Parallel universum

Ik ben een man van orde. Dat is niet waar. Ik ben geen man van orde. Ik ben een man van systemen. Ik kan leven met chaos. Zolang er maar een stringente systematiek aan ten grondslag ligt.

Mijn geliefde doet daar soms wat lacherig over. Wanneer ik bijvoorbeeld ’s ochtends de boterhammen smeer voor mijn dochter en ik kan de pot confituur niet vinden omdat zíj hem om volstrekt onduidelijke redenen van zijn vaste plaats heeft verwijderd, dan leidt dit onmiddellijk tot stress. Niet omdat ik de pot confituur niet kan vinden, maar omdat ik niet wens na te denken over waar hij zou kunnen zijn. Nadenken over de plek waar een pot confituur mogelijk zou kunnen verblijven beschouw ik als een oneigenlijke inbeslagname van de ruimte in mijn hoofd. Die ruimte is heilig. Want ik ben een Artiest. En Artiest zijn­de, wens ik niet geschoffeerd te worden door de banaliteit van alledaagse praktische zaken, in casu een pot confituur.

Wat mijn geliefde daar geestig aan vindt, is onduidelijk. Zeker wanneer je bedenkt dat het in deze niet alleen gaat om het mentaal welzijn van de vader van haar kinderen, maar ook om de kosmos in haar totaliteit. Zo hebben mijn iPod-oortjes ooit een historische nederlaag van mijn favoriete voetbalclub veroorzaakt. En nu ben ik wel een Artiest maar u zal het vast met mij eens zijn dat het belang van de literatuur vanuit kosmisch oogpunt in het niets verzinkt bij dat van Eredivisievoetbal.

Het seventies-designkastje dat onze woon­kamer siert = opladers van elektronische apparatuur allerhande én de oortjes van mijn iPod. Op zekere dag zou ik met de trein naar het voetbal gaan. Ik wilde mijn iPod meenemen en ik wilde mijn oortjes. Ze lagen er niet.

Heel even kwam ik in de verleiding om mezelf af te vragen wanneer ik ze voor het laatst had gezien. Maar ik ben een man van systemen. Ik heb die systemen bedacht om mij nooit zulke vragen te hoeven stellen. Seventies-designkastje = iPod-oortjes. Meer hoef ik in de database van mijn brein niet op te slaan. Seventies-designkastje = geen iPod-oortjes geeft een onherstelbare error-melding in mijn hoofd. Het is het moment van woede en verbijstering vlak voordat iemand ‘Bananasplit!’ roept en de verborgen camera aanwijst – alleen: niemand roept het. Het is de paniek uit een droom waarin je op je buik ligt en je probeert je om te draaien maar het gaat niet, je trekt en sleurt want je wil je omdraaien maar het gaat niet en dan word je wakker – alleen: je wordt niet wakker.

Daar stond ik. Verlamd en bevroren. Ik diende evenwel de trein te halen en er restte mij niets anders dan de ctrl-alt-delete-toetsen van mijn hersenen in te drukken en iPod-­oortjesloos naar de tram te rennen, die ik miste. De volgende stopte na tweehonderd meter voor een openstaande brug. Daarna kwam er een donkere puber naast me zitten, type derdejaars hangjongere. Hij had precies dezelfde oortjes in die ik ook bezit maar die zich nu in een parallel universum systeemloos door de ruimte voortbewogen en ik dacht: ik ruk die oortjes van je kop en loop hard weg, dan weet je ook ’ns hoe dat voelt. Want dat is hoe politically incorrect ik kan worden wanneer onbekende krachten sollen met mijn systemen – ja, dat gaat echt heel ver, zelfs tot aan het abstractie maken van de mogelijkheid om in een rijdende tram hard weg te lopen aan toe.

En natuurlijk deed ik het niet, maar ik moest wél een treinrit lang doorbrengen in oorverdovende stilte waardoor de gedachten in mijn hoofd de vrije loop kregen en een enorme, nou ja, chaos veroorzaakten waar ik in principe als Artiest wel bij vaar wanneer ik de juiste apparatuur bij me heb om een en ander ordelijk vast te leggen, hetgeen niet het geval was omdat ik volledig op het bezit van iPod-oortjes had gerekend. Goed. Uiteindelijk belandde ik in het voetbalstadion en vlak voor de aftrap zei iemand dat het 25 jaar geleden was dat deze tegenstander nog eens van ‘ons’ had weten te winnen.

In de negentigste minuut, bij een gelijke stand, nam onze tegenstander een hoekschop. Ik zag hun spits klaarstaan bij de penaltystip. Ik vernauwde mijn ogen. Ik zou gezworen hebben, het kon niet waar zijn, maar ik zweer het tot op de dag van vandaag: in de oren van die spits zaten mijn iPod-oortjes. En ik zag hoe hij het hoofd lichtjes schuin hield en aandachtig luisterde naar wat zonder twijfel een stem uit een parallel universum moest zijn die hem influisterde dat het om de afvallende bal ging. De spits zette drie passen achteruit. De bal viel af. En nog voor de netten trilden, had ik het hoofd al gebogen.

Dát, lieve mensen, is hoe deze wereld in elkaar steekt. En wanneer ik dit verhaal wederom heb moeten vertellen, en ik de pot confituur met een klap op de daartoe bestemde plek in onze keuken heb neergezet, kijk ik mijn geliefde aan. En ik kan u verzekeren dat het lachen haar dan wreed en grondig is vergaan.


Ivo Victoria’s (1971) tweede roman, Gelukkig zijn we machteloos, haalde dit jaar de shortlist van de Libris Literatuurprijs.


Deze column is verschenen in de bijlage Orde en chaos, die u hier in zijn geheel kunt lezen