Zwerfvuil in de jungle

Paramaribo leeft zonder agenda

Anil Ramdas verbleef in 2007 in Paramaribo om te zien hoe de stad van zijn jeugd in deze eeuw functioneert. In Paramaribo vertelt hij over zijn ontluisterende ervaringen. Een droevig maar ook komisch portret van het postkoloniale Suriname, waar welgeteld twee veegwagentjes rondrijden. Rondreden. Ze zijn defect.

ALS JE NAAR DE STRATEN in de binnenstad keek zou je vergeten dat Surinamers extreem hygiënische mensen waren. Maar dat waren ze wel. Ze douchten (‘baden’ zeiden ze hier) minstens twee keer per dag. De meeste mensen tjebokten, dat wil zeggen dat ze zich na de stoelgang eerst afveegden en zich dan wasten met water en zeep. Etenswaren werden nooit zomaar op tafel gelegd: altijd op een schotel of op een servet. Ik schrok toen ik in Nederland in de kantine van de universiteit een gevulde koek bestelde: de dame legde de koek zomaar op de toonbank, zonder een papiertje eronder. Ik schrok ook toen ik voor het eerst bij Nederlandse vrienden logeerde en merkte dat ze voor het slapengaan alleen hun oksels wasten aan de wastafel. Wij Surinamers moesten baden voor het slapengaan en ook na het opstaan. Een keer werd ik in het studentenhuis gevraagd of ik de plantjes van mijn buurman water kon geven terwijl hij een week op vakantie was. In zijn douchecel had hij een Perzisch kleedje liggen. Zo vaak werd die douche kennelijk niet gebruikt.
De kleren van Surinamers waren altijd fris, de keukens waren schoon en de toiletpotten werden alleen verwaarloosd in de tijd, zo eind jaren tachtig, toen er een tekort aan leidingwater was. Dat tekort was er niet meer. Alleen op straat ging het mis, al trof je zelden echte vuilnisbelten aan.

DE MAN DIE verantwoordelijk was voor de vuilophaal in Paramaribo was niet gemakkelijk te bereiken. Na veel omwegen had ik hem weten te traceren, want aan de vuilophalers zelf kon je het niet vragen. Die wisten niet wie hun ‘echte’ baas was, baas was de voorman, meestal ook de bestuurder van de vuilniswagen. Ik belde naar het ministerie van Openbare Werken en de telefoniste begreep mijn vraag niet helemaal: ‘Wie is er verantwoordelijk voor de vuilophaal in Paramaribo?’
Leek me een heldere vraag.
Zei ze: ‘Wie moet u spreken?’
‘De hoogst verantwoordelijke voor de vuilophaal in de stad.’
‘Heeft u een doorkiesnummer?’
‘Nee.’
‘Een naam?’
‘Nee, ik zoek juist de ambtenaar die verantwoordelijk is…’
‘Ogenblikje.’
Ik kreeg hoop. Er kwam een andere vrouw aan de lijn, die wilde weten met wie ze sprak en wat ik wilde.
‘Bent u verantwoordelijk voor de vuilophaal in de stad?’ vroeg ik.
‘Ik ben hoofd van telefonie’, zei ze, ‘heeft u klachten?’
‘Nee, ik wil een interview met de ambtenaar die gaat over de vuilophaal in Paramaribo. Iemand die weet hoe het allemaal georganiseerd is, wat het kost, dat soort dingen.’
‘O, dan moet u bij voorlichting zijn’, zei de dame.
Mij best, of ik doorverbonden kon worden.
‘Nee, er is niemand meer aanwezig.’
Het was elf uur in de ochtend. Hoe laat ik dan moest bellen om iemand van voorlichting te pakken te krijgen?
‘Probeert u het over een uur.’
Na een uur probeerde ik het weer en het ritueel herhaalde zich min of meer.

WAT DEED JE DAN in Suriname? Je gaf het op en belde een vriend. Hij was ingenieur en werkte bij het ministerie van Planning en Ontwikkeling, die hoegenaamd niets te maken had met de vuilnisdiensten, maar in Paramaribo gold: probeer altijd eerst het long shot. En inderdaad, hij sprak het hoofd van zijn afdeling, die weer zijn hoofd sprak, die het hoofd kende van Openbare Werken en die op zijn beurt weer wist wie het hoofd van de vuilnisdiensten was.
Ik had nu een naam en zelfs een doorkiesnummer, waar de telefoniste erg blij mee was, maar de man was altijd even de deur uit en anders in bespreking. Hij had een secretaresse, aan wie ik mijn telefoonnummer gaf met het nederige verzoek of ze mij een seintje kon geven als hij achter zijn bureau zat en ik hem kon opbellen. Want hem zelf terug te laten bellen, dat zou niet getuigen van respect.
Gingen afspraken altijd zo moeizaam in Paramaribo? Ja, altijd. Je kon beter binnenvallen en hopen op geluk dan opbellen om een dag en tijd af te spreken. Want een secretaresse was er voor de afscherming. Ik probeerde een belangrijke omroepman een keer te bereiken, iemand die ging over een radiostation, een tv-station en een krant. Een kleine Surinaamse Murdoch. In de telefoongids stonden zes nummers, maar geen van de eerste vijf vrouwen (altijd vrouwen) die ik aan de lijn kreeg wist hoe ik de directeur kon bereiken. De zesde wist het kennelijk wel en vroeg mij waar het om ging. Ik vertelde dat ik een journalist was en een gesprek met hem wilde hebben.
‘Er zijn op het moment geen vacatures’, zei ze. Ik legde uit dat ik niet op zoek was naar een baan, maar een interview wilde maken. En dat ik deze directeur al sinds mijn jeugd kende, dat zijn vader en mijn moeder samenwerkten bij een radiostation en dat we op elkaars verjaardagen kwamen. De secretaresse begreep het nu helemaal en klonk heel welwillend: of ik mijn telefoonnummer wilde geven, ze zou me terugbellen. Ze belde nooit terug. Ik belde daarop mijn moeder in Den Haag, die de moeder van de directeur belde, en de volgende dag had ik deze directeur aan de telefoon, in hoogsteigen persoon.
Of deze: een belangrijk wetenschappelijk onderzoeker, met wiens vrouw ik ooit op de lagere en zelfs middelbare school had gezeten, indertijd een mooi meisje, op wie ik verliefd was, zoals vele andere jongens. Het was de eerste week van december en ik kreeg van zijn vrouw, op wie ik ooit verliefd was, te horen dat ik beter na de feestdagen kon bellen voor een afspraak, zo ongeveer de eerste helft van januari. In januari bleken ze in het buitenland te zijn (wat ze begin december kennelijk niet hadden voorzien), en eind januari werd mij verteld dat er heel veel bezoek uit Nederland was en of ik het over vier weken weer wilde proberen. Ik gaf het op en ik kwam de wetenschappelijk onderzoeker zomaar tegen in ’t Vat, maar van een serieus gesprek was het niet meer gekomen.

DE ENIGE SURINAMERS die zich aan hun afspraken hielden waren Surinamers uit Nederland, of Surinamers die in Nederland hadden gewoond. Maar nu zeg ik het verkeerd: deze Neder-Suries, zoals ze ook werden genoemd (of Surinaamse Nederlanders, of zwarte Nederlanders, als men in een iets minder vriendelijke bui was), maakten eigenlijk helemaal geen afspraken, preciezer, ze belden op en zeiden: wat doe je nu? En dan vroegen ze je of je langskwam, of ze kwamen zelf langs.
Het verschijnsel agenda was in Suriname per decreet afgeschaft, scheen het. De Surinamers gebruikten de mobiele telefoon om zich in te dekken (natuurlijk kunnen we elkaar spreken, ik bel je terug – en vervolgens werd je nooit teruggebeld), en de Surinaamse Nederlanders opereerden ad hoc: geef me een uurtje, ben zo bij je.
Dat laatste was een oude Surinaamse gewoonte, van voor het tijdperk van de mobiele telefonie, een gewoonte die sterker was bijgebleven bij degenen die het land verlieten dan bij degenen die mee waren geëvolueerd. Dat was op zich een raadselachtig gegeven. Alsof oude gewoonten en tradities levendiger waren bij degenen die weg waren gegaan dan bij degenen die waren gebleven.
Maar misschien moest ik het niet zo bekijken. In de herinnering van de geëmigreerde Surinamers was het vroeger zoveel makkelijker en eenvoudiger en kon je bij iedereen binnenvallen. Ik ken verhalen van Surinamers in Nederland die terug wilden naar Suriname. Op de vraag waarom zeiden ze zoiets als: vroeger zat ik in de middag op mijn balkon in Paramaribo en kwam een vriend langs, die voorstelde om bij een andere vriend langs te gaan, waar ze doks (eendenvlees) hadden klaargemaakt, en waar we bleven kaarten tot in de kleine uurtjes. Hier in Nederland moet je officieel uitgenodigd zijn, een cadeau meenemen of een bloemetje, je moet je geschoren hebben en goed gekleed zijn: zo veel gedoe voor een beetje gezelligheid. Suriname was zoveel makkelijker.
Het was pure romantiek, de tijd van de eenvoud en de directheid (zoals ook de finalisten van de spreekbeurtwedstrijd zeiden: persoonlijk contact is meer waard dan welk ander contact dan ook). Die romantiek werd door de Surinamers uit Nederland in Suriname in de vakantieperiode ten volle uitgeleefd. In Nederland was er ineens weer de agenda, en dan bladerde je rustig door naar drie weken later, als er weer ergens een gaatje kon worden gevonden voor een ontmoeting.
Er waren maar twee gelegenheden waarop Surinamers zich niet afweerden met de telefoon en ineens romantisch-Surinaams werden: bij verjaardagen en bij begrafenissen. Dat laatste was tamelijk begrijpelijk: de dood laat zich moeilijk agenderen en in Suriname vond de begrafenis of de crematie vrij snel plaats, vanwege klimatologische omstandigheden. Maar verjaardagen? Omdat men geen agenda had, werden verjaardagen door niemand onthouden, behalve door de jarige en de moeder van de jarige. Alle anderen hoorden meestal op het laatste moment dat een dierbare kennis morgen, of zelfs vandaag jarig was. Dan was het alle hens aan dek: de verjaardag moest worden gevierd, het feest moest worden bijgewoond – alsof je leven ervan afhing. Het was panisch en aandoenlijk tegelijk, maar het waren wel de laatste resten romantiek die men in Suriname aantrof.

DIE SECRETARESSE van de hoogst verantwoordelijke voor de vuilnisdiensten had me nooit teruggebeld, dus ging ik een keer om tien uur naar het kantoor, gewapend met de naam en het doorkiesnummer en een dreigend gezicht. Dat laatste maakte volgens mij geen indruk. Ik mocht plaatsnemen op een stoel in een gang, de wachtkamer, zonder dat er verklapt werd of de hoogste vuilnisman, zoals ik hem in mijn hoofd was gaan noemen, aanwezig was of niet. Maar ik had geluk: hij was er en na een halfuurtje mocht ik zijn kantoor betreden.
Hij had een groot en tamelijk opgeruimd bureau in een grote kamer. Drie vrouwen zaten aan kleine bureautjes aan het andere eind. Hij had drie telefoontoestellen op zijn bureau: hier zat een man met macht en gezag. Hindoestaanse man overigens, van middelbare leeftijd, licht kalend en met een flinke buik door veel rijst en whisky. Vreemd genoeg zat hij aldoor te telefoneren met zijn mobieltje. Kijk, dat nummer had ik moeten hebben. Die gewone telefoontoestellen werden domweg niet gebruikt.
Ik moest hem eerst ervan overtuigen dat ik geen kwade bedoelingen had, geen spion was van een buitenlandse mogendheid die alles over de vuilophaal wilde weten van Suriname, noch een brutale journalist die ondanks de heilige belofte toch zijn naam noemde. Want als ik dat wilde doen, moest ik eerst toestemming hebben van zijn baas, en dat ging zo verder tot de minister, of misschien wel de president. Maar ik mocht wel aantekeningen maken, zei hij vriendelijk, terwijl ik mijn James Bond-voicerecorder al had lopen.
Hoe de vuilophaal in Paramaribo was geregeld, vroeg ik. De rugleuning van zijn bureaustoel stond op de wipstand, waar hij gretig gebruik van maakte.
‘Alle huisvuil wordt twee keer per week opgehaald. In het centrum zelfs dagelijks.’
Daar was niet veel van te merken, zei ik, en ik wist op dat moment dat ik het risico nam eruit gegooid te worden. Maar hij bleef maar schommelen op zijn bureaustoel: ‘Het zijn de mensen, moet u weten. We plaatsen vuilnisbakken, en ze kieperen hun cupsen (bekers – ar) en papiertjes gewoon op de grond, soms vlak ernaast. Niemand die zich verantwoordelijk voelt.’
‘Wat moet ik doen?’ vervolgde hij, ‘ik heb geen milieupolitie, daar heeft het ministerie geen budget voor. Ik kan zelfs geen voorlichtingscampagne beginnen. Geen budget. Weet u hoeveel moeite we hebben gedaan om de mensen zo ver te krijgen vuilniszakken te gebruiken in plaats van afgesneden regentonnen die niet op te tillen zijn? Dat was fase 1. Toen moesten we ze leren die vuilniszakken niet op straat te zetten, omdat de straathonden ze openscheuren. Toen pas kwamen die standers (plateaus op een verhoging – ar), waardoor de straathonden er niet bij kunnen. Het is wel zwaarder voor de ophalers, want je tilt boven de schouders, maar ja.’
Na nog een kort telefoontje vervolgde hij, zichtbaar op zijn gemak: ‘Ik heb er een paar maanden geleden met mijn meerderen over gesproken. Ik zei: toerisme is in Suriname in opkomst. Er zijn nu zelfs cruiseschepen die Paramaribo aandoen. Die mensen rijden de oude binnenstad in om de koloniale gebouwen te bewonderen, en wat zien ze? Overal zwerfvuil, plastic zakken, schillen van vruchten, blikjes, petflessen, een grote smeerboel.’
Hij beantwoordde even een oproep op zijn mobieltje en begon weer te schommelen: ‘Ik ben eens naar Disneyworld geweest in Florida. Bent u er geweest? Moet u zeker doen. Daar hebben ze er verstand van. Elke twaalf minuten, ja twaalf, ik heb het gecheckt, komt er een man met een bezem om de rommel op te vegen, vooral die popcorn, weet u wel? En als het eenmaal schoon en kraakhelder is, houden mensen het vanzelf ook schoon en kraakhelder. Maar hier in Paramaribo kunnen we het ons niet veroorloven, een straatveger die elke twaalf minuten de boel opveegt. We hebben geen straatvegers meer, terwijl er zo veel werklozen zijn. Niemand wil dat werk doen. Surinamers zijn nu eenmaal luie mensen.’
Ik maakte een aantekening, maar hij verzocht me dat niet te doen. Anders kreeg hij gelazer van bovenaf, en dit gesprek was al niet geautoriseerd.
‘En ik zei bij ons overleg: als we geen straatvegers hebben, geef ons dan veegmachines, zoals in Nederland. U kent ze wel, met die borstels. Na veel gezeur kreeg ik er twee. En die waren binnen een week defect. Weet u waarom? In Nederland heb je rechte wegen met rechte stoepranden. Hier heb je te maken met diepe kuilen en onregelmatige stoepranden, dat kunnen die machines niet aan. Die dingen hebben niet eens schokbrekers.’
Oké, de binnenstad was misschien een smeerboel, maar de rest van Paramaribo was redelijk schoon, opperde ik.
Maar hij was nog even niet van het onderwerp af te helpen: ‘Niemand begrijpt de gevolgen van het zwerfvuil. Niet alleen is het milieuonvriendelijk en gewoon smerig om te zien, maar er zijn ook andere gevolgen.’
Hij pauzeerde even, om de spanning te laten oplopen.
‘Dat vuil veroorzaakt verstoppingen in het rioleringssysteem. En dat is een zeer kostbare grap. Bij elke regenbui loopt de stad onder, en het schoonhouden van die riolering is een hell of a job. Een keer vonden ze zelfs een boomstronk in zo’n ondergrondse buis, op het eind van de Keizerstraat. Alles liep daar onder.’
Ja, maar de rest van de stad ziet er keurig uit, begon ik weer.
‘Ja, we werken er met man en macht aan’, zei hij, nu een tikje ijdel.
Wie is we, wilde ik weten, het ministerie van Openbare Werken?
‘Nee’, gaf hij toe, ‘we besteden alles uit. Zeker 95 procent. Particulieren met een vuilniswagen en vuilophalers mogen een openbare aanbesteding doen. We hebben nu 22 particulieren die voor ons werken. Sommigen hebben maar één wagen, anderen wel vier of vijf. We stellen wel eisen: de ophalers moeten goed schoeisel hebben, handschoenen en een neuskap. Maar die handschoenen en neuskap gebruiken ze niet.’
En dat goede schoeisel ook niet, was mij opgevallen, ze droegen soms gewoon badslippers. Wie die particulieren betaalde, wilde ik weten.
‘De regering natuurlijk. We hebben hier geen speciale belastingen voor het milieu. Er is ook geen rioolbelasting. Zelfs de wegenbelasting stelt niks voor.’
Het klonk kostbaar. Om hoeveel geld het dan ging, dat ophalen van alle huisvuil, wist hij niet precies. Hij nam een van de hoorns van een van de telefoontoestellen op zijn bureau op, om een van de dames aan het eind van de kamer op te roepen. Zo, daar waren deze toestellen voor bedoeld! Hij vroeg om de totaalcijfers van vorig jaar voor de aanbestedingen.
Ze liep weg, en hij kwam weer in een klaagstemming: ‘We hebben een paar officiële vuilnisbelten. Maar zelfs daar houdt niemand zich aan. Daar is milieupolitie voor nodig, mensen die onder dit departement vallen. En dat vuil op die vuilnisbelten wordt niet verwerkt. Daar heb je fabrieken voor nodig. Nu doen we niks anders dan laten drogen en verbranden in de openlucht. Niets wordt gerecycled, en dat verbranden is zo slecht voor de lucht.’
De dame met de cijfers kwam terug en zei: ‘Tienduizend per jaar.’
De hoogst verantwoordelijke voor de vuilnisdienst in Paramaribo keek ongelovig: ‘Laat eens kijken’, en hij nam de papieren van de dame. En na enige studie: ‘Juist ja, dat is tien miljoen per jaar wat we uitgeven aan het ophalen van het vuil.’

Paramaribo: De vrolijkste stad in de jungle van Anil Ramdas verschijnt 19 februari bij De Bezige Bij (256 blz., € 17,50)