Paranoia in afrika ‘burundi heeft geen leger soldaten nodig, maar een leger psychiaters’

Conflictbeheersing in Afrika bestaat meestal uit het opentrekken van een blik soldaten. Ahmedou Ould Abdallah, VN-conflictdiplomaat, deelt liever mobiele telefoons uit en vraagt de Hutu- en Tutsi-leiders op de thee. Een interview.
Ahmedou Ould Abdallah, La diplomatie pyromane, Entretiens avec Stephen Smith. Uitgeverij Calmann-Lévy, FF 110, 212 blz.
BEGIN 1994 VERKEERT Burundi, net als buurland Rwanda, in hevige staat van paranoia. Het is nog maar enkele weken geleden dat vijftigduizend Hutu’s en Tutsi’s zijn omgekomen in de bloedige nasleep van een mislukte staatsgreep.

Door de stoffige straten van Bujumbura loopt een onberispelijk geklede Mauretaniër. Opgewonden loopt een Burundiër op hem af, onderwijl schreeuwend: ‘Dit land zal bloeden, dit land zal branden!’ Onverstoorbaar draait de man zich om en haalt een doosje lucifers uit zijn zak. 'Ga uw gang’, antwoordt hij, 'het zijn uw huizen en fabrieken die zullen branden, uw mensen die zullen lijden. Ik heb mijn retourtje op zak.’
De man is Ahmedou Ould Abdallah, speciale VN-gezant in Burundi van eind '93 tot oktober '95. De anekdote staat in zijn boek, La diplomatie pyromane, dat onlangs in Frankrijk verscheen. Na zijn Parijse studietijd werd Abdallah op 31-jarige leeftijd minister van Handel in Mauretanië. Hij bekleedde nog diverse andere ministersposten en was ambassadeur in de Verenigde Staten, de Benelux en Europa. Onlangs was hij een van de kandidaten voor de post van VN-secretaris-generaal. Tegenwoordig is hij directeur van de Global Coalition for Africa, een aan de Wereldbank gelieerde intergouvernementele denktank over ontwikkelingsvraagstukken.
Deze week was Abdallah in Nederland voor een conferentie over conflictpreventie. Op dat gebied heeft de nu 56-jarige Abdallah inmiddels een naam opgebouwd. Dat is vooral te danken aan zijn rol in Burundi. Toen op 6 april 1994 de president van Burundi samen met zijn Rwandese ambtgenoot omkwam bij het nog steeds onopgehelderde vliegtuigongeluk, handelde Abdallah ogenblikkelijk. Hij verzamelde de Hutu- en Tutsi-leiders van het land en pleegde een, zoals hij het zelf noemde, 'preventieve staatsgreep’. De macht werd verdeeld tussen de twee partijen, waarbij de Hutu-oppositie de premier en 45 procent van de ministers leverde. De FroDeBu, de Tutsi-partij die in 1993 de verkiezingen had gewonnen, ging akkoord met deze verdeling.
Abdallah: 'Na een conflict ligt de nadruk vaak op snelle verkiezingen. In verscheurde landen, waar de wonden nog vers zijn en veel wederzijds wantrouwen is, kan een verhitte campagne makkelijk spanningen aanwakkeren en zo de weg banen voor hervatting van het geweld. Een overgangsperiode is dan nuttig om het land te stabiliseren en de tegenstellingen te sussen.’
Zo'n periode van machtsdeling is niet alleen in conflictsituaties van nut, meent Abdallah: 'In Afrika zijn we nog niet gewend aan vreedzame machtswisselingen. De meeste landen kennen pas sinds de jaren zestig onafhankelijkheid, op Ethiopië, Egypte en Marokko na. Net als in Oost-Europa staat de democratie in Afrika nog in de kinderschoenen. Er is tijd nodig om de democratie beschermd op te laten groeien. Het kost vijftien tot twintig jaar om een geleidelijke overgang van een dictatuur naar een democratisch systeem te kunnen maken.
Het Westen heeft in het verleden te veel pressie uitgeoefend op Afrikaanse staten. Het is te snel geweest met het invoeren van democratie. Daardoor zie je dingen verkeerd gaan. Mensen moeten leren democratisch samen te leven. In Burundi en Rwanda is men niet in staat geweest om met die snelle veranderingen om te gaan.’
ALS VN-GEZANT getroostte hij zich veel moeite om de partijen in Burundi te overtuigen van deze boodschap. En wel langs communicatieve weg; Abdallah ziet niets in machtsmiddelen of militaire interventie. 'We hebben de laatste jaren gezien dat het zenden van militairen in binnenlandse conflicten, zonder duidelijke frontlijn, niet erg effectief is. Burundi heeft geen leger soldaten nodig, maar een leger psychiaters.’
Een militaire troepenmacht zal de strijd eerder doen oplaaien en zelfs uitspraken en beloften daarover kunnen olie op de golven gooien: 'Als je tegen een groep zegt dat je troepen stuurt, denken ze dat je zegt: “Wij steunen jullie” en de andere groep denkt: “Zij gaan ons aanvallen.” Alles wat je vertelt, interpreteren ze op hun eigen manier. Het is belangrijk dat wij buitenlanders ons daarvan bewust zijn.’
Abdallah ziet meer heil in diplomatiek en communicatief optreden. Buitenlandse vertegenwoordigers moeten er allereerst voor zorgen dat de communicatiekanalen open blijven, om te voorkomen dat de conflicterende partijen in een waanwereld van geruchten gaan leven. Abdallah gaf de Hutu- en Tutsi-leiders in Burundi dus mobiele telefoons, 'zodat ze elkaar eens konden bellen’. Regelmatig nodigde hij ze uit om wat te komen eten en drinken 'zodat ze eens met elkaar konden praten’. Hij nam ze mee naar Zweden 'om ze te laten zien dat je als politie iemand kunt ondervragen zonder hem meteen te vermoorden’. Hij reisde met ze naar Zuid-Afrika 'om te laten zien dat oude vijanden vreedzaam kunnen samenleven’.
Toch schiet hij ook wel eens uit zijn slof. 'Deze mensen houden ervan elkaar te doden’, zo liet hij zich tegen een Canadese journalist ontvallen, 'het is hun favoriete sport. Het is Afrika, het is tribaal, it’s that simple. Het is bloed en dood.’ Terugkijkend zegt hij: 'Ik was echt laaiend op ze. Dat was niet terecht. Het zijn verstandige, hardwerkende mensen. Maar ze zijn paranoïde geworden door de diep gewortelde haat en de grote problemen die ze hebben.’
Een van die problemen is de immense overbevolking. Abdallah: 'In Burundi, Zaïre en Rwanda leidt dat tot grote spanningen. In Afrika ligt het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer op 25. In het Grote Merengebied is dat bijna driehonderd. Ik was heel verrast te ontdekken dat er hier helemaal geen wildlife is. Er zijn geen dieren meer over, zelfs geen konijnen. Het land is helemaal ingenomen door mensen. Die overbevolking is een van de oorzaken van het conflict.’
Maar als de grootste oorzaak van het geweld ziet Abdallah de cultuur van eigenrichting. 'Kort na de onafhankelijkheid vonden er al aanslagen plaats, op de eerste politieke leiders dus. Dat gebeurde tussen 1959 en 1961, zowel in Rwanda, Burundi als Zaïre. Zo werd dat een modus operandi, een manier van omgaan met een conflict: moorden als een legitiem middel om politieke doelen te bereiken. Verschil van mening over de toekomst van een land is normaal, maar het is niet normaal om daarvoor te doden. Toch werd dit een deel van de cultuur in deze landen. Dat duurt nu al een generatie. De straffeloosheid daarvan ligt aan de basis van de huidige problemen.
Het gemak waarmee ze doden, is vreselijk. Er heerst paranoia, Burundezen zijn zo ongelooflijk bang voor elkaar. Als je niet zelf doodt dan word je gedood, zo wordt er gedacht. Daarom hebben ze therapie nodig, mensen die met ze praten.’
Hij pleit voor een waarheids- en verzoeningscommissie, zoals in Chili en Zuid-Afrika. Zo'n commissie biedt daders de gelegenheid om hun fouten te erkennen, terwijl slachtoffers hun gevoelens kunnen uiten. Abdallah: 'Zonder zo'n commissie zal het doden nooit ophouden. Deze gebeurtenissen zijn niet te vergeten maar wel te vergeven. De Hutu’s en Tutsi’s hebben elkaar nodig om verder te leven. Kijk naar Zuid-Afrika. De moordenaars op Steve Biko zijn voor de commissie gebracht. Zij erkenden hun misdaden. Zelfs president Mandela was voor amnestie.’
Er is ook kritiek op de waarheidscommissies, het zou niet meer zijn dan een verkapte vorm van algehele amnestie. Abdallah: 'Natuurlijk, het is een andere vorm van amnestie. Maar wel een publieke amnestie, niet in het verborgene. En men kan zich niet meer verschuilen achter het collectief, want de verantwoordelijkheid ligt bij individuen.’ Nu geven groepen vooral elkaar de schuld. Abdallah: 'Iedereen is oprecht overtuigd van zijn eigen gelijk. En als iemand zich dat maar stevig genoeg inprent is het moeilijk om de dingen objectief te zien. Als vreemdeling in een ander land zie je een familie huilen omdat hun zoon of dochter is gedood. Zij huilen om gerechtigheid. Dat is aangrijpend. Hoe moet je daar een antwoord op geven? Er moet daarom recht worden gedaan. Als mensen er niet van overtuigd zijn dat er gerechtigheid zal geschieden, is verzoening heel moeilijk te accepteren.’
Maar in een land als Rwanda, waar het geweld zo massaal was dat bijna iedereen schuld heeft, kun je niet iedereen veroordelen. Richt dan de aandacht op de politieke leiders, zegt Abdallah: 'De 25 tot dertig hoofdverantwoordelijken moeten worden veroordeeld. Dat zijn de breinen achter de slachting. Veel van die leiders leven in Europa of elders in Afrika. Zij zijn het echte probleem.’ Voor die anderen geldt vooral dat zij hun daden moeten erkennen. Pas dan kunnen ze amnestie krijgen. Dat is geen pijnloze weg. Abdallah: 'Van buitenaf is het makkelijk praten, maar een Rwandese boer ziet de kwestie veel concreter. Hij beschouwt zijn buurman als de verantwoordelijke voor de moord op zijn gezin. En die buurman kent hij persoonlijk. Hoe moet je hem vertellen dat de leider in Kigali verantwoordelijk was? Hij weet allang wie het heeft gedaan. Dat is moeilijk.’
Van de twee tribunalen die in Rwanda werkzaam zijn, heeft Abdallah de minste fiducie in Rwanda’s nationale gerecht. Hij hoopt dat het VN-tribunaal na het ontslag van twee corrupte aanklagers verleden week effectiever te werk zal gaan. 'Als je er niet snel bij bent, zullen families die iemand hebben verloren het recht in eigen hand nemen.’
Volgens de Amerikaanse journalist Robert Kaplan is in Afrika 'het gelijk van de demografische doemdenker Malthus bevestigd’ en is voor het continent 'de toekomst nog droeviger dan het heden’. Abdallah, zelf geboren in een woestijndorpje in de Sahara, ziet niets in het doemscenario van Kaplan. 'Het is net zoiets als wanneer ik ziek zou zijn en iedereen roept: “O, wat ben je ziek. Waar zullen we je begraven?” We moeten de hoop niet opgeven.’
Hij benadrukt dat je niet kunt generaliseren; Afrika bestaat uit 52 landen. 'Er zijn Afrikaanse landen waar wel politieke stabiliteit is. Er zijn meer landen met een democratie dan vijftig jaar geleden. Ook is er hier en daar economische groei, wat helemaal nieuw is.’
TOCH MAKEN de Afrikaanse landen steeds minder deel uit van de internationale kapitaalstromen. Rijke landen worden steeds rijker, terwijl veel ontwikkelingslanden armer zijn dan vijftien jaar geleden. Als directeur van de Global Coalition for Africa is dit een van Abdallahs grootste zorgen. 'De hulp van regeringen is teruggelopen. Bovendien is die hulp meer en meer humanitair, terwijl er juist investeringen nodig zijn in structurele en infrastructurele projecten: onderwijs, ziekenhuizen en dergelijke. Maar het is moeilijk anderen te pushen als je jezelf niet pusht. Afrikanen moeten ambitieus zijn. Ze moeten zichzelf meer promoten en zoeken naar manieren om de obstakels voor investeringen weg te nemen. Want hulp alleen kan geen veranderingen brengen.
Wij moeten proberen de binnenlandse investeringen te stimuleren. Buitenlandse investeerders zullen niet komen als binnenlandse investeringen uitblijven. Die investeringen zijn laag door een gebrek aan voorspelbaarheid. Het juridische systeem functioneert niet, de infrastructuur is slecht. Maar dat is aan het veranderen. In Zimbabwe, Ghana, Botswana.’
Desondanks is de economische structuur nog steeds een ernstig probleem. Oorzaak is de zwakke overheid, met zijn almaar uitdijende bureaucratie en corrupte ambtenaren. 'Aan het systeem waarin belastingen en buitenlandse hulp terechtkomen bij een kleine groep apparatsjiks moet snel een einde komen’, vind Abdallah. Ook de onder druk van de Wereldbank uitgevoerde privatiseringen zijn weinig effectief. In veel landen leiden ze juist tot verdere ontwrichting. Net als voor democratie lijkt Afrika nog niet klaar voor een kapitalistische economie. Ook Abdallah heeft geen goed antwoord op de problemen. Hij blijft het beleid van de Wereldbank steunen. 'Je moet ergens beginnen.’
Abdallah blijft optimistisch. 'Er is in veel landen een groeiende informele sector, dat zie je niet in de statistieken.’ Nee, hij is niet bang dat het informele karakter van deze handel de corruptie weer zal versterken. Volgens hem betekent het vooral dat Afrikanen hun toekomst in eigen hand nemen, onafhankelijk van overheid en buitenlandse hulp. 'Het laat zien dat de officiële economie niet erg efficiënt werkt, met al die staatsmonopolies. Als reactie daarop nemen veel Afrikaanse vrouwen en mannen hun lot in eigen hand en trotseren de overheid.’