Ger Groot

Parasang

Het openslaan van Xenophons Anabasis in mijn oude schooleditie bezorgde onwillekeurig een kleine huivering. Het Grieks is na ruim dertig jaar onbegrijpelijk geworden, maar de strepen in de tekst bewijzen dat ik het ooit moet hebben bestudeerd. De plaatjes ogen even vreemd vertrouwd als de beklemming die er, ondanks een gelukkige middelbareschooljeugd, uit opwalmt. Nog altijd de angst het pensum van de dag niet goed onder de knie te hebben.

Dit zou een lofzang op de volwassenheid kunnen worden. Nooit meer de onzekerheid over het eigen begrip, tegenover de laatste autoriteit die alles wist: de gymnasiumleraar. Jaren van rijping vervingen haar door een inwendige rust, die door zijn eigen onwetendheid niet langer uit het veld wordt geslagen.

Die kalmte moet als twee druppels water geleken hebben op die van mijn docenten, beklemd als ook zij aan het eind van de jaren zestig ongetwijfeld zijn geweest. Soms toonden ze dat zelfs, maar het tastte hun autoriteit evenmin aan als het feit dat hun wetenschap iets begerenswaardigs was. Er stond met kennis en cultuur iets ontzagwekkends en verlokkends op het spel. Alles weten was de natuurlijke eindterm van het schoolbestaan. Het begon met de wil eerst maar eens alles gelezen te hebben.

Zo zou de lof van de volwassenheid die van de gymnasiumleraar worden: de belichaming van het absolute weten dat nooit zonder schroom benaderd wordt. Maar het oog zoekt in de Anabasis een ander woord, dat het zojuist in gewoon Latijns schrift nog gelezen heeft: «In een onveranderd dikke sneeuwlaag leggen ze nog vijftien parasangen af in drie dagen.» Parasang is even onverbrekelijk verbonden met Xenophon als werst met Dostojevski — en tegelijk met de schoolse overgangsfase waarin grammaticale rijtjes worden vervangen door het lezen van de eerste teksten.

Zonder de discipline van het stampwerk geen begrip, zonder ontzag geen verwondering of zelfs verrukking. Maar die laatste gingen voorlopig schuil achter de talloze parasangen die het lezen van Xenophon tot het antieke equivalent van de hedendaagse fileberichten maakte. Van de Anabasis is me uiteindelijk weinig méér bijgebleven dan dat, samen met het beeld van de zeiswagen waarvan het schoolboek een verhelderend plaatje toonde. Een verschrikkelijk wapen, zoals alle, aldus de leraar Grieks; het waren tenslotte de late jaren zestig.

Dankzij Italo Calvino is het boek uit mijn vergetelheid ontwaakt. Waarom zou je de klassieken lezen is de titel van een zojuist heruitgegeven bundel kleine essays over zo’n 35 meesterwerken, volgens de persoonlijke smaak van de auteur (Uitg. Atlas). Dat klinkt even prikkelend als het omslag oogt: een boekenkast in Pompeï-stijl, ingebouwd in een muur en door een half openstaande deur onzichtbaar af te sluiten. Als stut van onze literaire beschaving raakten de klassieken al even onbemind als de niet minder onmisbare naamvalsrijtjes van de grammaticales.

Bij Calvino staat Xenophon in die half gesloten pronkkast. Het opstel dat hij eraan wijdt, laat een boek zien dat ik nog niet kende, al herinner ik mij dat de leraar het erover moet hebben gehad. Over de barre terugtocht die het beschrijft en die het boek zijn naam gaf: een verslagen Grieks leger dat dwars door politiek en geografisch vijandig gebied terughunkert naar het moederland. En over de snoevende listigheid van de held die toevallig óók Xenophon heet: een Odysseus even waardig als het boek de jongensfantasie.

Dat heeft destijds niet gewerkt. Te veel parasangen en aoristi, en met tien vertaalde regels per dag te weinig verhaal. Klassieken, schrijft Calvino, zijn de boeken die je als volwassene moet herlezen om te begrijpen wat je als jongere niet zag. Hij citeert anderhalve bladzijde Anabasis en plotseling begrijp ik waarom het boek een plaats verdient in de prachtreeks Ambo-klassiek, waarin het een paar jaar geleden werd vertaald.

Grote literatuur lezen op school? Komende week congresseren leraren Nederlands in Tilburg over de vraag waar het goed voor is. Veel animo tonen de leerlingen er meestal niet voor. Maar als het goed is blijft bij sommigen de herinnering hangen aan wat ergens in een half gesloten kast moet staan. Bij het herlezen begint pas wat de eerste, onbegrepen lezing alleen maar voorbereidt: noodzakelijk, maar veel te vroeg.