaar van die methode is dat de lezer Calasso verbanden legt en geïmpliceerde betekenissen en consequenties uitspreekt die de schrijver Kafka bewust ontwijkt. Calasso eigent zich Kafka’s teksten toe, maakt er zijn eigen werk van, dat is waar, maar hij doet dat zo zorgvuldig, zozeer in de geest van het werk dat het toch ook Kafka blijft; diens geheim blijft dus bewaard. Zoals in de muziek kun je in dit geval van de interpretatie van Calasso zeggen: Kafka in de vertolking van Calasso.