De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Paranoia en paniek

In alle boeken van Ottessa Moshfegh trekken vrouwen zich terug uit de wereld © Jake Belcher

Ontsnappen aan het leven door volledig op te gaan in de verbeelding, en dan ontsporen. Zo is niet alleen Ottessa Moshfeghs roman Mijn jaar van rust enkalmte (2018) te omschrijven. In al haar boeken, vanaf haar romandebuut Eileen (2015), trekken vrouwen zich terug uit de wereld. Die terugtrekkingen zijn voor Moshfegh (1981) denkexperimenten zonder morele grenzen.

In Mijn jaar van rust en kalmte besluit een jonge vrouw in het Manhattan van 2000 en 2001, net afgestudeerd en met een baan in een galerie, te verdwijnen uit het openbare leven. Dankzij een erfenis kan ze een ‘winterslaap’ houden. Haar psychiater bezorgt haar pillen die een dikke deken over haar bewustzijn leggen. Haar eetgewoontes zakken af naar junkfoodmaaltijden, koffie verdrijft haar moeheid niet. Werkelijkheid en waan wisselen elkaar af en raken in elkaar verstrikt. Ze neemt afstand van haar dure spullen, haar materiële welstand.

Moshfeghs nieuwe roman De dood in haar handen – overigens al geschreven vóór Mijn jaar van rust en kalmte – heeft een extreem solitair hoofdpersonage dat ook steeds slechter eet en gaandeweg meer drinkt en zich minder verzorgt. Ze heet Vesta Gul. Haar man Walter, een wetenschapper (epistemoloog) van Duitse afkomst, is een jaar eerder gestorven en zij is naar de andere kant van de VS verhuisd, naar een oud huis aan een meer in het provinciale, zelfs achterlijke Levant. Haar enige gezelschap is haar hond Charlie. Ze wandelen in de bosrijke omgeving, waar ze op een dag een papiertje vinden waarop raadselachtige zinnen staan: ‘Haar naam was Magda. Niemand zal ooit weten wie haar heeft vermoord. Ik was het niet. Hier ligt haar lichaam.’ Met die woorden begint de vertelling. De 72-jarige Vesta blijkt een zeer onbetrouwbare ik-verteller, maar de lezer komt daar schoksgewijs achter. Het gevonden papiertje wordt een obsessie waar ze in verstrikt raakt.

Weet Vesta Gul dat er een stoorzender in haar hoofd zit?

Het hele verhaal is opgehangen aan die vier zinnen. Daaromheen verzint en spint Vesta een spookachtige vertelling, die tegelijkertijd een speurtocht is naar de identiteit van Magda. De dood in haar handen is een detective waarin de verteller niet zozeer de dader is maar wel een persoon die paranoia en paniek tot hysterische hoogten weet op te voeren, zo ver dat de lezer onthutst het einde ervaart. Intussen is duidelijk geworden dat de telefoonloze Vesta Gul, die een Kroatische achtergrond heeft, ernstig getraumatiseerd is door een huwelijk met een man die haar systematisch heeft vernederd en bedonderd met vrouwelijke universiteitsassistenten. De zoektocht die Vesta onderneemt naar de identiteit van Magda is een idee-fixe die zich steeds meer vermengt met de realiteit, zo sluipenderwijs dat de lezer het traag in de gaten krijgt. Complottheorieën lijken zo redelijk als je er al te vluchtig bij stilstaat.

Wie is die Magda van het gevonden papiertje? Een Wit-Russisch, rebels meisje van negentien en een illegale immigrant die in het landelijke en verlaten Levant een kelderkamer huurt, bij McDonald’s werkt en een vriendje heeft dat Blake heet? Of heeft Magda meer te maken met Maria Magdalena of Magda Goebbels? Vesta Gul stelt een uitgebreide levensloop op van Magda en haar leefomgeving. Hopeloze hersenspinsels? Ze leest tips voor detectiveschrijvers, die Moshfegh in extenso weergeeft om de lezer op het verkeerde been te zetten en duidelijk te maken dat haar detective fundamenteel afwijkt van het genre.

In de plaatselijke bibliotheek zoekt ik-verteller Vesta naar meer gegevens en ze raakt in paniek als ze bij het afsluiten de zin ‘Bent u niet iets vergeten?’ leest. De vertelling schiet in een hogere versnelling als ze op de grond tussen de boekenkasten een bundel van de dichter William Blake aantreft en daar een pagina uitscheurt met een gedicht dat een vingerwijzing moet zijn. Blake, het vriendje van Magda? De lezer blijft opgesloten zitten in het steeds heftiger malende hoofd van Vesta Gul, maar kan niet uitmaken waar haar hallucinaties beginnen en de werkelijkheid ophoudt. Haar hond lijkt op een gegeven ogenblik verdwenen maar duikt opeens weer op en gedraagt zich dan vijandig en zelfs agressief. Weet Vesta Gul – die haar huwelijksleven besteedde aan puzzelen, wachten op Walter, winkelen en boeken lezen – dat er een stoorzender in haar hoofd zit? ‘Ik ben oud, een buitenstaander, een indringer, niet welkom, paranoïde van dagenlang in mijn eentje thuiszitten.’

De dagelijkse orde en routine die ze al een jaar in haar huis aan het meer handhaaft, raakt steeds meer verstoord. Walter, die haar vroeger toevoegde dat haar zenuwen te zwak waren en dat ze een vogeltje was dat ‘probeert een havik te zijn’, is aanwezig als as in een urn en in haar hoofd. ‘Ik wilde Walter uit mijn geestesruimte verdrijven.’ Moshfegh weet de spanning subtiel op te voeren. Een religieus getint radioprogramma fungeert als geheim tekensysteem, vooral als de naam Magda valt. De buren, bij wie ze al dwalend terechtkomt, houden een gekostumeerd feestje met de dood als thema. Of toch niet? Feit en fictie blijken aan het eind al vanaf de eerste zinnen vermengd te zijn tot een giftig brouwsel.

De dood in haar handen is een vertelling die een onherroepelijke cirkelbeweging vormt. Aan het slot staan we weer bij het begin en valt het zogenaamd gevonden briefje samen met de romantitel. Moshfegh geeft de gestoorde en langzaam ontsporende geest van een oudere, eenzame en verlaten vrouw overtuigend gestalte.